|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/6007
WAZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 2 oktober 2006, 06/889
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 22 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 2 april 2007 heeft appellant een nieuw besluit ten
aanzien van betrokkene genomen.
Bij brief van 4 april 2007 heeft betrokkene hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter
zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene
tegen het besluit van appellant van 30 maart 2006 gegrond verklaard en
appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten en
bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt.
Appellant heeft aangegeven in hoger beroep te zijn gekomen omdat de
rechtbank in de aangevallen uitspraak geoordeeld heeft dat appellant ten
onrechte bij de schatting is uitgegaan van een maximering van de
werkweek op 38 uur en dat appellant daarmee een verkeerde toepassing
heeft gegeven aan het Schattingsbesluit 2004.
In zijn besluit van 2 april 2007 heeft appellant, als gevolg van de
uitspraken van de Raad van 2 maart 2007, aangegeven zijn standpunt te
herzien nu, in het licht van de nieuwe jurisprudentie en de
omstandigheid dat de betrokkene een werkweek van gemiddeld 80 uur kende,
gebleken is dat de maatman niet door appellant gemaximeerd had mogen
worden op 38 uur per week.
De uit dit nieuwe standpunt voortvloeiende herberekening van de mate van
betrokkenes arbeidsongeschiktheid leidt tot indeling in de klasse van 35
tot 45%.
Bij schrijven van 4 april 2007 is van de zijde van betrokkene aangegeven
dat met dit nieuwe besluit volledig aan de bezwaren van betrokkene
tegemoet gekomen wordt.
Namens betrokkene is de Raad verzocht appellant te veroordelen tot
vergoeding van de kosten die betrokkene in hoger beroep heeft moeten
maken.
Het is de Raad niet gebleken van bezwaren van appellant tegen dit
verzoek.
De proceskosten worden begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger
beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 22 juni 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|