|
Uitspraak
98/7766
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Margraten,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 22 juli 1997 heeft gedaagde afwijzend beschikt op de
aanvraag van appellant, welke erop was gericht om hem ingevolge de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de op die wet gebaseerde
Verordening Voorzieningen Gehandicapten gemeente Margraten 1996 (de
Verordening) in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in
verhuis- en (her)inrichtingskosten (verder te noemen
verhuiskostenvergoeding).
Gedaagde heeft de bezwaren van appellant tegen dat besluit bij het thans
bestreden besluit van 30 september 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 21
september 1998 (de aangevallen uitspraak) het tegen het bestreden
besluit ingediende beroep ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is mr. J.H. Bosveld, sociaal raadsvrouw bij het
Adviespunt Handicap en Recht van de Algemene Nederlandse Gehandicapten
Organisatie, namens appellant op daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.
Op 23 maart 1999 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 december 1999, waar namens appellant is verschenen
mr. Bosveld, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door H.P.C. Peters, werkzaam bij de gemeente
Margraten.
II. MOTIVERING
Op 25 juni 1997 heeft appellant in verband met een voorgenomen
verhuizing van C. naar B. in Friesland een verhuiskostenvergoeding
ingevolge de Verordening aangevraagd. Bij zijn besluit van 22 juli 1997 heeft gedaagde die aanvraag
afgewezen (enkel) op de grond dat ingevolge artikel 2.14, vierde lid,
van de Verordening een verhuiskostenvergoeding slechts kan worden
toegekend als het inkomen van de betrokkene op jaarbasis niet meer
bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen, welke grens het inkomen van
appellant blijkens de door hem overgelegde gegevens overschrijdt.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het tegen dat besluit
ingestelde bezwaar ongegrond verklaard op gelijke gronden als vermeld in
het primaire besluit, waaraan hij nog heeft toegevoegd dat zijns inziens
de Wvg de ruimte laat om in de Verordening een inkomensgrens op te nemen
als door hem gehanteerd.
In beroep is namens appellant in het bijzonder betoogd dat het stellen
van een inkomensgrens als de onderhavige in strijd is met het bepaalde
in de artikelen 5 en 6 van de Wvg en met de Regeling inzake financiële
tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg (de Regeling).
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard, waartoe zij onder meer heeft overwogen:
"De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 2.14, vierde
lid, van de Verordening, van oordeel dat verweerder zich terecht op het
standpunt heeft gesteld, dat eiser niet in aanmerking kan worden
gebracht voor een financiële tegemoetkoming als hiervoor bedoeld, nu
zijn netto-inkomen hoger is dan anderhalf maal het van toepassing zijnde
norminkomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking, dat de door
verweerder vastgestelde hoogte van het netto-inkomen niet door eiser is
bestreden.
Noch in de Wvg noch in voormelde Regeling (Stcrt. 1993, 227) zijn
beletselen gelegen om één of meer inkomensgrenzen te stellen.
De opvatting van eisers gemachtigde, dat de grenzen van de gemeentelijke
beleidsvrijheid zijn gesteld in voormelde Regeling, acht de rechtbank
onjuist.
Allereerst geeft de toelichting bij de Regeling duidelijk aan, dat deze
"uitsluitend betrekking heeft op die op de werkelijke kosten van
voorzieningen gebaseerde financiële tegemoetkomingen, waarbij de
gehandicapte een deel van de werkelijke kosten voor zijn rekening moet
nemen".
Voorts kan uit de tekst van de Regeling zelf worden afgeleid, dat deze
niet betrekking heeft op forfaitaire financiële tegemoetkomingen als
onderwerpelijke verhuiskostenvergoeding. De onderhavige tegemoetkoming
is immers geabstraheerd van de werkelijke kosten, zodat bezwaarlijk kan
worden gesproken van het eigen aandeel in de kosten van een voorziening
als bedoeld in artikel 4 van de Regeling. Daarenboven bevestigd de
"Nota naar aanleiding van het eindverslag", waarbij de
Regeling in het vooruitzicht is gesteld, dat deze slechts betrekking
heeft op niet-forfaitaire vergoedingen (RSV 1997/249).
Samenvattend komt de rechtbank tot de conclusie, dat uit de ten dezen
van toepassing zijnde wettelijke bepalingen niet voortvloeit, dat
verweerder geen inkomensgrenzen zou mogen stellen. Het bepaalde in
voormelde Regeling is niet relevant, nu deze geen betrekking heeft op de
in casu toegepaste bepaling.
In zoverre kan de rechtbank zich verenigen met het betoog van verweerder
in voormeld verweerschrift.
Wat betreft de stelling van verweerder, dat vanaf "zulk een bepaald
inkomen (bedoeld wordt in casu het norminkomen)" verwacht mag
worden, dat de betreffende kosten uit dat inkomen bestreden (kunnen)
worden c.q. voor deze kosten gemakkelijker dan wel ruimer gereserveerd
kan worden, overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder heeft de inkomensgrens voor de verhuiskostenvoorziening -
zoals gezegd - gesteld op anderhalf maal het norminkomen, als omschreven
in artikel 1.1 van de Verordening, hetgeen een afgeleide is van de voor
eiser geldende bijstandsnorm.
Hoewel de door verweerder gehanteerde inkomensgrens niet als ruim
gekenschetst kan worden, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten
om het daar kennelijk (mede) aan ten grondslag liggend uitgangspunt, dat
iemand met een inkomen boven deze grens in beginsel in staat geacht
wordt de kosten verbonden aan een verhuizing zelf te dragen dan wel
daarvoor te reserveren, voor onjuist te houden."
In hoger beroep is namens appellant, met een beroep op de
totstandkomingsgeschiedenis van de Wvg en de toelichting bij de
Regeling, aangevoerd dat het bepaalde in de Wvg en de Regeling slechts
ruimte laat voor het hanteren van één of meer inkomensgrenzen ten
aanzien van vervoersvoorzieningen. In dat verband is betoogd dat de
achtergrond van de inkomensgrens voor vervoersvoorzieningen is dat het
bezit van een auto bij een bepaald inkomen algemeen gebruikelijk wordt
geacht, zodat ervan uitgegaan mag worden dat de vervoersproblemen van
gehandicapten met zodanig inkomen opgelost kunnen worden met de eigen
auto. Een dergelijke rechtvaardiging zou echter niet gelden voor het
stellen van een inkomensgrens voor een verhuiskostenvergoeding, daar
niet zou kunnen worden gezegd dat een verhuizing wegens een handicap
boven een bepaald inkomen algemeen gebruikelijk is. Voorts is van de
kant van appellant de aanname dat gehandicapten met een inkomen boven de
door gedaagde gehanteerde grens in staat zijn de kosten van een
verhuizing zelf te dragen niet reëel geacht, waartoe is gesteld dat de
kosten van een verhuizing voor gehandicapten veelal hoger zijn dan voor
anderen, aangezien gehandicapten vaak niet in staat zijn om de daaraan
verbonden werkzaamheden zelf te verrichten, terwijl zij ook overigens
voor zodanige extra kosten staan dat zij minder ruimte hebben om voor
een verhuizing te reserveren. Ten slotte is namens appellant gewezen op
de omstandigheid dat in de Verordening voor andere woonvoorzieningen een
veel gunstiger regime geldt, nu in de gemeente C. daarvoor zelfs geen
eigen bijdrage wordt geheven.
De Raad overweegt als volgt.
In zijn uitspraak van 20 augustus 1996 (JSV 1996/319 en AB 1996/454)
heeft de Raad ten aanzien van een forfaitaire tegemoetkoming in
vervoerskosten als zijn oordeel uitgesproken dat er noch in de Wvg noch
in de daarop berustende Regeling beletselen zijn gelegen om bij
gemeentelijke verordening een of meer inkomensgrenzen te stellen. Voorts
heeft de Raad in een tweetal uitspraken van 1 juli 1997 (RSV 1997/249 en
250; USZ 1997/182 en 183) geoordeeld dat de Regeling geen betrekking
heeft op forfaitaire tegemoetkomingen, zoals vervoerskostenvergoedingen,
en ook dat een inkomensgrens ter hoogte van 1,5 maal het (van de
bijstandsnorm afgeleide) norminkomen waarboven een dergelijke
tegemoetkoming niet wordt gegeven, niet met het in de Wvg bepaalde in
strijd is. De Raad heeft daarbij overwogen dat het aan de inkomensgrens
ten grondslag liggende uitgangspunt dat een betrokkene met een inkomen
van (meer dan) 1,5 maal het norminkomen in beginsel in staat geacht
wordt de aan het rijden van een eigen auto verbonden kosten te dragen,
ligt binnen de bij de artikelen 2 en 3 van de Wvg aangegeven grenzen van
de zorgplicht van het gemeentebestuur.
In het verlengde van de zojuist vermelde jurisprudentie ziet de Raad wat
betreft het toepassingsbereik van de Regeling geen reden om een
onderscheid te maken tussen de verschillende aandachtsgebieden van de Wvg. De Regeling moet derhalve, naast de eigen bijdragen voor
voorzieningen in natura, van toepassing worden geacht op alle vormen van
financiële tegemoetkomingen in het kader van de Wvg, waarbij de
gehandicapte een deel van de werkelijke kosten van de voorziening voor
zijn rekening moet nemen. Indien er evenwel sprake is van forfaitaire tegemoetkomingen, waarbij geen vast omlijnd eigen aandeel van de
gehandicapte in de kosten is aan te wijzen, vallen deze - ongeacht de
voorzieningensoort waarop ze betrekking hebben - buiten de werking van de
Regeling. Het bij verordening stellen van een inkomensgrens als
voorwaarde voor een dergelijke tegemoetkoming kan derhalve geen
doorkruising van het door de Regeling gecreëerde beschermingsregime
opleveren. Aan het feit dat in de toelichting bij de Regeling de
mogelijkheid is genoemd om ten aanzien van forfaitaire tegemoetkomingen
in vervoerskosten inkomensgrenzen te stellen, kan de Raad voorts niet
ontlenen dat zulks ten aanzien van de andere buiten de werkingssfeer van
de Regeling liggende forfaitaire tegemoetkomingen, zoals
verhuiskostenvergoedingen, zonder meer niet toegestaan zou zijn.
Het vorenstaande laat uiteraard onverlet dat de (hoogte van) een door
een gemeentebestuur ten aanzien van een forfaitaire tegemoetkoming
gestelde inkomensgrens niet in strijd mag komen met ingevolge artikel 3
van de Wvg geldende vereiste dat bedoeld bestuur verantwoorde, dat wil
zeggen doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte, voorzieningen dient
aan te bieden.
Bij de toetsing van de onderhavige inkomensgrens aan het zojuist
omschreven vereiste stuit de Raad allereerst op het gegeven dat in de
toelichting behorend bij de door de gemeenteraad van Margraten
vastgestelde Verordening, anders dan wat betreft de daarin tevens
neergelegde inkomensgrens voor tegemoetkomingen in vervoerskosten, geen
enkele verklaring wordt gegeven voor het stellen, laat staan voor de
hoogte, van de gehanteerde inkomensgrens. In de loop van de
gedingvoering betreffende het bestreden besluit heeft gedaagde ter
motivering van de (hoogte van de) in artikel 2.14, vierde lid, gestelde
inkomensgrens slechts benadrukt dat het gemeentebestuur beleidsvrijheid
terzake heeft en dat het ervan uitgaat dat degenen met een inkomen boven
die grens in staat moeten worden geacht de aan een verhuizing verbonden
kosten uit eigen middelen te bestrijden althans daarvoor te reserveren.
Naar aanleiding van de zijdens appellant aan de orde gestelde
discrepantie tussen het stellen van de onderwerpelijke inkomensgrens
voor verhuiskostenvergoedingen en het in de Verordening ontbreken van
iedere financiële limitering ten aanzien van andere woonvoorzieningen
is gedaagde om uitleg dienaangaande gevraagd en tevens is verzocht om
aan te geven hoe deze inkomensgrens is te rijmen met het in de
Verordening neergelegde - en in de toelichting daarbij beklemtoonde -
primaat van de verhuizing. Van de kant van gedaagde is dienaangaande als
uitleg gegeven dat door hem een ruimhartig beleid ten aanzien van
woningaanpassingen wordt gevoerd, waarbij het primaat van de verhuizing
in weerwil van het in de Verordening en de toelichting daarbij gestelde
in de praktijk nauwelijks wordt gehanteerd. De Raad stelt evenwel vast
dat deze uitleg geen steun vindt in de tekst van de Verordening of de
toelichting daarbij, zodat deze reeds daarom niet als toereikend kan
worden beschouwd. De Raad acht dan ook onvoldoende inzichtelijk hoe de
in de Verordening gestelde inkomensgrens voor verhuiskostenvergoedingen
zich verhoudt tot de (financiële aspecten van de) overige daarin
geregelde woonvoorzieningen.
De Raad constateert voorts het ontbreken van iedere vorm van statistisch
of ander relevant feitenmateriaal ter onderbouwing van de stelling dat
gehandicapten met een inkomen boven de door het gemeentebestuur van C.
gehanteerde inkomensgrens in staat geacht kunnen worden de kosten van
een door de handicap noodzakelijk geworden verhuizing zonder meer zelf
te dragen. Anders dan wat betreft tegemoetkomingen in vervoerskosten kan
de Raad ook niet op grond van gegevens van algemene bekendheid die
stelling onderschrijven. Het komt de Raad integendeel als allerminst
waarschijnlijk voor dat in zijn algemeenheid reeds bij een inkomen van
1,5 maal het norminkomen sprake is van een situatie waarin iemand die
als gevolg van een handicap dient te verhuizen, niet is aangewezen op
een tegemoetkoming in de kosten daarvan. De Raad neemt daarbij in
aanmerking dat een dergelijke noodzaak tot verhuizing niet altijd
(geruime tijd tevoren) is te voorzien en acht het ook - zoals vanwege
appellant betoogd - aannemelijk dat de daaraan verbonden kosten veelal
hoger zullen zijn dan die van de verhuizing van een niet-gehandicapte.
Pas bij een inkomen dat aanzienlijk boven het in casu gehanteerde bedrag
ligt, zou de Raad op basis van algemene ervaringsgegevens aannemelijk
kunnen achten dat de betrokken gehandicapte in het kader van de Wvg niet
op enige vorm van tegemoetkoming in de kosten van verhuizing is
aangewezen.
Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de gevolgtrekking dat het bepaalde
in artikel 2.14, vierde lid, van de Verordening niet spoort met het
vereiste van artikel 3 van de Wvg dat het gemeentebestuur verantwoorde
voorzieningen moet aanbieden. Genoemd onderdeel van de Verordening dient
derhalve buiten toepassing te worden gelaten. Nu aldus de grondslag aan
het bestreden besluit is komen te ontvallen, dienen dat besluit en de
aangevallen uitspraak waarin dat besluit in stand is gelaten, te worden
vernietigd. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.
Ten overvloede in dit geding en ter voorlichting van partijen merkt de
Raad nog op dat het gedaagde vrij staat om bij het nemen van het nieuwe
besluit, voor zover thans nog doenlijk, de aanvraag van appellant te
toetsen aan de overige toepasselijke voorwaarden van de Verordening en
dat het derhalve niet vaststaat dat appellant aanspraak op een
verhuiskostenvergoeding heeft.
In verband met de vernietiging van het bestreden besluit acht de Raad
termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant
in beide instanties. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- aan kosten
van rechtsbijstand in eerste aanleg en hetzelfde bedrag aan kosten van
rechtsbijstand in hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te
vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet
gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
f 2.840,--, te betalen door de gemeente Margraten aan appellant;
Bepaalt dat genoemde gemeente aan appellant het gestorte recht van in
totaal f 215,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 31 december 1999.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|