|
Uitspraak
98/5844 WVG en 98/5845 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
appellant,
en
A., wonende te B., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van
een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 15 juni
1998 gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende
vernietiging van de door appellant in het kader van de uitvoering van de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) ten aanzien van gedaagde genomen
besluiten van 24 september 1996 (besluit I) en van 10 februari 1998
(besluit II) alsmede de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te
nemen met inachtneming van die uitspraak van de rechtbank.
Namens gedaagde is op 27 oktober 1998 door H.C. Vermaseren, medewerkster
van de Stichting Juridische EHBO te Tilburg, een verweerschrift
ingediend en onder dagtekening 19 november 1998 is harerzijds een nader
stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 december 1998, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.H.M. de Bruijn,
werkzaam bij de gemeente Tilburg, terwijl namens gedaagde zijn
verschenen haar broer C. alsmede H.C. Vermaseren, voornoemd.
II. MOTIVERING
De relevante feiten
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is
aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de volgende feiten
en omstandigheden:
"Eiseres, geboren in 1957, is een verstandelijk gehandicapte vrouw,
die functioneert op het ontwikkelingsniveau van een 5- tot 8-jarige.
Daarnaast heeft zij ook lichamelijke handicaps: zij is rolstoelgebonden,
epileptisch, nagenoeg blind en heeft ernstige gehoorproblemen. Zij woont
in X., een instelling die is toegelaten ingevolge artikel 8 van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ-instelling), in de
voormalige gemeente B.
Bij besluit van 3 april 1996 is in het kader van de Wvg vervoer per
deeltaxi (rolstoeltaxi) toegekend.
Bij besluit I heeft verweerders rechtsvoorganger de bezwaren van eiseres
hiertegen ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juni 1998 heeft de rechtbank in een viertal
vergelijkbare zaken van bewoners van X. het (nagenoeg gelijkluidende)
bestreden besluit vernietigd wegens een zorgvuldigheids- en
motiveringsgebrek.
Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder nader onderzoek
verricht naar de vervoersbehoefte van eiseres aan de hand van een
vragenlijst.
Eiseres gaat één keer per vier weken een dag naar haar moeder en haar
broers in D. Het vervoer geschiedt door haar twee broers, met hun eigen
auto.
Verder heeft Thuiszorg Midden-Brabant (hierna: Thuiszorg) een nieuw
medische advies uitgebracht. Na onderzoek door een verpleegkundige van
Thuiszorg, heeft een arts als advies uitgebracht dat eiseres met
begeleiding gebruik kan maken van de deeltaxi, te weten rolstoeltaxi met
individueel vervoer. Tot slot heeft op 10 november 1997 een nieuwe
hoorzitting plaatsgevonden.
Bij besluit II heeft verweerder het bezwaarschrift opnieuw ongegrond
verklaard, met dien verstande dat aan eiseres is toegekend een
rolstoeldeeltaxipas met begeleiding voor individueel regionaal vervoer
plus 200 strippen voor bovenregionaal vervoer.
Tevens zijn 472 extra strippen toegekend voor bovenregionaal vervoer.
Daarbij is onder meer overwogen dat van de familie gevraagd kan worden
eiseres te begeleiden, alsmede dat verweerder in beginsel slechts
zorgplicht heeft voor het vervoer in de directe woon- en leefomgeving.
In de vervoersbehoefte door de week kan worden voorzien middels deeltaxi
met begeleiding.
Voorts stelt verweerder vast dat het vervoer voor eiseres in principe
uitsluitend bestaat uit bovenregionaal vervoer. Verweerder stelt zich
daarbij op het standpunt dat de meeste bovenregionale contacten
onderhouden worden met familieleden die in staat zijn bij eiseres op
bezoek te komen en dat aldus voorzien kan worden in de primaire essentiële
contacten. Hieruit volgt dat geen vervoersvoorziening behoeft te worden
getroffen voor het vice-versavervoer (het vervoer van de instelling
naar het weekendadres en terug) en het weekendvervoer (het vervoer in
het weekend). Ten aanzien van de familie heeft verweerder geen
zorgplicht. Er bestaan geen medische belemmeringen voor het gebruik van
de deeltaxi. Verweerder acht de verstrekte voorziening adequaat in de
zin van de Wvg.
Tot slot heeft verweerder aanleiding gezien om, met gebruikmaking van de
hardheidsclausule, 472 extra strippen toe te kennen, waarmee eiseres in
staat wordt gesteld één maal per kwartaal haar moeder te
bezoeken."
De aangevallen uitspraak
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak zowel besluit I, dat
door appellant niet is gehandhaafd, als ook besluit II vernietigd en
voorts appellant opgedragen op basis van haar overwegingen een nieuw
besluit te nemen.
Ten aanzien van besluit II heeft de rechtbank daartoe allereerst doen
wegen dat zowel in de op de Wvg gebaseerde Verordening gehandicapten
gemeente Udenhout 1996, welke ten tijde van gedaagdes aanvraag van
toepassing was, als ook in de vanaf 1 januari 1997, in verband met een
gemeentelijke herindeling, toepasselijke Verordening voorzieningen
gehandicapten gemeente Tilburg 1997 prioriteit is verleend aan het ter
plaatse opgezette systeem van collectief aanvullend vervoer per
deeltaxi, waarmee in het - op besluit II toegepaste - systeem van de
gemeente Tilburg onbeperkt kan worden gereisd binnen de regio en beperkt
(met standaard verstrekking van 200 strippen per jaar) buiten de regio.
De rechtbank heeft voorts aangegeven dat zich in gedaagdes geval een
situatie voordoet welke naar haar oordeel rechtvaardigt dat rekening
wordt gehouden met bovenregionaal vervoer voor het bezoeken van de
ouderlijke woning in het weekend. De rechtbank hecht in dat verband
groot gewicht aan de visie van de ter zitting door haar als
getuige-deskundige gehoorde drs. C. van Enckevort, als
psycholoog-orthopedagoog, werkzaam bij X.. De rechtbank heeft naar
aanleiding daarvan overwogen:
"dat in het algemeen voor bewoners van een AWBZ-instelling als X.
de aard en betekenis van de sociale contacten in het weekend op het
thuisadres wezenlijk verschillen van die door de week in en rond de
instelling. Het thuisadres (de ouders) is en blijft het primaire milieu
voor betrokkenen. Verder is sprake van een (gedwongen) verblijf in een
instelling, waarbij ook de samenstelling van de woongroep niet door hen
zelf is gekozen. Het bezoeken van het thuisadres moet voor bewoners van
een AWBZ-instelling als X. dan ook in beginsel worden aangemerkt als het
onderhouden van wezenlijke primaire contacten.
Voorts moet, mede gelet op de verklaring van de getuige-deskundige,
verweerders standpunt, dat het contact ook kan worden onderhouden door
bezoek van de familie aan betrokkenen in de instelling, worden
verworpen. In X. wonen betrokkenen in een woongroep en hebben zij alleen
een eigen slaapkamer, zodat privacy bij bezoek praktisch onmogelijk is.
Verder bestaat er in de belevingswereld van betrokkenen een duidelijk
onderscheid tussen de situatie in X. en de thuissituatie. Zij gedragen
zich thuis ook veelal anders dan in X. Een bezoek aan het thuisadres is
van een volledig andere aard dan een bezoek aan X.
Door de getuige-deskundige is in dit specifieke geval nog gesteld dat
eiseres het, gezien haar lichamelijke handicaps, met name moet hebben
van lijfelijk contact. Ze kan zich ook maar concentreren op één stem.
Het bezoeken van eiseres in de instelling, waar geen privacy is, zal dan
ook niet kunnen leiden tot een goed gesprek, zij raakt dan geïrriteerd.
Ten aanzien van de bezoekfrequentie verklaarde hij dat in het verleden
geprobeerd is om die frequentie terug te brengen van 1 maal per 4 weken
naar 1 maal per 6 weken. Dit bracht bij eiseres echter langdurig forse
reacties teweeg: zij werd depressief. Om deze reden werd de
bezoekfrequentie weer verhoogd naar 1 maal per 4 weken. De rechtbank
ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de
getuige-deskundige. Zij acht dan ook geen reden aanwezig voor nader
onderzoek door een onafhankelijke deskundige, zoals door verweerders
gemachtigde ter zitting is gesuggereerd.
Voor de rechtbank staat dan ook vast dat hier sprake is van een voor
eiseres slechts door bezoek ter plekke zinvol te onderhouden essentieel
contact.
In dit verband merkt de rechtbank nog op dat verweerder ook bij de
voorbereiding van besluit II, ondanks hetgeen namens eiseres in de loop
van de procedure daaromtrent reeds was aangevoerd en de overwegingen van
de rechtbank terzake in de uitspraak van 24 juni 1997, heeft nagelaten
onderzoek te (laten) verrichten naar dit aspect. In het rapport van
Thuiszorg is louter een advies gegeven over de belemmeringen van eiseres
om gebruik te maken van de deeltaxi. Uit de stukken blijkt niet dat
verweerder bij de besluitvorming enig inzicht had in de psychosociale
noodzaak van het bezoek aan het thuisadres. Onderzoek daarnaar ontbreekt
ten enenmale. In die zin is het bestreden besluit dan ook onvoldoende
zorgvuldig voorbereid en is sprake van strijd met artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uit het voorgaande volgt dat verweerder, om te kunnen spreken van een
verantwoorde voorziening in de zin van de Wvg, een voorziening dient te
treffen waarmee eiseres op adequate wijze het thuisadres kan bezoeken.
De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder toegekende
voorziening in de vorm van deeltaxi daaraan niet voldoet en heeft
daarbij het volgende in aanmerking genomen.
Eiseres gaat 1 maal per 4 weken naar haar moeder en broers in D.,
hetgeen, zoals hiervoor reeds is overwogen, als noodzakelijk moet worden
aangemerkt. Dit bezoek moet, in verband met haar handicaps,
noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot één dag. De rechtbank
constateert dat gebruikmaking van de deeltaxi in dit specifieke geval op
zoveel (praktische) problemen stuit dat dit naar haar oordeel niet meer
als adequaat kan worden aangemerkt.
Eiseres is aangewezen op begeleiding, welke thans wordt verzorgd door
haar twee broers. De rechtbank ziet niet in dat die begeleiding ook in
de deeltaxi op zich in redelijkheid niet van hen gevergd zou kunnen
worden. Echter, teneinde eiseres in de deeltaxi te kunnen begeleiden
dient de begeleider eerst zelf vanuit D. naar X. te reizen, waarbij geen
gebruik kan worden gemaakt van de eigen auto, onder meer omdat die dan
niet meer beschikbaar is voor vervoer gedurende de dag in D., waar een
aantal adressen (moeders en broers) wordt bezocht. Dit betekent dat de
begeleider op het openbaar vervoer is aangewezen, waarbij moet worden
aangetekend dat de bezoeken in het weekend plaatsvinden, wanneer met
name de busverbindingen naar Udenhout beperkt zijn. De reisduur naar X.
wordt daardoor voor de begeleider 2 à 2,5 uur. Vervolgens dient per
deeltaxi naar D. gereisd te worden en diezelfde middag/avond weer van D.
naar X., waarbij wachttijden mogelijk zijn, aangezien die inherent zijn
aan het systeem van deeltaxi. Tot slot zal de begeleider weer met
openbaar vervoer naar D. moeten reizen. Hieruit blijkt dat gebruik van
de deeltaxi leidt tot een dermate verlenging van de totale reisduur, dat
de duur van het bezoek sterk zou moeten worden bekort, waardoor het doel
daarvan, namelijk contact met met name de moeder van eiseres, ernstig in
de knel komt.
Voorts is zowel qua reistijd als qua kosten sprake van een dusdanige
extra belasting voor de begeleiders, dat die extra belasting in
redelijkheid niet meer van hen gevergd kan worden."
De standpunten van partijen
In hoger beroep is zijdens appellant betoogd dat de gemeente slechts een
zorgplicht heeft voor het vervoer in de directe woon- en leefomgeving en
dat door de week in gedaagdes vervoersbehoefte kan worden voorzien
middels de een individuele rolstoeltaxi met begeleiding, waarvoor
gedaagdes familie dan wel personeel van X. kan worden ingeschakeld.
Appellant acht zich niet gehouden rekening te houden met eventuele extra
kosten van begeleiding. Hij is voorts van mening dat het vervoer van
gedaagde in principe alleen uit bovenregionaal vervoer bestaat en dat de
meeste bovenregionale contacten worden onderhouden met familieleden die
in staat zijn om in Huize X. op bezoek te komen, zodat de primaire
essentiële contacten kunnen worden onderhouden. Volgens appellant
behoeft er daarom geen (verdergaande) vervoersvoorziening te worden
getroffen voor familiebezoek van gedaagde in het weekend.
Namens gedaagde is het oordeel van de rechtbank onderschreven en met
nadere gegevens omtrent gedaagdes leefsituatie en vervoersbehoefte
onderstreept. Verder is in het bijzonder benadrukt dat het één maal
per kwartaal bezoeken van gedaagdes moeder, die zelf geheel
rolstoelgebonden is en niet in staat is om naar X. te reizen, volstrekt
onvoldoende is en is een beroep gedaan op een verklaring van de
orthopaedagoog drs P.W.J. van Weert d.d. 17 november 1998 omtrent het
belang van contacten van bewoners van zwakzinnigeninstellingen met het
ouderlijk milieu.
Het oordeel van de Raad
De Raad kan zich grotendeels verenigen met de, hiervoren gedeeltelijk
geciteerde, overwegingen van de rechtbank. In aanvulling daarop, en
deels in afwijking daarvan, overweegt de Raad als volgt.
Gedaagde is woonachtig in een instelling voor zwakzinnigen, die
ingevolge artikel 8 van de AWBZ is erkend, en is derhalve op grond van
artikel 2, tweede lid, van de Wvg in beginsel uitgesloten van de
zorgplicht als omschreven in het eerste lid van dat artikel. Daar de
betrokken instelling evenwel behoort tot een categorie, die is opgenomen
in artikel 1 van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, kan
gedaagde alsnog krachtens die regeling een beroep doen op de zorgplicht
van het gemeentebestuur voor vervoersvoorzieningen. Nu in voormelde
regeling een nadere omschrijving van die zorgplicht ontbreekt, gaat de
Raad er, mede gelet op de toelichting daarbij, van uit dat deze dezelfde
reikwijdte heeft als de in de artikelen 2 en 3 van de Wvg omschreven
zorgplicht voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan
het maatschappelijk verkeer van in de gemeente wonende gehandicapten.
Zoals de Raad al in zijn uitspraak van 27 november 1998 (geregistreerd
onder nummer 98/940 WVG) heeft overwogen, zijn in de bij en krachtens de
Wvg gestelde regels geen aanknopingspunten te vinden voor een zo strikte
begrenzing van de zorgplicht ingevolge de Wvg ten opzichte van het
terrein van de gezondheidszorg dat op grond daarvan vervoer van bewoners
van AWBZ-instellingen als de onderhavige in verband met het bezoeken van
de ouderlijke of een daarmee gelijk te stellen woning in het weekend
(het zogeheten weekendvervoer) niet onder het bereik van de Wvg valt. De
Raad heeft daartoe met name in beschouwing genomen dat in het regime van
de Wvg een regeling ontbreekt als neergelegd in artikel 4, eerste lid,
van het (inmiddels vervallen) Koninklijk Besluit van 14 augustus 1976,
Stb. 434, waarbij voorzieningen op het gebied van de wettelijke
ziektekostenverzekeringen buiten de werkingssfeer van het, voorafgaand
aan de Wvg geldende, artikel 57, tweede lid, van de AAW zijn geplaatst.
Ook overigens ziet de Raad geen gronden om bedoeld weekendvervoer niet
te beschouwen als te zijn gericht op deelname aan het maatschappelijk
verkeer of anderszins categoraal van de zorgplicht ingevolge de Wvg uitgesloten te achten.
Het vorenoverwogene betekent niet dat het feitelijke weekendvervoer van
een gehandicapte die in een AWBZ-instelling woont door het
gemeentebestuur zonder meer, laat staan volledig, vergoed dient te
worden. Bij de toetsing van besluiten dienaangaande moet de Raad
namelijk als uitgangspunt nemen dat, gelijk hij al vaak heeft overwogen,
het gemeentebestuur de ruimte toekomt om naar eigen inzicht invulling te
geven aan de hem ingevolge de Wvg opgedragen taak om te zorgen voor (vervoers)voorzieningen
voor ter plaatse wonende gehandicapten, waarbij dat bestuur echter wel
gehouden is verantwoorde voorzieningen als omschreven in artikel 3 van
de Wvg aan te bieden. Ten aanzien van vervoersvoorzieningen betekent
zulks dat de ter plaatse wonende gehandicapten daardoor ten minste in
staat gesteld moeten worden om in hun directe woonomgeving in
aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan
het leven van alledag. Daarin ligt tevens besloten dat in dit verband de
aanwezigheid van belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen
beslissende rol speelt, wat echter anders kan liggen indien vast komt te
staan dat er sprake is van dusdanig wezenlijke - uitsluitend door
persoonlijk bezoek te onderhouden - contacten dat zonder deze
vereenzaming of sociaal isolement optreedt.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat zich in casu een
uitzonderingsgeval als juistbedoeld voordoet. Ook hij acht daartoe de
ter zitting van de rechtbank door de eerdergenoemde deskundige drs. Van
Enckevort afgelegde verklaring doorslaggevend. Daaruit blijkt in de
eerste plaats dat deze het contact met het ouderlijk milieu in zijn
algemeenheid voor bewoners van AWBZ-instellingen als de onderhavige van
groot belang vindt. Mede in aanmerking genomen de normaliter bestaande
mogelijkheden om binnen zodanige instelling sociale contacten te
onderhouden en deel te nemen aan activiteiten alsmede om daar bezoek van
familie en bekenden te ontvangen, acht de Raad echter in deze opvatting,
aan de juistheid waarvan hij op zichzelf niet twijfelt, onvoldoende
grond gelegen om aan te nemen dat in zijn algemeenheid voor de betrokken
bewoners het bezoeken van het ouderlijk huis een noodzakelijke
voorwaarde is om het ontstaan van vereenzaming of sociaal isolement te
voorkomen. Genoemde deskundige heeft evenwel ook uiteengezet dat op
grond van gedaagdes individuele eigenschappen en omstandigheden het
bezoeken van de ouderlijke woning voor haar van dusdanig groot belang is
dat van vereenzaming sprake zou zijn als niet vaker dan één keer per
kwartaal - hetgeen de in casu toegekende voorziening beoogt mogelijk te
maken - het ouderlijk huis bezocht zou kunnen worden. Nu van de kant van
appellant geen enkel onderzoek naar dit aspect is gedaan en de door de
deskundige specifiek ten aanzien van gedaagde afgelegde verklaring
zijnerzijds zelfs niet op enigermate beargumenteerde wijze is
aangevochten, ziet de Raad geen reden om de deskundige in dit opzicht
niet te volgen. De Raad tekent daarbij aan dat de omstandigheid dat het
gemeentebestuur van Tilburg naar aanleiding van de eerdergenoemde
Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen ter invulling van zijn
zorgplicht geen op de positie van bewoners van die instellingen
toegesneden regels in het leven heeft geroepen, er appellant temeer toe
had moeten brengen om onder ogen te zien in hoeverre de reguliere
systematiek van de toepasselijke verordening beantwoordt aan de van
gedaagdes kant gestelde en uitgebreid toegelichte specifieke
vervoersbehoeften.
De Raad is voorts tot het oordeel gekomen dat hij niet mee kan gaan met
de uit de aangevallen uitspraak af te leiden opvatting van de rechtbank
dat door bewoners van zwakzinnigeninstellingen als X. contact met het
ouderlijke milieu niet (mede) op zinvolle wijze kan worden onderhouden
doordat personen uit dat milieu de gehandicapte in de instelling
bezoeken. De Raad is er ook wat betreft gedaagdes geval niet van
overtuigd geraakt dat familiebezoek aan haar in X. onmogelijk of zinloos
zou zijn. Zo is in ieder geval bezoek van gedaagdes broers, die gelet op
de voorhanden gegevens tot het ouderlijk milieu kunnen worden gerekend
en die gedaagdes vervoer verzorgen, mogelijk. Niettemin kan de Raad zich
in dit uitzonderlijke geval verenigen met de conclusie van de rechtbank
dat een bezoekfrequentie van circa één maal per 4 weken ter voorkoming
van vereenzaming of sociaal isolement noodzakelijk is. De Raad heeft
daartoe in de eerste plaats doen wegen dat de deskundige Van Enckevort
uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft aangegeven dat getracht is deze
frequentie terug te brengen, maar dat dit een zeer negatieve uitwerking
op gedaagdes welbevinden had. Voorts acht de Raad van belang dat
gedaagde als gevolg van de ernst van haar handicaps geen bezoeken van
langer dan één dag aan haar moeder kan brengen, terwijl aannemelijk is
dat haar moeder als gevolg van haar gezondheidstoestand gedaagde niet in
X. kan bezoeken.
De Raad is op basis van het voorgaande van oordeel dat gedaagde in
aanmerking had moeten worden gebracht voor een vervoersvoorziening,
welke haar in staat stelt tenminste in vorenaangeduide mate haar
ouderlijk huis te bezoeken. De Raad ziet echter geen aanleiding om te
concluderen dat ter voorkoming van vereenzaming of sociaal isolement
daarnaast ook nog door appellant een voorziening had moeten worden
getroffen voor vervoer van gedaagde gedurende het weekend vanuit de
ouderlijke woning.
Ten aanzien van het door appellant nader te nemen besluit kan de Raad
zich voorts aansluiten bij de overwegingen van de rechtbank omtrent de
begeleidingsaspecten van deze zaak. Hoewel de Raad het aanvaardbaar acht
dat appellant zo enigszins mogelijk vasthoudt aan het in de gemeente
Tilburg ten aanzien van vervoersvoorzieningen geldende primaat van het
collectief vervoerssysteem, is hij niettemin, op dezelfde gronden als in
de aangevallen uitspraak verwoord, van oordeel dat onder de zich in casu
voordoende omstandigheden het gebruiken van de deeltaxi voor gedaagde
niet meer als een adequate voorziening kan worden beschouwd. Appellant
zal derhalve in dit geval een (toereikende forfaitaire) tegemoetkoming
in de kosten van vervoer en begeleiding aan gedaagde dienen toe te
kennen.
De conclusie
Het vorenoverwogene voert de Raad tot de conclusie dat de aangevallen
uitspraak bevestigd dient te worden met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van
de Raad overwogene.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- aan kosten van
rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn
niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 630,-- dient te worden geheven.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuwe besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak van de
Raad overwogene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente Tilburg aan
gedaagde;
Verstaat dat van appellant een recht van f 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.
van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15
januari 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|