|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 98/6220 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Geertruidenberg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 30 januari 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld
van het besluit, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten
(hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten van de
gemeente Geertruidenberg (hierna: Verordening), inhoudende dat de
gevraagde traplift is afgewezen, maar dat appellant wél in aanmerking
kan komen voor een verhuiskostenvergoeding.
Het tegen voormeld besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij
besluit van 5 juni 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft het tegen het besluit op
bezwaar ingestelde beroep bij uitspraak van 18 juni 1998 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. G.S. de Haas, advocaat te Raamsdonksveer, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op daartoe bij beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli
1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.S.
de Haas, voornoemd, als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich aldaar doen
vertegenwoordigen door J.A.C. Helmonds, werkzaam bij de gemeente
Geertruidenberg.
II. MOTIVERING
De feiten welke de rechtbank als vaststaande heeft aangenomen, vormen
ook voor de Raad het uitgangspunt bij de beoordeling van dit geding.
Het bestreden besluit is onder meer gebaseerd op het standpunt dat de
gevraagde traplift, welke betrekking heeft op de gemeenschappelijke
toegangstrap naar de woning, niet valt onder de in artikel 2.14, onder a
tot en met f, van de Verordening voorzieningen gehandicapten limitatief
opgesomde woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten waarvoor een
financiële tegemoetkoming kan worden verleend.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft
de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
"Niet in geschil is dat de gevraagde voorziening betreft de
aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte als bedoeld in artikel 1.1,
aanhef en onder i, van de Verordening.
Nu de gevraagde voorziening niet wordt vermeld in artikel 2.14 van de
Verordening, kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verweerder op
juiste gronden met verwijzing naar dat artikel de strekking van de
gevraagde voorziening heeft geweigerd. Hieraan doet niet af dat de
medegebruiker van de gemeenschappelijke ruimte heeft verklaard geen
bezwaar te hebben tegen het aanbrengen van een traplift. Hieraan doen
evenmin af de door eiser gestelde belangen bij het aanbrengen van de
traplift, nu artikel 2.14 geen ruimte laat voor de door eiser gewenste
belangen afweging.
Door eisers gemachtigde is ter zitting gesteld dat de tekst van artikel
2.14 van de Verordening niet dwingt tot het daarin lezen van een
limitatieve opsomming van voorzieningen aan een gemeenschappelijke
ruimte.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat het enkele feit dat het woord
"limitatief" niet in de tekst is opgenomen, niet tot de
conclusie voert dat de opsomming van de daar genoemde voorzieningen naar
willekeur kan worden uitgebreid. Genoemd artikel behelst immers de
uitdrukking van het beleid dat verweerders gemeente op dit punt wenst te
voeren en geeft in dat licht dan ook aan dat verweerders gemeente de
voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte heeft willen beperken
tot de daar genoemde.
Voorts is door eisers gemachtigde ter zitting gesteld dat verweerder te
dezen gehandeld heeft in strijd met het bepaalde in artikel 7.1, tweede
lid, van de Verordening, door na te laten advies te vragen.
In artikel 7.1, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat
burgemeester en wethouders advies vragen aan een daartoe door hen
aangewezen adviesinstantie onder meer indien de aanvraag mede betrekking
heeft op een woningaanpassing, waarvan de kosten meer zullen bedragen
dan f 2.000,--.
De rechtbank kan eisers gemachtigde hierin niet volgen.
Waar verweerder van oordeel is dat de aanvraag reeds op grond van
artikel 2.14 van de Verordening dient te worden afgewezen is een
adviesaanvraag als bedoeld in artikel 7.1 naar het oordeel van de
rechtbank niet aan de orde."
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank.
Hetgeen daartoe - goeddeels bij wijze van herhaling van het gestelde in
eerste aanleg - namens hem in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer
dat gedaagde bij de toekenning van woonvoorzieningen een
ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen woningen met een
gemeenschappelijke toegangsruimte en andere woningen, dat de zinsnede in
artikel 2.14 van de Verordening niet noopt tot een limitatieve
interpretatie, dat gedaagde ten onrechte heeft verzuimd advies in te
winnen omtrent de aanvraag van appellant en dat gedaagde eveneens ten
onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast.
Zijdens gedaagde is bij verweerschrift onder meer aangevoerd:
"Het gegeven dat woonvoorzieningen kunnen worden getroffen in het
kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) betekent niet dat dit
zonder grenzen kan gebeuren. Zo bepaalt artikel 1.2, lid 1 sub c van de
Verordening dat alleen een voorziening wordt toegekend indien deze de
goedkoopst adequate voorziening is. En artikel 2.4 van de verordening
bepaalt dat bij woonvoorzieningen het primaat van de verhuizing wordt
gehanteerd. Dat wil zeggen dat als verhuizen naar een (meer) geschikte
woning goedkoper is dan aanpassen, in principe daarvoor gekozen wordt.
Dit alles is juist bedoeld om met de beschikbare middelen zo veel
mogelijke voorzieningen te kunnen treffen.
Zeer bewust is daarbij gekozen voor het weglaten van een lift uit het
rijtje te treffen voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte. Juist
vanwege het gemeenschappelijke karakter van deze ruimte betekent het dat
ook anderen dan betrokkene toegang tot die ruimte (kunnen) hebben
hetgeen betekent dat niet met een standaardlift volstaan zou kunnen
worden. Veelal dient een lift in een gemeenschappelijke ruimte voorzien
te worden van extra beveiligende maatregelen zoals afsluitmogelijkheden,
weersbestendigheid, etc.
Vanwege deze (soms aanzienlijke) hogere kosten is er voor gekozen deze
voorziening uit te sluiten. Het is derhalve juist voor een eerlijke
toedeling van middelen dat de limitatieve opsomming geen traplift
kent."
Noch in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, noch overigens heeft de
Raad aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank niet te
volgen.
De Raad is van opvatting dat in artikel 2.14 van de Verordening, mede
gelet op de daarbij door het gemeentebestuur van Geertruidenberg - in
afwijking van de zogenoemde modelverordening van de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten - bewust gekozen stringente formulering, sprake is
van een limitatieve opsomming van een zestal woningaanpassingen aan een
gemeenschappelijke ruimte, en dat de door appellant gevraagde traplift
niet onder die limitatieve opsomming valt.
De omstandigheid dat gedaagde er voor gekozen heeft geen trapliften aan
gemeenschappelijke trappen te financieren, vanwege de daarmee gepaard
gaande (technische) problemen en substantiële kosten, acht de Raad,
mede gelet op de krachtens de Wvg aan de gemeentelijke regelgever
toegekende beleidsvrijheid alsmede de in de Verordening voor situaties
als de onderhavige neergelegde alternatieve voorziening, bestaande uit
het zogenoemde primaat van de verhuizing, in beginsel niet in strijd met
de in de Wvg neergelegde bepalingen waarbij de Raad evenwel opmerkt dat
uit die bepalingen voortvloeit dat het gemeentebestuur niet voorbij mag
gaan aan omstandigheden die in een concreet geval de realisering van
voormeld primaat (zouden kunnen) belemmeren.
Nu gedaagde appellant een verhuiskostenvergoeding en driemaal een
adequate woning heeft aangeboden, kan niet worden gezegd dat gedaagde
ten opzichte van appellant onvoldoende aan haar zorgplicht in het kader
van de Wvg heeft voldaan.
Met betrekking tot het door appellant bestreden onderscheid tussen
gehandicapten die over een woning beschikken met een gemeenschappelijke
toegangsruimte en gehandicapten die een woning hebben met een eigen
toegangsruimte, verwijst de Raad naar hetgeen gedaagde in dat verband in
hoger beroep bij verweerschrift heeft opgemerkt. Bezien in het licht van
de met de Wvg en de Verordening beoogde doelmatige verdeling van -
doorgaans schaarse - woningvoorzieningen over de in de gemeente
woonachtige gehandicapten en voorts gelet op meergenoemde in de
Verordening neergelegde alternatieve voorziening bestaande uit
verhuizing naar een adequate woning met de daarbij behorende forfaitaire
vergoeding, vormen de door gedaagde genoemde beweegredenen voldoende
objectieve rechtvaardiging voor het onderhavige onderscheid. Reeds op
deze grond faalt de onderhavige grief.
Met hetgeen de rechtbank heeft overwogen naar aanleiding van de grief
dat gedaagde ten onrechte heeft nagelaten advies te vragen als bedoeld
in artikel 7.1, tweede lid, van de Verordening, kan de Raad zich geheel
verenigen, zodat ook die grief faalt.
Tot slot merkt de Raad nog op dat het feit dat gedaagde in dit geval
geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de hardheidsclausule
toe te passen, de (beperkte) toetsing van de Raad kan doorstaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant
niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid
van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 3 september 1999.
(get.) M.I.
't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|