|
Uitspraak
98/4307
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., appellante, wettelijk vertegenwoordigd door B., beiden wonende te
C.,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 9 september 1996 heeft gedaagde afwijzend beschikt op de
namens appellante (hierna ook A. te noemen) door haar wettelijk
vertegenwoordiger ingediende aanvraag, ertoe strekkende om haar
ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de op die wet
gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten van de toenmalige
gemeente Roden (nader te noemen de Verordening) in aanmerking te brengen
voor vergoeding van de kosten van een ten behoeve van haar beoogde
aanleg van een hekwerk om de voortuin.
Gedaagde heeft het namens appellante ingediende bezwaar tegen dat
besluit bij het bestreden besluit van 19 maart 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 2 april
1998 (de aangevallen uitspraak) het tegen het bestreden besluit
aangetekende beroep ongegrond verklaard met veroordeling van gedaagde
tot vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten en betaalde
griffierecht.
Tegen die uitspraak is namens appellante hoger beroep ingesteld op
daartoe door haar gemachtigde mr. M.A.C. Vijn, advocaat te Woerden, bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, waarbij is gevorderd om de
aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen en is
verzocht om gedaagde te veroordelen tot het verstrekken van de gevraagde
voorziening en tot vergoeding van appellantes proceskosten.
Op 9 november 1998 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 oktober 1999, waar namens appellante zijn verschenen haar ouders B. en
D., bijgestaan door mr. Vijn, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. N.A.J. Schuiten en A. Harms, beiden werkzaam
bij de gemeente Noordenveld.
II. MOTIVERING
Marlotte, geboren in 1989, is een lichamelijk en geestelijk gehandicapt
kind, dat met haar ouders en broertje in een eengezinswoning woont. In
zijn hoedanigheid van A's wettelijk vertegenwoordiger heeft haar vader
voor haar op 2 april 1996 in het kader van de Wvg en de Verordening een
aanvraag gedaan om een vergoeding voor het aanleggen van een afrastering
voor de oprit (voortuin), teneinde te voorkomen dat A. bij het spelen de
straat op zou lopen. Blijkens de overgelegde offertes zou met de beoogde
aanleg van een smeedijzeren hekwerk een bedrag van f 5.000,-- à f
6.000,-- zijn gemoeid. De ouders van A. hebben overigens inmiddels voor
eigen rekening een eenvoudiger houten afrastering geplaatst.
Nadat een arts van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Noord en Midden
Drenthe hierover een advies had uitgebracht heeft gedaagde bij besluit
van 9 september 1996 de aanvraag afgewezen op de grond dat A. geen
ergonomische belemmeringen ondervindt bij het normaal gebruik van de
woning, hetgeen ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Verordening
een voorwaarde vormt voor het financieren van een woningaanpassing.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door gedaagde bij het
bestreden besluit ongegrond verklaard, zulks in afwijking van het advies
van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften en onder verwijzing
naar een daaraan contrair advies van de afdeling sociale zaken van
gedaagdes gemeente. Aan laatstgenoemd advies valt te ontlenen dat
genoemde afdeling in de eerste plaats van opvatting is dat er bij A.
geen sprake is van ergonomische beperkingen in de zin van de Wvg en
voorts dat de gevraagde voorziening niet betreft het (normale) gebruik
van de woonruimte, daar de aanvraag betrekking heeft op de tuin en niet
op de woning zelf.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank meegegaan met de eerst ter
zitting alsnog door gedaagde mede aan het bestreden besluit ten
grondslag gelegde grond dat niet is voldaan aan de in artikel 1.2,
tweede lid, van de Verordening neergelegde eis dat een voorziening
slechts kan worden toegekend als deze voor een persoon als de aanvrager
algemeen gebruikelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk
het plaatsen van een hek als afscheiding van de tuin als een algemeen
gebruikelijke voorziening te beschouwen. De rechtbank heeft voorts
geoordeeld dat gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt heeft
kunnen stellen dat er geen aanleiding was om de hardheidsclausule van de
Verordening toe te passen, maar heeft de overige door gedaagde
gehanteerde afwijzingsgronden onbesproken gelaten.
Zijdens appellante is in hoger beroep in de eerste plaats bezwaar
gemaakt tegen het feit dat de rechtbank voor haar oordeel een
afwijzingsgrond doorslaggevend heeft geacht, welke niet in het bestreden
besluit is opgenomen doch eerst ter zitting door gedaagde is aangevoerd,
zodat de vertegenwoordigers van appellante zich daarop niet hebben
kunnen voorbereiden. Voorts is namens appellante gesteld dat gedaagde
bij het bestreden besluit het standpunt heeft verlaten dat er bij
appellante geen sprake is van ergonomische belemmeringen en ook is van
haar kant betoogd dat gedaagde ten onrechte van mening is dat de
voortuin niet onder het begrip woonruimte van de Wvg valt. Ten slotte
heeft zij (subsidiair) doen aanvoeren dat het plaatsen van een hek in
een landelijke omgeving als hier aan de orde niet algemeen gebruikelijk
is, althans dat zulks zeker niet geldt voor het ten behoeve van haar
beoogde smeedijzeren hekwerk.
Gedaagde heeft in hoger beroep te kennen gegeven niet langer van mening
te zijn dat de voortuin niet tot de woonruimte in de zin van de Wvg behoort, maar wel vastgehouden aan de volgens hem in het bestreden
besluit vervatte afwijzingsgrond dat niet voldaan is aan de voorwaarde
dat er sprake moet zijn van ergonomische belemmeringen bij het normaal
gebruik van de woning. Gedaagde is ook bij zijn opvatting gebleven dat
de gevraagde voorziening een algemeen gebruikelijke is.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is allereerst van oordeel dat de rechtbank door de aangevallen
uitspraak te baseren op een door gedaagde eerst ter zitting aangevoerde
weigeringsgrond in strijd gehandeld heeft met de eisen van een goede
procesorde, nu appellante zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen
verdedigen. Reeds daarom kan de aangevallen uitspraak, voor zover in
hoger beroep aangevochten, niet in stand worden gelaten. In aanmerking
nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de
rechtbank behoeft, ziet de Raad er evenwel van af om deze naar de
rechtbank terug te wijzen.
Wat betreft de beoordeling van de zaak ten gronde moet voorop worden
gesteld dat de gevraagde voorziening, ook al betreft deze de voortuin
van de door appellante bewoonde woning, betrekking heeft op een
woonruimte in de zin van artikel 1, eerste lid onder b, van de Wvg.
Voorts moet worden vastgesteld dat aan de orde is een ingreep van
bouwkundige of woontechnische aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid
onder c, van die wet, waarvoor derhalve de voorwaarde geldt dat deze
dient te zijn gericht op het opheffen of verminderen van ergonomische
beperkingen die een gehandicapte bij het normaal gebruik van de woning
ondervindt.
Op de gronden uiteengezet in zijn uitspraak van 26 maart 1999 (USZ
1999/149 en RSV 1999/137) is de Raad van oordeel dat het in genoemde
bepaling van de Wvg neergelegde criterium ergonomische beperkingen aldus
moet worden uitgelegd dat (ook) in het kader van de Wvg voor het
vergoeden van de daarin bedoelde aanpassingen het vereiste geldt dat er
zich bij een gehandicapte een - hetzij uit een lichamelijke, hetzij uit
een geestelijke handicap voortvloeiende - belemmering voordoet ten
aanzien van (één van) de elementaire woonfuncties, welke in direct
verband staat met een lichamelijke functionele beperking. Uit de
uitspraken van 23 april 1999 (USZ 1999/196) en van 6 augustus 1999 (RSV
1999/244) blijkt dat de Raad tevens van opvatting is dat niet is
uitgesloten dat ten aanzien van een voorziening als voor A. gevraagd,
voldaan wordt aan de vorenomschreven elementen van het wettelijke
criterium ergonomische beperkingen. Als lichamelijke functionele
beperking kan namelijk mede worden beschouwd gedrag dat als fysieke
uitingsvorm van een geestelijke handicap een verhoogde kans oplevert op
het, bij het (normale) gebruik van de woning, ontstaan van schade aan de
lichamelijke gezondheid. In dat verband heeft de Raad nog aangegeven dat
ten aanzien van een kind tot de elementaire woonfuncties moet worden
gerekend dat het zonder gevaar voor de eigen gezondheid in de woonruimte
kan spelen. Naar in voormelde uitspraken voorts is aangeduid, is de Raad
daaromtrent ook van oordeel dat aan het restrictieve criterium
ergonomische beperkingen inherent is dat, om ten aanzien van vormen van
gestoord gedrag als zojuist bedoeld krachtens de Wvg een
woningaanpassing te kunnen bekostigen, aangetoond dan wel anderszins
aannemelijk moet zijn dat het daaruit voortvloeiende risico van fysiek
letsel niet kan worden beheerst door in redelijkheid te vergen oppas- of
andere maatregelen.
De in het dossier voorhanden gegevens alsmede het verhandelde ter
zitting van de Raad in aanmerking nemend, is de Raad tot het oordeel
gekomen dat de door de ouders van A. geplaatste eenvoudige, voor een
gezin met kleine kinderen niet ongebruikelijke, tuinomheining is te
beschouwen als een maatregel in vorenbedoelde zin, welke in casu in
voldoende mate de mogelijkheid biedt om het risico dat A. plotseling de
straat oploopt te beheersen. De Raad heeft daarbij laten wegen dat, naar
reeds uit de door haar ouders verstrekte informatie blijkt, ook los van
voormeld risico een zekere mate van toezicht op A. constant is geboden
en ook dat daarin, als zij in de voortuin speelt, voorzien kan worden
door haar vanuit de woning, met name door het keukenraam, in de gaten te
houden.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde terecht het bestreden
besluit (mede) heeft gebaseerd op de weigeringsgrond dat niet voldaan is
aan het voor woningaanpassingen geldende criterium ergonomische
beperkingen. De Raad merkt daarbij op dat hij, anders dan zijdens
appellante is gesteld, in het aan het bestreden besluit ten grondslag
liggende advies niet kan lezen dat gedaagde die afwijzingsgrond heeft
laten vallen. De Raad voegt daaraan nog toe dat aan voormeld oordeel
niet af kan doen dat de uitleg die gedaagde bij het nemen van het
bestreden besluit aan het begrip ergonomische beperkingen heeft gegeven
(begrijpelijkerwijs) niet geheel en al spoort met de, nadien tot stand
gekomen, jurisprudentie van de Raad dienaangaande.
De Raad kan zich, hoezeer hij ook begrip heeft voor de zware taak die op
de ouders van A. rust, voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank
dat niet gezegd kan worden dat gedaagde zich niet in redelijkheid op het
standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestond om de
hardheidsclausule van de Verordening toe te passen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat ook de Raad, zij het grotendeels op
andere gronden dan de rechtbank, van oordeel is dat het inleidend beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in hoger beroep, welke kosten worden begroot op f
1.420,-- alsmede f 80,-- aan reiskosten. Andere op grond van dat artikel
te vergoeden kosten zijn namens appellante niet gevorderd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast
dat het door appellante in hoger beroep gestorte griffierecht door
gedaagdes gemeente dient te worden vergoed.
Uit het voorgaande vloeit de volgende beslissing voort.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.500,--, te betalen door de gemeente
Noordenveld aan appellante;
Bepaalt dat de gemeente Noordenveld aan appellante het gestorte recht
van f 160,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 19 november 1999.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|