|
Uitspraak
98/5498
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ooststellingwerf, appellant,
en
A., wonende te B., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de
Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden op 22 juni 1998 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. S.F. Tiems, advocaat te Zwolle, bij schrijven
van 23 februari 1999 (met bijlagen) van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 september
1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. Peters,
voornoemd, en C. van Fleeren, werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf. Gedaagde is
verschenen bij haar gemachtigde mr. Tiems, voornoemd en J. Kort, werkzaam bij het verpleeghuis
"Stellinghaven" te Oosterwolde. Voorts is verschenen, daartoe
op last van de Raad als deskundige opgeroepen, mr. H.J. van der Moer,
werkzaam bij het College voor Zorgverzekeringen te Amstelveen.
II. MOTIVERING
Gedaagde woont in een bij het verpleeghuis "Stellinghaven" te
Oosterwolde gelegen aanleunwoning. "Stellinghaven" is een
ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
toegelaten instelling. Op grond van het bepaalde in de op de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) steunende Verordening voorzieningen
gehandicapten (de Verordening) heeft gedaagde aan appellant verzocht
haar in aanmerking te brengen voor een rolstoel en een po/douchestoel.
Uit het daaromtrent vanwege appellant gevraagde verpleegkundig advies
blijkt dat gedaagde in verband met haar medische beperkingen voor deze
voorzieningen is geïndiceerd. Appellant heeft bij besluit in primo van
27 januari 1997 gedaagdes aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat
hulpmiddelen aan bewoners van verpleeghuiswoningen, als waren zij
woonachtig in een AWBZ-instelling, op grond van de AWBZ dienen te worden
verstrekt. Bij besluit op bezwaar van 17 maart 1997 (het bestreden
besluit) heeft appellant dit standpunt gehandhaafd, daartoe nog
aanvoerend dat de omstandigheid dat door bezuinigingen in het kader van
de AWBZ het aantal personen dat woonachtig is in AWBZ-instellingen wordt
teruggedrongen, niet tot gevolg kan hebben dat deze personen een beroep
moeten doen op in het kader van de Wvg geregelde voorzieningen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Daartoe is als volgt overwogen waarbij
gedaagde als eiseres en appellant als verweerder is aangeduid:
"De rechtbank stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of eiseres in een ingevolge
artikel 8 AWBZ erkende instelling woont, in welk geval verweerder gelet
op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, Wvg ten aanzien van haar geen
zorgplicht heeft. Gelet op de feitelijke omstandigheden in het geval van
eiseres is de rechtbank van oordeel dat voornoemde vraag ontkennend moet
worden beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis
toegekend aan het feit dat eiseres woont in een woning (liggend in een
van het verpleeghuis afgezonderd complex) die eigendom is van een
woningbouwvereniging en zij daarvoor zelf normaal de huur betaalt. De
mogelijkheid bestaat om voor deze woning - afhankelijk van het inkomen - huursubsidie te verkrijgen. Weliswaar is
eiseres een AWBZ-bijdrage verschuldigd, maar deze (lage) AWBZ-bijdrage
heeft betrekking op de thuiszorg die zij (net als in een reguliere
thuissituatie) ontvangt en niet op verzorging en verpleging gedurende 24
uur per etmaal. Deze thuiszorg is aanvullend, is gericht op het behoud
van de zelfstandigheid van eiseres en valt naar het oordeel van de
rechtbank niet aan te merken als vervangende verpleeghuiszorg. Het
verpleeghuis "Stellinghaven" heeft met eiseres alleen een
zorgcontract en heeft geen bemoeienis met het beheer van haar woning. De
rechtbank heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan deze
feitelijke situatie zoals deze door gemachtigde van eiseres, onder meer
ter zitting, is geschetst. Verweerder heeft onder meer gewezen op het
feit:
- dat eiseres om in de aanleunwoning te kunnen komen een
AWBZ-indicatie moet hebben, hetgeen per definitie betekent dat er sprake
moet zijn van bepaalde beperkingen in relatie tot een bepaalde mate van
zorgbehoeftigheid;
- dat de te verlenen zorg dient te voldoen aan
bepaalde criteria;
- dat hulp van de huisarts vanuit "Stellinghaven" thans wordt
geboden in de persoon van de verpleeghuisarts; en -dat de zorg in de
woningen thans wordt gesubsidieerd op grond van het Besluit substitutie
verpleeghuiszorg. Er is volgens verweerder door voornoemd Besluit (dat betrekking heeft op zogenaamde
substitutieprojecten, die in de plaats komen van intramurale zorg)
inmiddels een grijs schemergebied ontstaan tussen de - in principe totaal
verschillende - situaties waarin een gehandicapte in een AWBZ-instelling
woont en die waarin de gehandicapte geheel zelfstandig woont. Wat er ook
zij van hetgeen verweerder heeft aangevoerd, dat kan niet afdoen aan het
oordeel van de rechtbank dat de feitelijke situatie waarin eiseres de
aanleunwoning bewoont niet zodanig verschilt van die waarin een
gehandicapte zelfstandig een willekeurige, eventueel aan de handicap
aangepaste, huurwoning bewoont en in meer of mindere mate thuiszorg
behoeft, dat zou moeten worden gesteld dat zij in een krachtens artikel
8 AWBZ erkende instelling verblijft. Immers, ook bij gehandicapten die
zo'n willekeurige huurwoning bewonen kan sprake zijn van
zorgbehoeftigheid, in welk kader via de thuiszorg zorg wordt geboden die
eveneens aan bepaalde criteria moet voldoen. Het bepaalde in artikel 2,
tweede lid, Wvg verzet er zich dus niet tegen dat verweerders gemeente
in het kader van die wet tegenover eiseres een zorgplicht heeft."
In hoger beroep heeft appellant het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd, dat het gemeentebestuur uit hoofde van de Wvg geen zorgplicht heeft als de gehandicapte verhuist naar een speciaal
- vanuit de AWBZ geëntameerd - woon-zorgcomplex waar vanuit de AWBZ
(extra) zorg geboden wordt, nu een dergelijke verhuizing gezien moet
worden als een opname in een AWBZ-instelling. Daarbij heeft appellant er
nog op gewezen dat in de door gedaagde bewoonde aanleunwoning alleen
personen met een AWBZ-indicatie worden toegelaten, de partner bij
overlijden van de AWBZ-geïndiceerde bewoner de woning dient te verlaten
en dat aan de omstandigheid dat huursubsidie kan worden verkregen geen
doorslaggevende betekenis toekomt voor de vraag of sprake is van een
"normale" huurwoning.
Gedaagde heeft bij verweerschrift, onder verwijzing naar de juridische
vormgeving van het complex waartoe haar woning behoort, en de feitelijke
situatie, uitvoerig aangegeven waarom haar woning niet kan worden
aangemerkt als (onderdeel uitmakend van) een op grond van artikel 8 van
de AWBZ toegelaten instelling.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur op zorg te
dragen voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en
rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer
van in de gemeente woonachtige gehandicapten. Bij het tweede lid van dit
artikel is deze zorgtaak in die zin omgrensd dat die niet geldt voor
gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8
van de AWBZ is erkend (lees thans: toegelaten). De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met de Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, op grond van het derde lid van dit
artikel van die omgrenzing afwijkende regels stellen en heeft van zijn
bevoegdheid gebruik gemaakt door de Regeling sociaal vervoer
AWBZ-instellingen te treffen. In artikel 1, tweede lid, van deze
regeling is het gemeentebestuur ondermeer de zorg opgedragen voor de
verlening van rolstoelen aan gehandicapten die verblijven in een
gezinsvervangend tehuis en een regionale instelling voor beschermd
wonen.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat
gedaagde uit medisch oogpunt is aangewezen op de gevraagde
voorzieningen.
De Raad begrijpt het standpunt van appellant aldus dat de woning van
gedaagde weliswaar niet valt aan te merken als een ingevolge artikel 8
van de AWBZ toegelaten instelling, maar dat hij in het kader van de
toepassing van de Wvg en de daarop rustende Verordening desalniettemin,
gelet op de omgrenzing van de zorgplicht in het tweede lid van artikel 2
van de Wvg, geen zorgplicht jegens gedaagde heeft waar het gaat om de
gevraagde voorzieningen in de vorm van een rolstoel en een
po/douchestoel, nu sprake is van gesubstitueerde verpleeghuiszorg.
De Raad kan appellant daarin niet volgen.
Naar uit het zoëven weergegeven stelsel van wettelijke bepalingen
blijkt, draagt de gemeente zorg voor de verstrekking van voorzieningen
aan in die gemeente wonende gehandicapten, tenzij zij verblijven in een
AWBZ-instelling en met betrekking tot die categorie geen afwijkende
regeling door de Minister is getroffen. Deze door de wetgever gekozen
systematiek wijst erop dat sprake is van een algemene op de gemeenten
rustende zorgplicht voor de verstrekking van met name genoemde
voorzieningen aan gehandicapten en dat die slechts voor een nauw
omschreven categorie van gevallen (zij die verblijven in een
AWBZ-instelling) niet geldt. Daarbij dient in aanmerking te worden
genomen dat de wetgever die afgrenzing gelet op het bepaalde in artikel
3, derde lid, van de Wvg niet in absolute zin heeft geregeld en de
mogelijkheid heeft opengelaten dat de Minister ook voor die categorie
een zorgplicht voor een of meer soorten van voorzieningen aan de
gemeenten oplegt.
De door appellant voorgestane beperking van de zorgplicht van de
gemeente door ook gehandicapten die niet in AWBZ-instellingen
verblijven, maar die in zekere mate (gesubstitueerde) zorg van zo'n
instelling ontvangen, gelijk gedaagde in casu, van de uit hoofde van de
Wvg op de gemeente rustende zorgplicht uit te sluiten, acht de Raad met
de hiervoren weergegeven omgrenzing van de zorgplicht in strijd.
Het hiervoor gegeven oordeel acht de Raad ook sporen met de bij brief
van 27 december 1993 door de Vereniging van Nederlandse
Zorgverzekeraars, het Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van
Ziektekostenverzekeraars en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan
de zorgverzekeraars en gemeenten gezonden notitie betreffende
afstemmings- en samenwerkingsafspraken in het kader van de verstrekking
van samenhangende voorzieningen aan zelfstandig wonende ouderen en
gehandicapten. Aan die notitie ontleent de Raad dat rolstoelen,
vervoermiddelen en woonvoorzieningen voor AWBZ-geïndiceerden die
zelfstandig kunnen blijven wonen (zoals gedaagde, naar de Raad op grond
van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting aanneemt) in het
kader van samenwerkingsafspraken ten laste van de Wvg worden gebracht.
De beëindiging per 1 april 1994, in verband met de inwerkingtreding van
de Wvg per die datum, van de in de Regeling subsidiëring
Ziekenfondsraad substitutie verpleeghuiszorg van de toenmalige
Ziekenfondsraad opgenomen mogelijkheid om de kosten van rolstoelgebruik
door verpleeghuisgeïndiceerde deelnemers aan substitutieprojecten te
subsidiëren, is met voormelde notitie in overeenstemming. Daarlatend of
de door verpleeghuis "Stellinghaven" aan de bewoners van de
bij deze instelling gesitueerde aanleunwoningen verleende zorg
aangemerkt kan worden als te zijn verleend in het kader van een
substitieproject als in deze subsidieregeling bedoeld, moet de Raad
vaststellen dat, ook als dat het geval is, de toekenning aan gedaagde
van een rolstoel ten laste van de Wvg in lijn ligt met hetgeen in
voormelde notitie van 27 december 1993 daaromtrent is vermeld. Voorts
spoort een en ander met de inhoud van de brief van 23 juni 1994 waarin
namens de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur het standpunt
is ingenomen dat niet relevant is of sprake is van een verpleeghuisgeïndiceerde, doch of betrokkene daadwerkelijk
in een verpleeghuis verblijft en dat de verzekerden die gebruik maken
van de mogelijkheden die de substitutieregeling verpleeghuiszorg biedt
niet behoren tot de bewoners van verpleeghuizen, doch wat betreft de
AWBZ en de Wvg gelijk te stellen zijn met thuisverblijvende patiënten.
Hetgeen van de zijde van appellant ter zitting hiertegen is ingebracht,
hierop neerkomend dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bij de
totstandkoming van de notitie van 27 december 1993 onvoldoende alert is
geweest en dat appellant aan de inhoud van die notitie niet is gebonden
kan niet afdoen aan voormeld aan de wetssystematiek ontleend oordeel van
de Raad. De omstandigheid dat appellant het kennelijk niet eens is met
de aanbevelingen in voormelde notitie van 27 december 1993 mist, gelet 's Raads oordeel als neergelegd in deze uitspraak, voor dit geding
relevante betekenis.
Naar in het hiervoor overwogene besloten ligt deelt de Raad het oordeel
van de rechtbank en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking. Appellant zal een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde
dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
Proceskosten
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
De onderhavige zaak valt aan te merken als samenhangend in de zin van
artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
met een drietal andere zaken dat gelijktijdig ter zitting van de Raad is
behandeld en waarin gedaagdes gemachtigde is opgetreden. Het gaat om
vier (nagenoeg) identieke besluiten van appellant op grond van een
overeenkomend feitencomplex, het hoger beroep is bij de Raad in alle
vier zaken door appellant gelijktijdig ingesteld en de werkzaamheden van
gedaagdes gemachtigde konden in deze zaken nagenoeg identiek zijn.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken
voor de vaststelling van de kosten van door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd waarbij, gelet op de
Bijlage, behorend bij het Bpb, vanwege de omstandigheid dat sprake is
van vier samenhangende zaken waarvan het gewicht als zwaar door de Raad
wordt aangemerkt, een wegingsfactor van in totaal 2.25 geldt. Rekening
houdend met deze wegingsfactor en met de indiening van de
verweerschriften en het verschijnen ter zitting in deze zaken door
gedaagdes gemachtigde, begroot de Raad de kosten van rechtsbijstand in
deze samenhangende zaken op f 3.195,--. In deze zaak wijst de Raad ten
laste van appellants gemeente aan gedaagdes gemachtigde een kwart van
deze kosten toe, zijnde f 798,75.
Andere op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te vergoeden
kosten zijn niet gevorderd.
Griffierecht
Gelet op het bepaalde in artikel 22, eerste en derde lid, van de
Beroepswet wordt van de gemeente Ooststellingwerf een griffierecht van f
675,-- geheven.
Beslist wordt als hierna is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 798,75, te betalen door de gemeente
Ooststellingwerf.
Verstaat dat van de gemeente Ooststellingwerf een recht van f 675,--
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 15 oktober 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|