|
Uitspraak
98/1928
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ooststellingwerf, appellant,
en
A., wonende te B., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank
te Leeuwarden onder dagtekening 14 januari 1998 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is door G. Tot bij brief van 11 juni 1998, aangevuld bij
brief van 25 mei 1999 (met bijlage), van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni
1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door C. van
Fleeren en drs. W.J.M. Peters, respectievelijk werkzaam bij de gemeente
Ooststellingwerf en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Gedaagde
is, met kennisgeving, niet verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerig overzicht van de feiten en de van toepassing
zijnde regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank
daaromtrent in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak met juistheid
heeft overwogen.
Appellant heeft bij het bestreden besluit op bezwaar van 6 juni 1996
zijn besluit van 8 maart 1996 gehandhaafd waarbij per 1 april 1996 de
financiële tegemoetkoming van gedaagde in zijn vervoerskosten is beëindigd
en hem aansluitend het recht op deelname is toegekend aan het in de
gemeente Ooststellingwerf fungerende collectief vervoer.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat laatstgenoemde voorziening niet als een adequate voorziening als
bedoeld in artikel 3 van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) kan
worden aangemerkt, omdat deze niet op adequate wijze voorziet in
verplaatsingen van gedaagde over afstanden buitenshuis over enkele
honderden meters. De rechtbank heeft in verband hiermee het bestreden
besluit op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
en 4:16 van de Awb (zoals deze bepaling tot 1 januari 1998 heeft geluid)
vernietigd.
In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat hij in zijn
algemeenheid het standpunt van de rechtbank onderschrijft dat een
persoon als gedaagde die niet kan (snor)fietsen en niet verder kan lopen
dan honderd meter ook voor korte verplaatsingen een voorziening nodig
heeft. In het geval van gedaagde, zo voert appellant aan, is het treffen
van een voorziening voor die verplaatsingen niet noodzakelijk. Daarbij
heeft appellant erop gewezen dat uit de geïnventariseerde
vervoersbehoefte van gedaagde blijkt dat hij die verplaatsingen niet
maakt of wil maken. Daarnaast heeft appellant doen aanvoeren dat ervan
mag worden uitgegaan dat diegenen, waaronder gedaagde, die toch al de
beschikking hebben over een eigen auto, daarvan voor het maken van
verplaatsingen over enige honderden meters gebruik (kunnen) maken en er
deswege geen noodzaak bestaat voor een afzonderlijk te treffen
voorziening.
Gedaagde heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat collectief
vervoer voor hem geen oplossing is, bestreden dat met het bezit van zijn
auto rekening mag worden gehouden en aanspraak gemaakt op
schadevergoeding.
De Raad overweegt als volgt.
Gegeven het in de Verordening voorzieningen gehandicapten van de
gemeente Ooststellingwerf (de Verordening) neergelegde primaat van het
collectief vervoer en de omstandigheid dat bij gedaagde van een relevant
(medisch) beletsel om van de deeltaxi gebruik te maken, niet is
gebleken, is de Raad van oordeel dat appellant gedaagde bij het
bestreden besluit op goede gronden voor deze vervoersvoorziening in
aanmerking heeft gebracht. In dit verband wijst de Raad erop dat, naar
de Raad reeds meermalen heeft overwogen, ingevolge de Wvg aan de
gemeentelijke regelgever bewust (beleids)vrijheid is gelaten om binnen
het kader van die wet naar eigen inzicht gestalte te geven aan een
stelsel van vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelname aan het
maatschappelijk verkeer van ter plaatse wonende gehandicapten. Dat kan,
zoals in casu, leiden tot een vermindering van eerder aanwezige
mogelijkheden tot vervoer per eigen auto. De omstandigheid dat de
gehandicapte, zoals in casu gedaagde, beschikt over een eigen auto staat
derhalve aan de toekenning van collectief vervoer bij wijze van adequate
vervoersvoorziening in beginsel niet in de weg.
Hoe begrijpelijk gedaagdes verknochtheid aan zijn voormalige financiële
tegemoetkoming en het daardoor voor hem mogelijk gemaakte vervoer per
eigen auto op zich ook moge zijn, binnen het kader van de onderhavige
regelgeving kan die voorkeur niet doorslaggevend worden geacht.
In aansluiting hierop merkt de Raad nog op dat een vervoersvoorziening
krachtens die wet in beginsel niet verder hoeft te strekken dan het
bieden van een zodanige tegemoetkoming dat binnen het naaste leefmilieu
in aanvaardbare mate kan worden deelgenomen aan het leven van alledag.
Het hiervoor overwogene laat onverlet dat de Raad met de rechtbank van
oordeel is dat in het onderhavige geval voormelde beperkingen van
gedaagde in zijn mobiliteit, te weten niet kunnen (snor)fietsen en een
uiterst beperkt loopvermogen van maximaal circa honderd meter, met zich
brengen dat hij in beginsel, naast het gebruik van het collectief
vervoer, in aanmerking dient te komen voor een aanvullende
vervoersvoorziening voor verplaatsingen over enkele honderden meters.
Bij dergelijke medische beperkingen zal niet licht sprake zijn van een
situatie dat enigerlei vorm van vervoersvoorziening die daarin voorziet,
achterwege kan blijven. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de, tot extra
kosten leidende, vervoersbehoefte van een dergelijk gehandicapte voor
deze korte verplaatsingen mag worden verondersteld.
Het betoog van appellant dat gedaagde niet voor een vervoersvoorziening
voor de korte afstand in aanmerking kan worden gebracht, omdat hij die,
gelet op de inventarisatie van zijn vervoersbehoefte, niet nodig heeft,
ziet de Raad bij het licht van het hiervoor overwogene reeds hierom geen
doel treffen, nu in het kader van die inventarisatie daarnaar geen,
althans geen gericht, onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook overigens ziet
de Raad in de voorhanden zijnde gegevens geen aanleiding voor de
veronderstelling dat een uitzondering op voormeld uitgangspunt moet
worden aanvaard.
Naar hiervoor al is overwogen behoeft appellant enerzijds gelet op het
in de Verordening verankerde primaat van het collectief vervoer bij het
treffen van een vervoersvoorziening geen rekening te houden met de
aanwezigheid van de eigen auto van de gehandicapte in die zin dat alsdan
in plaats van het recht op deelname aan het collectief vervoer een
financiële tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het vervoer met
die auto moet worden gegeven. Anderzijds kan appellant evenmin het bezit
van die auto ten nadele van een in zijn mobiliteit uiterst beperkte
gehandicapte die ook reeds belemmeringen ondervindt bij verplaatsingen
over enkele honderden meters, als reden gebruiken om geen voorziening
daarvoor te treffen. Anders dan appellant kennelijk meent zijn aan het
gebruik van een auto over deze afstanden, in tegenstelling tot een
fiets, voor een zodanige gehandicapte relevante meerkosten verbonden,
waarbij naast de variabele kosten van onderhoud en brandstof gedacht
moet worden aan vaste kosten van afschrijving, wegenbelasting en
verzekering.
De enkele omstandigheid dat de gehandicapte met een uiterst beperkte mobiliteit als hier aan de orde over een auto beschikt
ontheft appellant derhalve niet van zijn plicht om uit hoofde van de Wvg
en de Verordening ook voor de verplaatsingen over enkele honderden
meters een adequate vervoersvoorziening te treffen. Verstrekking van
zo'n voorziening kan geschieden hetzij in de vorm van een financiële
tegemoetkoming voor het gebruik van die auto, hetzij in de vorm van een
andere adequaat te achten vervoersvoorziening als een elektrische
rolstoel, een scootmobiel of een speciale vorm van collectief vervoer
voor juist deze verplaatsingen zoals die bij de gemeente van appellant
inmiddels is gecreëerd. De vraag welke voorziening alsdan moet worden
verstrekt is mede afhankelijk van hetgeen daaromtrent in de Verordening
is bepaald en de omstandigheden van het individuele geval.
In het onderhavige geval waarin een voorziening voor verplaatsingen over
enige honderden meters met terugwerkende kracht moet worden toegekend,
ligt het in de rede een financiële tegemoetkoming aan gedaagde terzake
te verstrekken tot het tijdstip dat hij in aanmerking wordt gebracht
voor een andere voorziening voor verplaatsingen over deze afstanden.
De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit is vernietigd
komt voor bevestiging in aanmerking met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Gedaagde heeft verzocht appellant te veroordelen in de schade aan de
kant van gedaagde ex artikel 8:73 van de Awb. Dienaangaande is de Raad
van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking
komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft
in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze
schade heeft. Wel zal appellant indien hij een nieuw besluit neemt met
inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij
de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan
de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Op grond van deze bepaling te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en
daarvan is de Raad ook niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt met inachtneming van de
uitspraak van de Raad;
Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 23 juli 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|