|
Uitspraak
98/3698
WVG en 98/3699 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg, te
Culemborg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 december 1996 heeft gedaagde onder andere geweigerd
om de door appellante in het kader van de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) aangevraagde woningaanpassing, bestaande uit het
plaatsen van een traplift, toe te kennen.
Gedaagde heeft het namens appellante ingediende bezwaarschrift van 7
januari 1997 tegen dat besluit, bij het bestreden besluit van 29 april
1997, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 27 maart
1998 het namens appellante door J.J.M. van Lierop, werkzaam bij de
Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie te Eindhoven, tegen het
niet tijdig nemen van een besluit op voormeld bezwaarschrift ingestelde
beroep niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep voor zover het door de
rechtbank wordt geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit,
ongegrond verklaard.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop namens
appellante is gereageerd. Vervolgens heeft gedaagde nog een
schriftelijke reactie in het geding gebracht, waarop namens appellante
is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 september
1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door J.J.M.
van Lierop voornoemd als haar raadsman, en waar namens gedaagde zijn
verschenen drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, en J. Copal, werkzaam bij de gemeente Culemborg.
II. MOTIVERING
Naar ter zitting desgevraagd namens appellante is aangevoerd, richt het
hoger beroep zich uitsluitend tegen het gedeelte van de aangevallen
uitspraak waarbij het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het
bestreden besluit, ongegrond is verklaard.
Derhalve dient in dit geding de vraag te worden beantwoord of gedaagde
bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft geweigerd om
aan appellante een traplift toe te kennen.
De Raad overweegt allereerst dat het enkele feit dat zijdens gedaagde
aanvankelijk mogelijk bij appellante de indruk is gewekt dat de traplift
aan haar zou worden verstrekt, zoals namens appellante is aangevoerd en
ter zitting van de Raad namens gedaagde is erkend en betreurd, er niet
toe leidt dat gedaagde reeds om die reden is gehouden om aan appellante
een traplift te verstrekken.
Met betrekking tot voormelde vraag overweegt de Raad het volgende.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg, wordt
onder een woonvoorziening verstaan "een voorziening die verband
houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen
van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn
woonruimte ondervindt (...), met dien verstande dat bij ingrepen van
bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan
een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de
voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische
beperkingen."
Tussen partijen staat vast dat medisch gezien een traplift voor
appellante noodzakelijk is om de eerste verdieping van haar woning te
kunnen bereiken.
Namens appellante is aangevoerd dat zij in verband met de beperkte
beschikbare ruimte op de begane grond van haar woning voor verschillende
activiteiten, waaronder het wassen en drogen van kleding, is aangewezen
op het gebruik van de eerste verdieping van haar woning, waar ook de
wasmachine en de wasdroger (moeten) staan.
Door gedaagde is in het besluit van 16 december 1996 - kort weergegeven
- vermeld dat de traplift ondanks voormelde medische
noodzaak niet is toegekend omdat in de woning van appellante de
slaapkamer en de badkamer zich op de begane grond bevinden en derhalve
een normaal gebruik van de woning niet wordt belemmerd door het feit dat
appellante de eerste verdieping niet kan bereiken. Met betrekking tot de
ruimte waar de wasmachine staat is in hoger beroep namens gedaagde
bovendien aangevoerd dat, mede gelet op de hoge kosten (van ruim
tienduizend gulden) die zijn verbonden aan het verstrekken van een
traplift, en de door gedaagde te maken afweging tussen kosten en baten,
in redelijkheid kan worden gevergd dat de echtgenoot van appellante c.q.
een huishoudelijke hulp de was doet.
Zoals de Raad al in enkele uitspraken heeft overwogen moet het in
artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wvg neergelegde
criterium ergonomische beperkingen aldus worden uitgelegd dat is vereist
dat zich bij een gehandicapte een belemmering voordoet ten aanzien van (één
van) de elementaire woonfuncties, welke in direct verband staat met een
lichamelijke functionele beperking. Naar het oordeel van de Raad kunnen
onder omstandigheden tot de elementaire woonfuncties in beginsel ook
worden gerekend essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals het doen
van de was. De Raad kan zich er - althans wanneer het gaat om het
toegankelijk maken van ruimtes - dan ook niet mee verenigen dat gedaagde
bij de beoordeling van aanspraken op woningaanpassingen in het kader van
de Wvg dergelijke activiteiten kennelijk als niet behorend tot het
normale gebruik van de woning beschouwt en daarom geheel buiten
beschouwing laat. In zoverre heeft gedaagde dan ook een te stringente
maatstaf gehanteerd.
De Raad is overigens met gedaagde van oordeel dat, voor zover de door
een gehandicapte ondervonden beperkingen bij het normale gebruik van
zijn woonruimte bestaan uit het niet kunnen bereiken van de ruimte waar
de wasmachine en/of de wasdroger staat, bij het zoeken naar de
goedkoopst verantwoorde voorziening voor deze belemmering, onder meer
rekening gehouden kan worden met de mate waarin van gezinsleden,
huisgenoten of andere personen gevergd kan worden dat zij betrokkene
helpen met het wassen en/of drogen van kleding.
Het vorenoverwogene in aanmerking genomen en mede gelet op de overige
activiteiten die appellante op de bovenverdieping van de woning wenst te
kunnen (blijven) ondernemen, houdt de Raad het er voor dat zich in casu
een situatie voordoet, waarin uit de zorgplicht van het gemeentebestuur
ingevolge de Wvg voortvloeit dat - behoudens uiteraard goedkopere
adequate oplossingen - belemmeringen ten aanzien van de toegankelijkheid
van de bovenverdieping zoveel doenlijk worden opgeheven.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de
aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in
aanmerking komen.
Gedaagde dient zich nader te beraden en een nieuw besluit te nemen op de
aanvraag van appellante, één en ander met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op f 1775,00 voor rechtsbijstand in eerste aanleg, op f 2130,00 voor
rechtsbijstand in hoger beroep, op f 35,49 aan reiskosten in eerste
aanleg en op f 16,99 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal f
3957,48. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet
gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het beroep dat
wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 29 april 1997
ongegrond is verklaard;
Verklaart voormeld beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag van f 1810,49 en in hoger beroep tot een bedrag van f
2146,99;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van in totaal f
215,00 vergoedt;
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 15 oktober 1999.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|