|
Uitspraak
97/12193
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
De erven van A, gewoond hebbende te B, appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 13 juni 1995 heeft gedaagde afwijzend beschikt op de
aanvraag van wijlen C (hierna te noemen betrokkene), welke erop gericht
was om hem ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de op
die wet gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten gemeente
Rotterdam 1994 (de Verordening) in aanmerking te brengen voor een
tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten (verder te noemen
verhuiskostenvergoeding).
Gedaagde heeft de bezwaren van betrokkene tegen dat besluit bij het
bestreden besluit van 5 februari 1996 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 25
november 1997 (de aangevallen uitspraak) het tegen het bestreden besluit
ingediende beroep ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is mr. C.M.D. Over de Vest, advocaat te Rotterdam,
namens betrokkene op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen, waarbij is verzocht het bestreden
besluit te vernietigen en gedaagde te veroordelen in de kosten van de
procedure.
Op 19 mei 1998 is namens gedaagde een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 februari 1999, waar appellanten, als tevoren aangekondigd, niet zijn
verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
J.W.M. Velthuizen en H.F.A. van Tichelen, beiden werkzaam bij de
gemeente Rotterdam.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten en
regelgeving verwijst de Raad allereerst naar de beschrijving daarvan in
de rubrieken 3 en 4 van de aangevallen uitspraak. Gelet op de inhoud van
de gedingstukken neemt ook de Raad die beschrijving als uitgangspunt
voor zijn oordeelsvorming.
In aanvulling daarop wordt nog het volgende vermeld.
Betrokkene heeft als reden voor de verhuizing van een woning op de derde
etage naar een woning op de eerste verdieping aangegeven dat hij veel
last had van hoogtevrees en daarmee samenhangende klachten en gehinderd
werd door liftangst. Gedaagde heeft het realiteitsgehalte van de door
betrokkene aangevoerde klachten op zichzelf niet in twijfel getrokken,
doch diens aanvraag niet gehonoreerd op de grond dat betrokkene niet
voldeed aan de in de Verordening onder meer voor een
verhuiskostenvergoeding gestelde voorwaarde dat er sprake moet zijn van
aantoonbare beperkingen van ergonomische aard welke het normaal gebruik
van de woning belemmeren. Blijkens de met name op onderzoek van
gedaagdes medisch adviseur A.A.L. d'Alfonso gebaseerde advisering welke
aan gedaagdes besluitvorming ten grondslag ligt, is er daarbij van
uitgegaan dat het bij betrokkene om een louter psychisch probleem ging,
dat op zichzelf wel aanleiding vormde om te verhuizen, maar geen
ergonomische belemmeringen opleverde.
Voorts berust het bestreden besluit op de zienswijze dat, anders dan
vanwege betrokkene was bepleit, de desbetreffende voorwaarde voor een
verhuiskostenvergoeding niet in strijd is met de Wvg. Gedaagde is
namelijk van opvatting dat uit het in de Verordening neergelegde
zogeheten primaat van de verhuizing, op grond waarvan in beginsel een
vergoeding van de kosten van een woningaanpassing kan worden afgewezen
als een verhuiskostenvergoeding een goedkoper alternatief daarvoor is,
voortvloeit dat voor die beide vormen van woningaanpassing dezelfde
voorwaarden dienen te gelden. Gedaagde acht zulks op grond van de
kamerstukken ook in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.
Daar uit artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wvg volgt dat
een woningaanpassing op grond van die wet alleen vergoed kan worden in
geval van ergonomische belemmeringen mag die voorwaarde volgens gedaagde
in de Verordening ook voor toekenning van een verhuiskostenvergoeding
worden gesteld.
De rechtbank heeft de door gedaagde gebezigde overwegingen grotendeels
onderschreven. Wat betreft de vraag of de aanwezigheid van ergonomische
belemmeringen als voorwaarde voor een verhuiskostenvergoeding zich met
de Wvg verdraagt is in de aangevallen uitspraak overwogen dat die wet
wat betreft woonvoorzieningen in de plaats is gekomen van de Regeling
Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten 1992, volgens welke regeling
geldelijke steun voor zowel woningaanpassing als verhuizing slechts
mogelijk was als daardoor ergonomische belemmeringen werden opgeheven of
verminderd. Nu blijkens de toelichting bij de Wvg is bedoeld om niet af
te wijken van de voordien geldende vereisten acht de rechtbank het bij
verordening ten aanzien van een verhuiskostenvergoeding stellen van
bedoelde voorwaarde geoorloofd. Voorts oordeelt de rechtbank dat de aan
het bestreden besluit ten grondslag liggende advisering een toereikende
basis vormt om te kunnen concluderen dat niet aan voormelde voorwaarde
is voldaan.
In hoger beroep is vanwege appellanten benadrukt dat artikel 1, eerste
lid aanhef en onder c, van de Wvg niet toelaat dat bij verordening het
bestaan van ergonomische belemmeringen als voorwaarde voor een
verhuiskostenvergoeding wordt gesteld, daar zodanige belemmeringen
krachtens die bepaling slechts gelden in geval van ingrepen van
bouwkundige of woontechnische aard. Voorts zijn appellanten van mening dat betrokkene vanwege diverse aandoeningen wel
degelijk ergonomische belemmeringen ondervond in de door hem verlaten
woning.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wvg strekt ertoe om de
reikwijdte van woonvoorzieningen in de zin van die wet te omlijnen. In
die bepaling is enkel ten aanzien van ingrepen van bouwkundige of
woontechnische aard (woningaanpassingen) die reikwijdte verder ingeperkt
door de nadere voorwaarde dat deze voorzieningen dienen te zijn gericht
op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen. Het
gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam heeft echter in artikel 2.4,
eerste lid, van de Verordening als voorwaarde voor toekenning van een
verhuiskostenvergoeding gesteld dat een gehandicapte daarvoor slechts in
aanmerking kan worden gebracht als aantoonbare beperkingen van
ergonomische aard het normale gebruik van de woning belemmeren. Het
gemeentebestuur heeft daarmee de in voormelde bepaling van de Wvg tot
woningaanpassingen beperkte nadere inperking van de reikwijdte van
woonvoorzieningen toegepast op een andere vorm van woonvoorzieningen.
Mede gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wvg, waarbij het
gemeentebestuur - voor zover in dezen van belang - wordt opgedragen om
zorg te dragen voor de verlening van woonvoorzieningen en om met
inachtneming van het bepaalde bij of krachtens die wet bij verordening
regels te stellen, is de Raad van oordeel dat de in voormelde
verordeningsbepaling opgenomen clausulering "van ergonomische
aard" wegens strijd met artikel 1, eerste lid aanhef en onder c,
van de Wvg buiten toepassing moet worden gelaten. Het door gedaagde ter
verdediging van de toelaatbaarheid van genoemde clausulering gehouden
betoog, dat berust op het in de Verordening neergelegde primaat van de
verhuizing en op de uit de parlementaire behandeling van de Wvg af te
leiden bedoeling van de wetgever, kan niet afdoen aan voormelde, uit de
duidelijke wetstekst en -systematiek voortvloeiende, conclusie.
De Raad tekent bij het voorgaande aan dat het wegvallen van een
onderdeel van de voorwaarden voor toekenning van een
verhuiskostenvergoeding geenszins in de weg staat aan het in de
Verordening verankerde primaat van de verhuizing, nu immers het gevolg
daarvan alleen is dat voor een vergoeding daarvan (iets) minder
stringente vereisten gelden dan voor vergoeding van een
woningaanpassing. De Raad wijst er in dit verband tevens op dat de in
artikel 2.4., eerste lid, van de Verordening opgenomen voorwaarde dat er
sprake moet zijn van beperkingen bij het normale gebruik van de woning
onverkort van toepassing blijft, nu deze spoort met de algemene
definitie van woonvoorzieningen in artikel 1, eerste lid onder c, van de
Wvg. Mede gelet op de omschrijving van het begrip gehandicapte in
artikel 1, eerste lid onder a, van de Wvg en op het bij artikel 1.2,
eerste lid onder b, van de Verordening ten aanzien van voorzieningen in
het algemeen gestelde toekenningsvereiste, gaat het daarbij dan om
objectief aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek welke
een, op opheffing of beperking daarvan gerichte, voorziening langdurig
noodzakelijk maken.
Ten aanzien van betrokkenes aanvraag concludeert de Raad vervolgens op
basis van de voorhanden gegevens dat aan de (overblijvende) voor
toekenning van een verhuiskostenvergoeding geldende voorwaarden, als
zojuist omschreven, is voldaan. Hij heeft daartoe in de eerste plaats
doen wegen dat in de, aan het primaire besluit ten grondslag liggende,
rapportage van 17 mei 1995 zijdens gedaagde al is geconcludeerd dat
verhuizing aan betrokkenes ziektebeeld
ten goede zal komen, terwijl daarvoor voorts een bevestiging is te
vinden in het zich onder de gedingstukken bevindende, ten behoeve van
een andere aanvraag om een voorziening van betrokkene uitgebrachte,
rapport van de psychiater dr. A.P.K. van Eekeren van 27 juni 1997.
De Raad komt op basis van het vorenoverwogene tot de slotsom dat bij het
bestreden besluit geen juiste toepassing is gegeven aan voormelde
bepalingen van de Wvg en de Verordening, zodat dit besluit voor
vernietiging in aanmerking komt. Gedaagde zal een nieuw besluit op
bezwaar hebben te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak
overwogene. De aangevallen uitspraak kan derhalve evenmin in stand
worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van betrokkene en van appellanten in beide instanties. Deze kosten
worden begroot op f 1.420,-- in eerste aanleg en hetzelfde bedrag in hoger beroep. Andere
op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en
daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagdes gemeente dient te worden
vergoed.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit neemt met inachtneming van het in
deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van betrokkene en van
appellanten, in eerste aanleg tot een bedrag van f 1.420,-- en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van f 1.420,--, te
betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van deze Raad;
Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellanten het gestorte recht van
in totaal f 210,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 26 maart 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
|
|