|
Uitspraak
98/940
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, appellant,
en
A, wonende te B, wettelijk vertegenwoordigd door C, wonende te D,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij aanvullend beroepsschrift, met bijlagen, aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank
te Utrecht onder dagtekening 24 december 1997 gewezen uitspraak (de
aangevallen uitspraak), inhoudende vernietiging van het besluit van
appellant van 30 december 1996 (het bestreden besluit).
Namens gedaagde is op 9 april 1998 een verweerschrift ingediend. Van de
kant van appellant is onder dagtekening 15 mei 1998 een repliek, met
bijlagen, ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 oktober 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
M.J.M. Jehee, werkzaam bij de gemeente Baarn, en door drs. W.J.M. Peters,
werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, terwijl zowel
gedaagde als diens wettelijk vertegenwoordiger in persoon zijn
verschenen, bijgestaan door mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang
zijnde feiten en wettelijke bepalingen, van het procesverloop in eerste
aanleg en de daarbij door partijen ingenomen standpunten wordt verwezen
naar de aangevallen uitspraak.
In aanvulling op de beschrijving van de feiten in de aangevallen
uitspraak stelt de Raad vast dat het bestreden besluit strekt tot
bevestiging van het door appellant in het kader van de uitvoering van de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de daarop gebaseerde
gemeentelijke Verordening voorzieningen gehandicapten (de Verordening)
genomen besluit, bevattende:
a. afwijzing van gedaagdes aanvraag om de kosten van het gebruik van een
speciaal door zijn ouders aangeschafte rolstoelbus te vergoeden en
b. toekenning van een bedrag van f 447,-- per kwartaal als
tegemoetkoming in de kosten van gebruik van een rolstoeltaxi.
Appellant acht laatstgenoemde voorziening namelijk in de gegeven
omstandigheden de goedkoopst adequate. Hij baseert voorts het toegekende
bedrag op het door de raad van de gemeente Baarn op 27 maart 1996
genomen besluit (het Raadsbesluit) ter uitvoering van de op 1 januari
1996 in werking getreden Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen (de
Regeling) in samenhang met het door hem in het kader van de Verordening
gehanteerde zogeheten verstrekkingenboek. De daarin neergelegde normen
houden onder meer in dat de hoogte van de vervoerskostenvergoeding van
bewoners van AWBZ-instellingen (zoals gedaagde) wordt vastgesteld op een
forfaitair bedrag dat overeenkomt met 50% van de standaardvergoeding
voor zelfstandig wonende gehandicapten, waarbij de mogelijkheid bestaat
om in uitzonderingsgevallen een toeslag te geven tot 100% van bedoelde
standaardvergoeding. Op in het bestreden besluit nader uiteengezette
gronden is appellant van oordeel dat er in casu geen sprake is van een
uitzonderlijke vervoersbehoefte welke ertoe had moeten leiden dat ten
gunste van gedaagde wordt afgeweken van eerdergenoemd normbedrag voor
bewoners van AWBZ-instellingen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd. Daaraan heeft zij in hoofdzaak ten grondslag gelegd het
oordeel dat bij het Raadsbesluit de zorgplicht betreffende
vervoersvoorzieningen voor in AWBZ-instellingen verblijvende personen op
ontoelaatbare wijze is beperkt. Ten aanzien van de vaststelling van het
normbedrag voor die personen zou er namelijk niet in zijn algemeenheid
van uit mogen worden gegaan dat in alle AWBZ-instellingen voor de
bewoners sociale contacten worden georganiseerd en dat alle in die
instelling verblijvende personen daaraan kunnen deelnemen. De
mogelijkheid van verlening van een toeslag kan daaraan volgens de
rechtbank niet afdoen, daar in het kader van het Raadsbesluit het geven
van een toeslag voor reiskosten in verband met het bezoeken van familie,
vrienden en bekenden zou zijn uitgesloten.
In hoger beroep is zijdens appellant allereerst uiteengezet dat er voor
bewoners van AWBZ-instellingen in het kader van de deelname aan het
leven van alledag zoveel activiteiten worden georganiseerd dat er vanuit
gegaan mag worden dat dezen een vervoersbehoefte hebben die, globaal
geschat, de helft is van die van zelfstandig wonenden. Zij acht daarom
een dienovereenkomstig lagere standaardvergoeding voor vervoerskosten
voor die categorie gerechtvaardigd. Voorts heeft appellant doen
uitleggen dat op grond van het Raadsbesluit slechts een toeslag verleend
kan worden, als er sprake is van een uitzonderlijke vervoersbehoefte,
waartoe gewone contacten met familie, vrienden en bekenden evenwel niet
behoren, daar dit neer zou komen op "meer van hetzelfde".
Desgevraagd is van appellants zijde verzekerd, en aan de hand van
voorbeelden toegelicht, dat dergelijke contacten in uitzonderlijke
situaties, en met name wanneer deze noodzakelijk blijken te zijn ter
voorkoming van vereenzaming van de betrokken gehandicapte, wel degelijk
kunnen leiden tot verhoging van de standaardvergoeding. In de ogen van
appellant doet zich in casu evenwel niet een situatie voor waarin van
dreigende vereenzaming kan worden gesproken, nu gedaagdes ouders in
staat zijn hem in de inrichting te bezoeken en de verleende voorziening
zelfs toereikend is om met een rolstoeltaxi zeven maal per jaar de
ouderlijke woning te bezoeken.
Voorts heeft appellant verwezen naar de jurisprudentie van deze Raad in
het kader van de, aan de Wvg voorafgaande, voorzieningenregeling van
artikel 57, tweede lid, van de AAW. Deze rechtspraak komt erop neer dat
in geval een, in een AWBZ-instelling verblijvende, gehandicapte niet in
staat is om zelfstandig sociale contacten te leggen, op te bouwen en te
onderhouden, zijn ouderlijk huis als zijn thuis dient te worden
aangemerkt en dat in een dergelijk geval het vervoer tussen de
instelling en de ouderlijke woning (het zogeheten weekendvervoer) geacht
kan worden te liggen op het terrein van de wettelijke
ziektekostenverzekering. Gelet op artikel 4, eerste lid van het
Koninklijk besluit van 14 augustus 1976, Stb. 434, bestond er dan geen
ruimte om ingevolge voormelde regeling een vervoersvoorziening te
verstrekken. Naar de mening van appellant vloeit uit de bedoelingen van
de wetgever met de Wvg voort dat die jurisprudentie verondersteld mag
worden ook in het kader van deze wet te gelden. Appellant is daarom van
oordeel dat hij door toekenning van een vergoeding welke weliswaar niet
bestemd is voor, maar mede besteed kan worden aan, weekendvervoer, meer
gedaan heeft dan waartoe de op hem rustende zorgplicht noopt.
Vanwege gedaagde is met name een uitgebreide beschrijving gegeven van de
situatie waarin hij binnen de instelling verkeert, waarbij onder meer
naar voren is gebracht dat daar weliswaar activiteiten plaatsvinden,
maar dat hij daaraan, met name wegens het ontbreken van voldoende
begeleiding, nauwelijks deel kan nemen. Ook overigens zou er van sociale
contacten binnen de instelling niet of nauwelijks sprake zijn. In
verband daarmee is zijnerzijds in het bijzonder beklemtoond dat de
wekelijkse bezoeken aan de ouderlijke woning voor hem van zo'n wezenlijk
belang zijn dat hij zou vereenzamen als hij daartoe niet langer in staat
zou worden gesteld, terwijl de mogelijkheid van bezoek van zijn ouders
aan hem in de inrichting daarvoor geen gelijkwaardig alternatief vormt.
Er is voorts op gewezen dat gedaagde, die momenteel 24 jaar oud is, tot
zijn negentiende jaar volledig thuis heeft gewoond en dat de ouderlijke
woning volledig aangepast is aan zijn handicaps. Het aantal van zeven
bezoeken met een rolstoeltaxi per jaar aan zijn ouders, dat de
toegekende vergoeding mogelijk maakt, zou veel te gering zijn om aan de
elementaire behoefte van gedaagde op dit punt te voldoen. Genoemd aantal
bezoeken zou temeer onredelijk zijn, nu gedaagde of zijn ouders geen
enkele invloed hebben gehad op de (vestigingsplaats van de) inrichting
waarin hij geplaatst is, toen het thuis wonen niet langer doenlijk
bleek.
In dit geding staat ter beoordeling van de Raad of appellants besluit
tot toekenning aan gedaagde van enkel de eerdergenoemde
standaardvergoeding voor bewoners van AWBZ-instellingen de rechterlijke toets kan doorstaan.
De Raad overweegt daaromtrent als volgt.
Gedaagde is woonachtig in een instelling voor zwakzinnigen, die
ingevolge artikel 8 van de AWBZ is erkend, en is derhalve op grond van
artikel 2, tweede lid, van de Wvg in beginsel uitgesloten van de
zorgplicht als omschreven in het eerste lid van dat artikel. Daar de
betrokken instelling evenwel behoort tot een categorie, die is opgenomen
in artikel 1 van voormelde Regeling, kan gedaagde alsnog krachtens de
Regeling een beroep doen op de zorgplicht van het gemeentebestuur voor
vervoersvoorzieningen. Nu in de Regeling een nadere omschrijving van die
zorgplicht ontbreekt, gaat de Raad er, mede gelet op de toelichting
daarbij, van uit dat deze dezelfde reikwijdte heeft als de in de
artikelen 2 en 3 van de Wvg omschreven zorgplicht voor
vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het
maatschappelijk verkeer van in de gemeente wonende gehandicapten.
De Raad stelt voorts vast dat in de bij en krachtens de Wvg gestelde
regels geen aanknopingspunten zijn te vinden voor een zo strikte
begrenzing van de zorgplicht ingevolge de Wvg ten opzichte van het
terrein van de gezondheidszorg als door appellant bepleit. Met name
ontbreekt in het regime van de Wvg een regeling als neergelegd in
artikel 4 van het eerdergenoemd KB van 14 augustus 1976, waarbij
voorzieningen op het gebied van de wettelijke ziektekostenverzekeringen
buiten de werkingssfeer van artikel 57, tweede lid, van de AAW werden
geplaatst.
Gelet op het voorgaande kan de Raad appellant niet volgen in zijn betoog
dat de eerder omschreven jurisprudentie over het weekendvervoer in het
kader van artikel 57, tweede lid, van de AAW, mee is overgegaan naar de
Wvg. Ook overigens ziet de Raad geen grond om weekendvervoer, strekkende
tot het onderhouden van contacten tussen een in een inrichting
verblijvende gehandicapte en zijn of haar ouders of daarmee gelijk te
stellen personen, categoraal van de zorgplicht ingevolge de Wvg uit te
sluiten.
Het vorenoverwogene betekent niet dat het weekendvervoer van gedaagde
door appellant zonder meer, laat staan volledig, vergoed dient te
worden. Bij zijn oordeelsvorming over de rechtmatigheid van (de
toepassing ten aanzien van gedaagde van) het bij appellants Raadsbesluit
vastgestelde normenstelsel moet de Raad namelijk als uitgangspunt nemen
dat, gelijk hij al vaker heeft overwogen, het gemeentebestuur de ruimte
toekomt om naar eigen inzicht invulling te geven aan de hem ingevolge de
Wvg opgedragen taak om te zorgen voor (vervoers)voorzieningen voor ter
plaatse wonende gehandicapten, waarbij het echter wel gehouden is
verantwoorde voorzieningen als omschreven in artikel 3 van de Wvg aan te
bieden. Ten aanzien van vervoersvoorzieningen betekent dat dat de ter
plaatse wonende gehandicapten daardoor ten minste in staat gesteld
moeten worden om in hun directe woonomgeving in aanvaardbare mate
sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van
alledag. Daarin ligt tevens besloten dat in dit verband de aanwezigheid
van belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen beslissende
rol speelt, wat echter anders kan liggen indien vast komt te staan dat
er sprake is van dusdanig wezenlijke - uitsluitend door persoonlijk
bezoek te onderhouden - contacten dat zonder deze vereenzaming of sociaal
isolement optreedt.
Tegen de achtergrond van de zojuist bedoelde jurisprudentie oordeelt de
Raad het, gelet op de omstandigheid dat een belangrijk deel van het
leven van alledag van de bewoners van een AWBZ-inrichting als de
onderhavige zich binnen die instelling afspeelt en voorts in aanmerking
genomen dat door zodanige instelling activiteiten in de directe omgeving
plegen te worden georganiseerd en bekostigd, rechtens aanvaardbaar dat
in het Raadsbesluit voor de betrokken bewoners een normbedrag ter hoogte
van de helft van de standaardvergoeding voor zelfstandig wonende
gehandicapten is vastgesteld. De Raad acht zulks te minder ongeoorloofd,
nu uitdrukkelijk voorzien is in de mogelijkheid om in daartoe aanleiding
gevende gevallen een toeslag tot het volledige normbedrag te verlenen.
Oordelend over het voorliggende concrete geval is voor de Raad in de
eerste plaats onvoldoende vast komen te staan dat appellant, door enkel
de voornoemde standaardvergoeding voor bewoners van AWBZ-instellingen
toe te kennen, een correcte toepassing heeft gegeven aan de in zijn
gemeente ontwikkelde normensystematiek, waartoe blijkens het
eerdergenoemde verstrekkingenboek de mogelijkheid van een tegemoetkoming
in begeleidingskosten behoort. Appellant heeft in zijn besluitvorming
aan dit aspect geen expliciete aandacht geschonken, zulks terwijl -
zoals
ter zitting van de Raad zijdens gedaagde naar voren is gebracht en door
appellant niet is weersproken - gedaagde, in verband met de kans op
epileptische aanvallen, mogelijk bij iedere vorm van vervoer is
aangewezen op begeleiding, anders dan van een taxichauffeur.
Temeer nu aannemelijk is dat gedaagde voor begeleiding bij het door de Wvg
beoogde vervoer met name afhankelijk is van zijn ouders, die
daarvoor als gevolg van de afstand tussen hun woonplaats en de
inrichting beduidende extra kosten moeten maken, is de Raad van oordeel
dat appellant op dit punt bij de voorbereiding van het bestreden besluit
is tekort geschoten, waardoor artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht is geschonden.
Reeds daarom is de Raad, zij het op andere gronden dan de rechtbank, van
oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt
en dat appellant een nieuw besluit op gedaagdes bezwaarschrift dient te
nemen.
Ten aanzien van het door appellant te nemen nieuwe besluit overweegt de
Raad voorts dat de voorhanden gegevens omtrent gedaagdes omstandigheden
erop duiden dat voor hem het bezoeken van zijn ouderlijke woning, welke
ligt buiten de directe woonomgeving waarop de gemeentelijke zorgplicht
primair betrekking heeft, van zodanig belang is dat van vereenzaming
sprake zou zijn als ieder bezoek aan het ouderlijk huis onmogelijk zou
zijn. Mede in aanmerking genomen de - wellicht niet optimaal te benutten
maar toch reλel te achten - mogelijkheden om binnen de instelling
sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan activiteiten
alsmede de omstandigheid dat gedaagde toch ook met enige regelmaat
bezoek van zijn ouders, en eventueel van andere familieleden, in de
inrichting mag verwachten, is de Raad er in casu echter geenszins van
overtuigd dat vereenzaming slechts kan worden voorkomen als gedaagde de
gelegenheid wordt geboden zijn ouderlijke woning te bezoeken met de
frequentie waarin dat tot nu toe geschiedt.
De Raad stelt in dit verband vast dat bij het bestreden besluit een
vergoeding is toegekend van in totaal f 1.788,-- op jaarbasis, welke -
gelet op voormeld oordeel van de Raad - mogelijk nog uitgebreid zal
worden met een vergoeding voor begeleidingskosten. Appellant zal met
inachtneming van het vorenoverwogene aan de hand van gedaagdes
omstandigheden, waarnaar zonodig aanvullend onderzoek gedaan dient te
worden, moeten nagaan in hoeverre de aan gedaagde toekomende forfaitaire
tegemoetkoming toereikend is om een dusdanig aantal malen per jaar zijn
ouders te kunnen bezoeken dat daarmee het gevaar van vereenzaming wordt
afgewend. Appellant behoeft daarbij geenszins voorbij te gaan aan het
gegeven dat gedaagdes ouders de beschikking hebben over een rolstoelbus,
waarvan de kosten - naar het zich op grond van de thans voorhanden
gegevens laat aanzien - beduidend lager zijn dan die van een
rolstoeltaxi.
Het vorenoverwogene voert de Raad tot de conclusie dat de aangevallen
uitspraak bevestigd dient te worden, met dien verstande dat appellant
een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het in deze uitspraak
van de Raad overwogene.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- aan kosten van
rechtsbijstand en f 200,-- aan reiskosten. Andere op grond van dat
artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad
ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 630,-- dient te worden geheven.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuwe besluit dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak
overwogene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.620,--, te betalen door de gemeente Baarn aan
gedaagde;
Verstaat dat van appellant een recht van f 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van B. Goos als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 27 november 1998.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.)
B. Goos.
|
|