|
Uitspraak
97/7253
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen,
appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te
Assen onder dagtekening 4 juli 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 8 maart 1999 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april
1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.J. de
Wind, werkzaam bij de gemeente Emmen, en waar gedaagde met kennisgeving
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1923, heeft cara en hartklachten. Op 7 augustus
1995 heeft gedaagde op grond van de op de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) steunende Verordening voorzieningen gehandicapten
van de gemeente Emmen (de Verordening) verzocht om een tegemoetkoming in
de verhuis- en inrichtingskosten in verband met zijn voorgenomen
verhuizing van zijn woning C-kanaal te D naar de woning E-kade te B.
Daarbij zijn vocht- en tochtproblemen als reden voor verhuizing
opgegeven.
Bij besluit van 15 februari 1996 (het bestreden besluit) heeft appellant
de bezwaren van gedaagde tegen de bij besluit van 17 oktober 1995 gedane
afwijzing van zijn verzoek ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant
op grond van het bepaalde in artikel 2.19, tweede lid, onder e, van de
Verordening overwogen dat alleen een financiële tegemoetkoming in de
verhuis- en inrichtingskosten wordt verstrekt indien in de te verlaten
woning ergonomische beperkingen zijn ondervonden die het normale gebruik
van de woning belemmeren. Die omstandigheden zijn in het geval van
gedaagde niet aanwezig geacht.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd onder de overweging
dat appellant ten onrechte de eis heeft gesteld dat sprake moet zijn van
ergonomische beperkingen.
Voorts heeft de rechtbank, met verwijzing naar een brief van 28
september 1995 van de behandelend longarts dr. P.I.T. Ho, vastgesteld dat de woning in D van gedaagde een nadelige
invloed had op zijn caraklachten.
Tenslotte heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de onder de vigeur
van de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten (RGSHG)
gegeven uitspraak van 7 december 1995, nr. R03.93.5647 van de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State - de van de zijde van appellant
ter zitting in eerste aanleg aangevoerde grond verworpen dat het
wegnemen van vochtproblemen een taak van de verhuurder van de (inmiddels
door gedaagde) verlaten woning is en derhalve als een voorliggende
voorziening in de zin van artikel 1.2, derde lid, onder b, van de
Verordening moet worden aangemerkt. In die bepaling is geregeld dat geen
voorziening wordt toegekend voor zover op grond van enige andere
wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst of
verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat.
Het hoger beroep van appellant keert zich tegen evenvermelde oordelen
van de rechtbank.
De Raad overweegt als volgt.
Naar de Raad in zijn uitspraken van 26 maart 1999 (kenmerk 97/1570 WVG en 97/12193 WVG) al als zijn oordeel heeft gegeven is in artikel 1,
eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg enkel ten aanzien van ingrepen
van bouwkundige of woningtechnische aard (woningaanpassingen) de nadere
voorwaarde gesteld dat deze voorzieningen dienen te zijn gericht op het
opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen. De in artikel 2.4,
eerste lid van de Verordening voor toekenning van een andersoortige
woonvoorziening, te weten een verhuiskostenvergoeding, opgenomen
voorwaarde dat een gehandicapte daarvoor slechts in aanmerking kan
worden gebracht als aantoonbare beperkingen van ergonomische aard het
normale gebruik van de woning belemmeren, moet mitsdien wegens strijd
met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg buiten
toepassing worden gelaten.
De Raad kan appellant in hetgeen hij met verwijzing naar de toelichting
op de RGSHG heeft aangevoerd, te weten dat verhuizing vanwege tocht en
vocht niet onder de werking van die regeling viel en dat die uitsluiting
zijn basis vond in het begrip ergonomische beperkingen, wat daarvan
verder ook zij, reeds hierom niet volgen nu, naar zoëven al is
overwogen, de voorwaarde dat de voorziening leidt tot opheffing of
vermindering van ergonomische belemmeringen, in de Wvg bij andere
woonvoorzieningen dan woningaanpassingen niet wordt gesteld.
De vraag of bij gedaagde sprake is van objectief aantoonbare beperkingen
ten gevolge van ziekte of gebrek welke een, op opheffing of beperking
daarvan gerichte, voorziening langdurig noodzakelijk maken, beantwoordt
de Raad op grond van het schrijven van 28 september 1995 van de
behandelend longarts Ho, met de rechtbank, bevestigend. Mede gelet op
het vorenoverwogene staat hetgeen de echtgenote van gedaagde in de
bezwaarfase daaromtrent heeft aangevoerd, te weten dat "de woning
ook voor gewone mensen niet bewoonbaar is" daaraan in het
onderhavige geval, anders dan appellant kennelijk meent, niet in de weg.
Evenzeer geldt dit voor het aan het bestreden besluit mede ten grondslag
liggende afwijzende advies van 12 oktober 1995 van de GGD
Zuidoost-Drenthe, nu daarbij - ten onrechte - de vraag heeft voorgelegen
of sprake was van ergonomische beperkingen.
De Raad onderschrijft voorts de strekking van hetgeen de rechtbank bij
de aangevallen uitspraak heeft overwogen erop neerkomende dat appellant
niet gehouden is om een woonvoorziening te verstrekken als de
ondervonden problemen van tocht en vocht te wijten zijn aan
achterstallig onderhoud dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat
de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen. Dit
beginsel lijdt naar het oordeel van de Raad evenwel -althans ten aanzien
van een verhuiskostenvergoeding als hier aan de orde- uitzondering,
indien de betrokkene goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door
de verhuurder te doen wegnemen en er met het oog op de
gezondheidstoestand van betrokkene binnen redelijkerwijs aanvaardbaar
tijdsbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken.
Nu gedaagde tijdens de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden
hoorzitting van 11 december 1995 heeft aangegeven dat de verhuurder van
zijn oude woning, ondanks zijn langdurig en herhaaldelijk aandringen,
van woningverbetering niet wilde weten, zal appellant met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nader onderzoek naar
laatstgenoemde omstandigheden moeten instellen.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak,
zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 28 mei 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't
Klooster.
|
|