|
Uitspraak
97/3862
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is mr. E.W. Heijbroek, advocaat te Zaltbommel, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van
een door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem onder dagtekening 24
februari 1997 tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij schrijven van 6 oktober 1997 (met bijlagen) heeft gedaagde van
verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 februari
1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Heijbroek, voornoemd, als haar raadsvrouw en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door G.A.A. van Buuren, werkzaam bij de gemeente
Tiel.
II. MOTIVERING
Appellante heeft gedaagde verzocht om verstrekking van een zogeheten
Zweedse stoel, een rolstoel en vergoeding van de kosten van het plaatsen
van een verhoogd toilet, het aanbrengen van toiletbeugels en van kranen
voorzien van hendels in de doucheruimte en bij het aanrecht. Deze
voorzieningen heeft appellante aangevraagd op grond van het bepaalde in
de op de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) steunende Verordening
voorziening gehandicapten gemeente Tiel 1994 (hierna: de Verordening).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit
van 7 maart 1995 in stand gelaten. In hoger beroep keert appellante zich
tegen het oordeel van de rechtbank dat in haar situatie niet is voldaan
aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van objectiveerbare beperkingen
en dat de te verstrekken voorzieningen langdurig noodzakelijk zijn om
die beperkingen op te heffen of te verminderen. De Raad, zich tot dit
geschilpunt beperkend, overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wvg moet onder een
gehandicapte in de zin van deze wet en de Verordening wordt verstaan een
persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen
ondervindt op het gebied van wonen of van het zich binnen of buiten de
woning verplaatsen. Voorts is in artikel 1.2, eerste lid aanhef en sub b,
van de Verordening bepaald dat een voorziening slechts kan worden
toegekend als deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen van een
gehandicapte op het gebied van wonen of vervoer op te heffen of te
verminderen. De Raad ziet gelet op de tekst van deze bepalingen geen
reden zijn in het kader van de Ziektewet en andere
arbeidsongeschiktheidswetten ontwikkelde jurisprudentie met betrekking
tot het objectiveringsvereiste van medische klachten, niet ook van
toepassing te achten op de bij en krachtens de Wvg genomen besluiten. Er
moet derhalve op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten
sprake zijn van beperkingen waardoor een voorziening die gericht is op
het opheffen of verminderen van die beperkingen, aangewezen is.
De Raad is van oordeel dat het rapport van 8 juli 1996 van de als
deskundige geraadpleegde revalidatiearts J.F.C. Rosberger, gelet op de
bij brief van 4 november 1996 daarop gegeven toelichting, onvoldoende
aanknopingspunten biedt dat in de situatie van appellante ten aanzien
van de in geding zijnde voorzieningen is voldaan aan evenvermeld
objectiveringsvereiste. De Raad onderschrijft derhalve, mede gelet op
het bij brief van 23 juli 1996 gegeven commentaar op dit rapport van de
aan de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Rivierenland verbonden arts
W.L.M. Ruijs, het oordeel van de rechtbank dat uit het rapport van deze
deskundige niet blijkt van objectiveerbare beperkingen die de gevraagde
voorzieningen noodzakelijk maken.
Voorts overweegt de Raad nog dat hem niet is gebleken van een situatie
waarin gesproken kan worden van een door ziekte of gebrek veroorzaakt
ernstig pijnsyndroom als bedoeld in 's Raads uitspraak van 7 maart 1986,
gepubliceerd in RSV 1986/201, dat oorzaak is van voor de toepassing van
de Wvg en de Verordening relevante medische beperkingen.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep, niet nader met medische
gegevens onderbouwd, is aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander
oordeel.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van B.A.
Beenen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 april 1998.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) B.A. Beenen.
|
|