|
Uitspraak
97/5646
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
De erven van wijlen A. te B., appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Vanwege de erven van wijlen A., hierna: A., is op de daartoe bij
(aanvullend) beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle
tussen partijen gewezen uitspraak van 24 april 1997, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Vanwege A. is bij brief van 19 november 1997 (met
bijlagen) een reactie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 maart 1998 waar van de zijde van appellanten niemand is
verschenen.
Voor gedaagde is opgetreden B. Hummel, werkzaam bij de gemeente
Steenwijk.
II. MOTIVERING
A., geboren in 1912 en door zijn handicap aangewezen op het gebruik van
zijn (duw)rolstoel en (door hem zelf bestuurde) aangepaste auto, is op
zijn verzoek bij besluit van 6 oktober 1995 in het kader van de Wet
voorziening gehandicapten (Wvg) door gedaagde in het genot gesteld van
een voor gebruik van zijn auto aan te wenden financiële tegemoetkoming
van f 1.170,-- (per 1 januari 1996: f 1.200,--) per jaar, een
scootermobiel voor gebruik in zijn directe omgeving en, in verband
daarmee, een tegemoetkoming in de oplaadkosten van f 150,-- per jaar.
Bij beslissing op bezwaar van 12 januari 1996 heeft gedaagde
vastgehouden aan zijn eerdere, in voormeld primair besluit van 6 oktober
1995 tevens neergelegde, afwijzing van A.'s verzoek om - bij wijze van
vervoersvoorziening krachtens de Wvg - in aanmerking te worden gebracht
voor vergoeding van een aanhangwagen. A. had zo'n vervoermiddel
aangeschaft teneinde de hem reeds verstrekte scootermobiel ook op verder
afgelegen bestemmingen, zoals zijn elders wonende kinderen, te kunnen
benutten.
De rechtbank heeft aangenomen dat een aanhangwagen op zich zelf kan
worden aangemerkt als 'een ander verplaatsingsmiddel' in de zin van de
in de aangevallen uitspraak vermelde bepalingen bij en krachtens de
Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Steenwijk
(hierna: de verordening) en dientengevolge in beginsel, dat wil zeggen
indien aan de overige daarvoor geldende criteria is voldaan, vatbaar is
voor verstrekking bij wijze van vervoersvoorziening in de zin van die
verordening.
Het in de zoëvenvermelde overweging vervatte oordeel is in hoger beroep
niet aangevochten en tussen partijen niet in geschil. Mede gelet daarop
kan - en zal - de Raad die overweging hier verder onbesproken laten.
De vervolgens rijzende vraag of A.'s verzoek om vergoeding van de
kosten van de aanschaf van een aanhangwagen, gelet op zijn
mobiliteitsproblematiek en de hem reeds ter beschikking staande
verplaatsingsmiddelen, overigens aan de bij en krachtens de Wvg geldende
criteria voldoet, is door de rechtbank, met verwijzing naar de onder
reg.nrs AAW 1993/V 318 en V/597 door de Raad gewezen uitspraken,
ontkennend beantwoord.
Bij - onder meer - deze uitspraken is door de Raad onder de vigeur van
artikel 57 (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
overwogen dat het bij voorzieningen terzake vervoer buitenshuis,
uitzonderingen bij dreigend sociaal isolement in geval van veraf gelegen
wezenlijke contacten daargelaten, in beginsel uitsluitend gaat om een
tegemoetkoming voor verplaatsingen in verband met sociale contacten in
de eigen woonplaats of de directe omgeving daarvan.
Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank van oordeel dat in het
onderhavige krachtens de Wvg en de verordening geldende vervoersregime
sprake is van een zelfde uitgangspunt, nu daarin op dat punt niet is
voorzien in een verruiming ten opzichte van artikel 57 (oud) van de
AAW. Dit oordeel spoort met hetgeen in 's Raads jurisprudentie tot
uitdrukking is gebracht met betrekking tot de zogenoemde ondergrens van
de zorgplicht terzake vervoersvoorzieningen.
Daarvan uitgaande heeft de rechtbank vervolgens, voor zover hier van
belang, de afwijzing van A.'s verzoek met betrekking tot de
aanhangwagen in stand gelaten en het daarop betrekking hebbend inleidend
beroep verworpen. Daartoe is onder meer overwogen:
"Toekomend aan de vraag of eiser in het onderhavige geval aanspraak
zou moeten kunnen maken op verstrekking van een aanhangwagen dan wel
een tegemoetkoming in de aanschafkosten daarvan, sluit de rechtbank aan
bij enkele in 1993 en 1994 gedane uitspraken van de Centrale Raad van
Beroep (nummers AAW 1993/V 318 respectievelijk AAW 93/V 579) in het
kader van de toepassing van de AAW. Conform hetgeen in deze uitspraken
is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in casu, waar het gaat om
de toepassing van de Wvg, vastgesteld moet worden, dat, hoewel het
contact met zijn kinderen voor eiser ongetwijfeld een essentieel
contact is, dit niet betekent, dat eiser óók voor een tegemoetkoming
in de kosten van de aanschaf van een aanhangwagen in aanmerking moet
worden gebracht. Daarbij dient eiser zich te realiseren, dat de Wvg -
evenals overigens eertijds de AAW - niet beoogt aan welke wens tegemoet
te komen, hoe begrijpelijk die wensen ook kunnen zijn. Het gaat slechts
om een zekere tegemoetkoming in de verplaatsingsproblematiek van de
betrokkene. In het onderhavige geval betekent het ontbreken van een
aanhangwagen niet dat eiser geen contact met zijn kinderen kan hebben.
Het betekent wel, dat eiser, bij zijn kinderen logerend, zich niet
zelfstandig met zijn scootermobiel kan verplaatsen. Aangenomen mag
echter worden, dat, voorzover zijn vrouw dat niet zou kunnen, zijn
kinderen hem behulpzaam kunnen zijn bij het gebruik van de duwrolstoel,
waarover eiser eveneens de beschikking heeft.
Blijkens verweerders schrijven d.d. 8 november 1996 kan eiser met zijn
auto zijn rolstoel ingeklapt meenemen. Hoewel het zeer begrijpelijk is
dat eiser ook bij zijn kinderen liever per scootermobiel zelfstandig
voortbeweegt, is er onder deze omstandigheden geen sprake van een
strikte noodzaak daartoe.
De rechtbank moet dan ook concluderen dat verweerder afwijzend mocht
beslissen op eisers aanvraag terzake van een aanhangwagen, zij het op
enigszins andere gronden dan verweerder heeft genoemd."
Lettend op de voorhanden - uitvoerige - gegevens, daaronder begrepen de
onderzoeksbevindingen van de zijdens de GGD betrokken geneeskundige S.J.
Th van Kuijk, verenigt de Raad zich met het zojuist weergegeven oordeel van de rechtbank.
Blijvend binnen het raam van het hier van toepassing zijnde
vervoersregime kan ook de Raad niet vinden dat met de aan A. ter
beschikking gestelde combinatie van vervoersvoorzieningen geen
verantwoorde tegemoetkoming is geboden met betrekking tot zijn binnen
voormeld kader in aanmerking te nemen verplaatsingen in zijn (directe)
leefomgeving. Hoe begrijpelijk zijn wens om met de door hem verzochte
voorziening tot een 'optimalisering' van de hem reeds verstrekte
vervoersmiddelen te geraken op zich zelf ook is, gelet op het
vorenoverwogene kan de in geding zijnde afwijzing de rechterlijke toets
doorstaan.
Hetgeen zijdens A. is aangevoerd heeft de Raad niet van het tegendeel
overtuigd.
Naar in het vorenovergaande ligt besloten faalt het ingestelde hoger
beroep. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling
in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. D.J. van der Vos
en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 1998.
(get.) M.I.
't Hooft.
(get.) M. Nieuwenhuis.
|
|