|
Uitspraak
00/979
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W.D.T.D Wiarda, advocaat te Amsterdam, op bij
aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder
dagtekening 12 januari 2000 tussen partijen gegeven uitspraak.
Gedaagde heeft bij schrijven van 27 juli 2000 (met bijlagen) van verweer
gediend.
Desverzocht heeft appellant bij brief van 1 augustus 2000 nog een aantal
stukken ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 7 september 2000 (met bijlagen) hierop een
reactie gegeven.
Appellant heeft daarop bij brief van 25 september 2000 een commentaar
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26
september 2000, waar appellant is verschenen bij mr. P.A. de Jong, kantoorgenoot van mr. Wiarda, voornoemd, en drs. N.V.M.
Pavelková, Chef Beroep van de Concernafdeling Juridische Zaken van de
Sociale Dienst Amsterdam. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan
door mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, als haar raadsman.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1947, is bij besluit van 15 oktober 1997 over de
periode van 1 oktober 1997 tot en met 30 september 1998 door appellant
in aanmerking gebracht voor een vervoersvoorziening, bestaande uit het
recht op deelname aan het in de gemeente Amsterdam bestaande systeem van
Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) en een financiële tegemoetkoming van
f 800,--. Dit besluit is genomen op grond van het bepaalde in de op de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) steunende Verordening
voorzieningen gehandicapten van de gemeente Amsterdam (de Verordening).
Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
Op 5 november 1997 heeft gedaagde appellant verzocht haar op grond van
de Verordening in aanmerking te brengen voor een bruikleenauto. Bij
besluit van 2 december 1997 heeft appellant deze aanvraag overeenkomstig
het daartoe strekkend advies van de Stichting Tot & Met afgewezen,
op de grond dat de gevraagde voorziening medisch niet noodzakelijk was
en gedaagde gebruik kon maken van het AOV en de haar ter beschikking
staande hulpmiddelen (een elektrische rolstoel en een
rolstoelzelfbeweger).
In de bezwaarfase van dit geding heeft gedaagde aangevoerd dat zij door
haar medische klachten, in het bijzonder frequente blaasontstekingen en
longklachten, belemmerd werd van het AOV gebruik te maken. Appellant
heeft, na opnieuw advies gevraagd te hebben van de Stichting Tot & Met, bij besluit van 29 mei 1998 (het bestreden besluit) de
afwijzing van de gevraagde bruikleenauto gehandhaafd. Daarbij is
overwogen dat gedaagde met het AOV kan reizen en dat zij zich kan laten
vervoeren door een taxi en door derden, zodat zij niet uitsluitend is
aangewezen op het vervoer per eigen auto.
In beroep in eerste aanleg heeft gedaagde opnieuw het ook in bezwaar
door haar centraal gestelde standpunt ingenomen dat het AOV gezien haar
medische beperkingen geen adequate voorziening was. Daarbij heeft
gedaagde gesteld dat het AOV bovendien niet functioneerde.
Appellant heeft in zijn opvatting volhard dat gedaagde op grond van de
medische beoordeling van haar klachten niet voor een bruikleenauto in
aanmerking kwam. Ten aanzien van het functioneren van het AOV heeft
appellant aangevoerd dat er zich weliswaar in het verleden problemen
hadden voorgedaan op het terrein van onder meer bereikbaarheid en op
tijd rijden, maar dat het AOV inmiddels binnen in redelijkheid te
stellen eisen functioneerde en als zodanig een adequate voorziening
vormde als bedoeld in de Verordening en de Wvg.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat het door appellant in het kader van artikel 3.1 van de Verordening
ten aanzien van vervoersvoorzieningen gevoerde beleid, onder meer
inhoudende dat geen bruikleenauto wordt verstrekt als er geen medische
belemmeringen zijn om van het AOV gebruik te maken, binnen de grenzen
van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
Voorts heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat er onvoldoende
aanleiding was om de medische beoordeling door de adviseur van de
Stichting Tot & Met voor onjuist te houden of onvolledig te achten.
Uit die beoordeling bleek niet, aldus de rechtbank, dat gedaagde om de
door haar opgegeven redenen van het AOV of een taxi geen gebruik kon
maken.
Ten aanzien van het AOV is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat dit
geen adequate voorziening was, omdat aan de door appellant zelf
geformuleerde eisen in termen van stiptheid (inhoudende dat de klant
binnen een marge van vijftien minuten vóór en na de afgesproken tijd
werd opgehaald) en telefonische bereikbaarheid (beantwoording van een
telefoonoproep binnen één minuut) niet werd voldaan en in een systeem
van adequate aanvullende voorzieningen voor calamiteiten niet was
voorzien.
De rechtbank heeft daarop het bestreden besluit tot afwijzing van een
bruikleenauto, dat juist steunt op de mogelijkheid voor gedaagde om van
het AOV gebruik te maken, wegens een ondeugdelijke motivering
vernietigd.
In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, erop gewezen dat
gedaagde geen bezwaar had gemaakt tegen de eerdere haar bij besluit van
15 oktober 1997 voor de periode 1 oktober 1997 tot en met 30 september
1998 toegekende vervoersvoorziening in de vorm van deelname aan het AOV
met een financiële tegemoetkoming van f 800,-- en dat de rechtbank ten
onrechte, te weten in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste
lid, van de Awb, het geschil tussen partijen over de vraag of het AOV
een adequate voorziening was over deze gehele periode heeft doen
uitstrekken, nu het bestreden besluit tot afwijzing van de bruikleenauto
beperkt was tot de periode vanaf de datum van aanvraag, 5 november 1997,
tot en met de datum van het besluit in primo, 2 december 1997. Voorts
heeft appellant uitvoerig betoogd dat weliswaar het AOV ten tijde van
het bestreden besluit niet optimaal functioneerde, maar dat (in
combinatie met de toegekende financiële tegemoetkoming) toch sprake was
van een nog als adequaat te beschouwen vervoersvoorziening als bedoeld
in de Wvg en de Verordening. Ten slotte heeft appellant zich op het
standpunt gesteld dat de vraag of gedaagde uit medisch oogpunt van het
AOV gebruik kon maken in hoger beroep niet meer aan de orde kan komen,
omdat de rechtbank die vraag bevestigend heeft beantwoord en gedaagde
zelf geen hoger beroep heeft ingesteld.
Gedaagde heeft van haar kant erop gewezen dat het bestreden besluit,
gelet op het karakter van de bezwaarprocedure, zich uitstrekt over de
periode vanaf de datum van aanvraag tot en met de datum waarop dit
besluit is genomen. Voorts heeft gedaagde met verwijzing naar en
bespreking van het aantal geregistreerde klachten over het AOV haar
standpunt gehandhaafd dat het AOV geen adequate voorziening was. Ten
slotte heeft gedaagde opnieuw aangevoerd, onder overlegging van een
brief van 24 juli 2000 van haar behandelend longarts I. Kok, dat zij om
medische redenen niet van het AOV gebruik kan maken.
De Raad overweegt als volgt.
De partijen mede verdeeld houdende vraag op welke periode het bestreden
besluit tot afwijzing van de gevraagde bruikleenauto ziet, beantwoordt
de Raad met gedaagde in die zin dat daarvoor bepalend is de datum van
aanvraag en de datum van het bestreden besluit, derhalve de periode van
5 november 1997 tot en met 29 mei 1998.
Centraal in dit geding staat de vraag of de bij het bestreden besluit
van 29 mei 1998 gehandhaafde afwijzing van een bruikleenauto in
evenvermelde periode door appellant stand kan houden. Die afwijzing is
mede gegrond op de overweging dat gedaagde onder meer gebruik kon maken
van het AOV, waarvoor zij eerder al in aanmerking was gebracht. In
eerste aanleg heeft partijen in het kader van die afwijzing in het
bijzonder verdeeld gehouden de vraag of het AOV voor gedaagde een
adequate voorziening was, waarbij zowel aan de orde was of gedaagde uit
medisch oogpunt van het AOV gebruik kon maken als ook of het AOV
overigens een voor gedaagde verantwoorde voorziening was. Die vraag
heeft de rechtbank onder verwijzing naar het gebrekkig functioneren van
dit vervoersysteem uiteindelijk ontkennend beantwoord.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank
gekeerd en gepersisteerd bij het standpunt dat het AOV voor gedaagde een
verantwoorde voorziening was. Gedaagde heeft bij verweerschrift dit
opnieuw bestreden, onder meer omdat zij in verband met haar medische
beperkingen daarvan geen gebruik kon maken. Aldus vergt de vraag of het
AOV voor gedaagde een adequate voorziening was in dit geding ook een
beoordeling van de medische aspecten. Hieruit volgt dat de Raad
appellant niet volgt in zijn zienswijze dat in het geding in hoger
beroep de medische beoordeling niet meer aan de orde kan komen. De Raad
heeft daarbij in aanmerking genomen dat de beantwoording van de vraag of
een vervoersvoorziening in een concreet geval een verantwoorde
voorziening kan worden gevonden doorgaans een beoordeling van onder meer
medische en vervoerstechnische feiten en waarderingen betreft die
onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.
Ten aanzien van de vraag of gedaagde uit medisch oogpunt van het AOV
gebruik kan maken merkt de Raad allereerst op dat die vraag al eerder
door appellant bevestigend is beantwoord in het kader van het besluit
van 15 oktober 1997, waarbij gedaagde voor de duur van de periode van 1 oktober 1997 tot en met 30 september 1998 voor het AOV in aanmerking
is gebracht. Dit besluit steunt op een door de Stichting Tot & Met
op 3 oktober 1997 na overleg met gedaagdes huisarts uitgebracht advies,
waarbij het eerder al door de ZVN-arts P.J. Bijlsma op 8 februari 1996
uitgebrachte advies werd onderschreven dat er geen medische
belemmeringen voor gedaagde waren om van het AOV gebruik te maken.
Voorts zijn gedaagdes medische beperkingen opnieuw beoordeeld in het
kader van het aan het thans bestreden besluit voorafgaande besluit in
primo van 2 december 1997. De Stichting Tot & Met heeft bij
gedocumenteerd advies van 6 november 1997 geadviseerd gedaagde niet in
aanmerking te brengen voor een bruikleenauto, omdat zij onder meer van
het AOV gebruik kon maken. Dit advies werd op 20 november 1997 nog door
het medisch en verpleegkundig multidisciplinair indicatieteam van
voormelde stichting onderschreven. In de bezwaarfase van dit geding is
bij brief van 13 maart 1998 door de Stichting Tot & Met bericht dat
voormeld advies tot stand was gekomen na ontvangst van inlichtingen van
de huisarts en na telefonisch en schriftelijk contact met de behandelend
longarts dr. Sutedja.
De in hoger beroep door gedaagde overgelegde verklaring van 24 juli 2000
van de longarts I. Kok geeft de Raad geen aanleiding te veronderstellen
dat de medische beperkingen van gedaagde ten tijde hier in geding door
appellant zijn onderschat. Deze verklaring betreft de medische situatie
van gedaagde in de periode van augustus tot oktober 1999 en houdt
overigens ook niet in dat gedaagde op medische gronden geen gebruik kan
maken van het AOV.
De Raad onderschrijft derhalve voor de periode hier in geding het
oordeel van de rechtbank dat gedaagde uit medisch oogpunt van het AOV
gebruik kon maken.
Thans komt de Raad toe aan de vraag of het AOV gelet op de wijze waarop
dit functioneerde in de periode van 5 november 1997 tot 29 mei 1998 als
verantwoorde voorziening voor gedaagde kan worden aangemerkt.
Zoals de Raad al vele keren heeft overwogen heeft de wetgever bewust
ruimte gelaten aan de gemeenten om naar eigen beleidsinzicht aan de in
de Wvg gegeven opdracht om verantwoorde voorzieningen voor gehandicapten
te treffen gestalte te geven.
De raad van de gemeente Amsterdam heeft bij het vaststellen van de
Verordening van de hem door de wetgever toegekende beleidsruimte in dier
voege gebruik gemaakt dat hij prioriteit heeft verleend aan het daarbij
geïntroduceerde systeem van het AOV. Gelet op de kenmerken van dit
systeem wijkt dit niet in relevante mate af van het collectief vervoer
voor gehandicapten, zoals dit in veel andere gemeenten is ingevoerd, en
waarvan de Raad al eerder heeft geoordeeld dat daarmee een verantwoorde
vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3 van de Wvg is getroffen.
Gedaagde bestrijdt op zich de waarde van het AOV als vervoersysteem
niet, maar meent dat dit in de gemeente Amsterdam in de litigieuze
periode zodanig gebrekkig heeft gefunctioneerd dat moet worden gesproken
van een niet adequate voorziening.
De Raad stelt voorop dat in een geding als het onderhavige de vraag moet
worden beantwoord of het AOV in de concrete situatie van de
gehandicapte, in casu gedaagde, een verantwoorde voorziening was.
De Raad constateert op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting dat gedaagde een beperkt aantal keren van het AOV gebruik heeft
gemaakt en dat zij stelt om medische redenen daarmee te zijn gestopt.
Zij heeft desgevraagd niet kunnen aangeven dat zij van het AOV geen
gebruik heeft kunnen maken omdat dit niet of slecht functioneerde.
Daarbij heeft gedaagde erop gewezen dat zij in de litigieuze periode de
beschikking had over een eigen auto waarmee zij voornamelijk in haar
vervoersbehoefte voorzag.
Het vorenoverwogene mede in aanmerking genomen ziet de Raad in de
voorhanden gegevens van algemene aard onvoldoende aanknopingspunten voor
het oordeel dat het AOV in de gemeente Amsterdam in de periode in geding
zodanig gebrekkig functioneerde dat in het onderhavige geval om die
reden gezegd moet worden dat het geen verantwoorde voorziening was.
Weliswaar is het voor de Raad wel duidelijk geworden dat het
functioneren van het AOV met regelmaat een bron van zorg is geweest
binnen de gemeente Amsterdam, maar anderzijds moet worden vastgesteld
dat in de eerste helft van 1998 op grond van de aan de Raad
gepresenteerde gegevens over het aantal uitgevoerde ritten (circa
400.000) in verhouding tot het aantal geregistreerde (telefonische en
schriftelijke) klachten (circa 2500) geen sprake was van een zodanig
gebrekkig functioneren dat in de situatie van gedaagde niet meer van een
adequate voorziening kan worden gesproken. Ook overigens acht de Raad
ten tijde hier in geding daarvan in het onderhavige geval onvoldoende
gebleken.
Gedaagde heeft ter zitting nog wel aangegeven dat het aantal klachten
over het AOV bij nader inzien voor het functioneren ervan geen maat
vormt, maar de Raad gaat daaraan voorbij. Gedaagde heeft nog bij
verweerschrift in hoger beroep juist het gebrekkig functioneren van het
AOV geadstrueerd aan de hand van de geregistreerde klachten daarover.
Naar in het hiervoor overwogene ligt besloten onderschrijft de Raad op
dit punt de zienswijze van de rechtbank niet en dient het inleidend
beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17
oktober 2000.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|