|
Uitspraak
00/4977
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 23 maart 1999 is aan appellant op grond van de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen
gehandicapten gemeente Geldermalsen (hierna: de Verordening) met ingang
van 1 april 1999 een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van
deelname aan het collectief vervoerssysteem. Tevens is bij dat besluit
bepaald dat de aan appellant verstrekte financiële tegemoetkoming in
het gebruik van een eigen auto of taxi met ingang van dezelfde datum
wordt ingetrokken.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 20 juli 1999 het bezwaar
van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft het beroep tegen het
bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak van 11 september 2000
ongegrond verklaard. Naar deze uitspraak wordt hier verwezen.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift en stukken ingezonden.
Appellant heeft zijn standpunt bij brieven van 20 december 2000, 5
februari 2001, 16 februari 2001 en 19 april 2001 nader onderbouwd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 april 2001.
Partijen zijn daar niet verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad gedaagde bij brief van
11 april 2001 verzocht stukken in te zenden. Gedaagde heeft deze stukken
bij brief van 10 mei 2001 ingezonden.
Appellant heeft bij brief van 14 mei 2001 een reactie ingezonden.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 27 juni
2001. Appellant is daar niet verschenen. Gedaagde, opgeroepen om bij
gemachtigde ter zitting te verschijnen, heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door J.W. van der Steen, werkzaam bij de gemeente
Geldermalsen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiser, die sedert zijn vijfenvijftigste jaar blijvend
beenletsel heeft en voorts last heeft ven nek- en longklachten, ontving
van 1 november 1994 tot 1 april 1999 een vervoersvoorziening in de vorm
van een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer. Verweerder
heeft hiertoe besloten gelet op het advies van de Gemeenschappelijke
Gezondheidsdienst Rivierenland (GGD) van 29 maart 1995, waarin een
vervoersvoorziening is geïndiceerd. Uit dit overigens summiere advies
blijkt dat eiser voor de lokale vervoersbehoefte gebruik kan maken van
het collectief vervoer en voor de bovenregionale vervoersbehoefte van
een ketenkaart. Daar verweerder ten tijde van de toekenning van de
vervoersvoorziening geen collectieve vervoerssysteem kende, is aan eiser
een financiële tegemoetkoming verstrekt. Verweerder heeft besloten tot
invoering van een collectief vervoerssysteem met ingang van 1 april
1999, hetgeen bij brief van 15 januari 1999 aan eiser is medegedeeld.
Eiser beschikt over een Arola, die hij zelf heeft aangeschaft en
bekostigd. De financiële tegemoetkoming gebruikte eiser ten behoeve van
het gebruik van de Arola.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat bij de invoering van de
Wvg in 1994, en derhalve bij de toekenning van een voorziening aan eiser
per 1 november 1994, een systeem van collectief vervoer in verweerders
gemeente ontbrak. Derhalve kregen gehandicapten, die in beginsel wel
gebruik konden maken van het collectief vervoer, niettemin een
individuele vervoerskostenvergoeding verstrekt. De gemeenteraad heeft op
17 december 1998 besloten met ingang van 1 april 1999 collectief vervoer
in te voeren, hetgeen zal worden aangemerkt als een voorliggende
voorziening op een individuele vervoersvoorziening. Hiermee is gekozen
voor het primaat van een collectief vervoerssysteem. Eiser komt niet in
aanmerking voor ontheffing van deelname aan het collectief
vervoerssysteem op de grond dat hij over een Arola beschikt. Eiser heeft
de Arola niet toegekend gekregen van verweerder daar hij hier geen
medisch advies voor heeft, doch heeft deze zelf - met zijn inmiddels
overleden broer - aangeschaft. Ook komt hij niet in aanmerking voor een
ontheffing van deelname aan het collectief vervoer op andere gronden,
gelet op het medisch advies van de GGD van 29 maart 1995. Eiser kan zich
met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat nu hij
reeds over een Arola beschikt, het niet redelijk is om hem geen financiële
vergoeding meer te geven, doch hem te verplichtten gebruik te maken van
het collectief vervoerssysteem. Het collectief vervoerssysteem is voor
eiser niet adequaat. Bovendien zijn de kosten daarvan een veelvoud van
de kosten die het gebruik van de Arola met zich meebrengen. Daarnaast
dreigt eiser in een sociaal isolement te geraken indien hij voor het
leven van alledag is aangewezen op het collectief vervoer. Het komt
eiser vreemd voor dat hij een perfect vervoermiddel heeft, doch deze
niet kan gebruiken bij gebreke van een financiële tegemoetkoming. Het
bestreden besluit is volgens eiser niet zorgvuldig voorbereid. Het
laatste medisch onderzoek in het kader van de vervoersvoorziening
dateert uit 1997. Verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of eiser
inmiddels geïndiceerd is voor een Arola. Tot slot is namens eiser
opgemerkt dat strikte toepassing van de gemeentelijke verordening leidt
tot onbillijkheden van overwegende aard, zodat verweerder met een beroep
op de hardheidsclausule had moeten afwijken van het gestelde in de
verordening."
De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond
verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen:
"Verweerder heeft onder meer met artikel 3.1 van de
Verordening invulling gegeven aan de hem in artikel 2 en 3 van de Wvg
opgedragen taak om doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte
voorzieningen op te zetten ter bevordering van de deelneming aan het
maatschappelijk verkeer van ter plaatse wonende gehandicapten. De
wetgever heeft hierbij bewust ruimte gelaten aan gemeenten om naar eigen
beleidsinzicht vorm te geven aan die opdracht. Gelet op het voorgaande
stond het verweerder naar het oordeel van de rechtbank vrij om bij en
krachtens de Verordening te kiezen voor een ander - minder kostbaar -
systeem van vervoersvoorzieningen dan bij invoering van de gemeentelijke
zorgplicht voor gehandicapten bestond. Dit neemt niet weg dat verweerder
zowel bij de vaststelling als bij de toepassing van de Verordening
gehouden is tot inachtneming van de in voormelde bepalingen van de Wvg
globaal gegeven ondergrens.
Dit laatste brengt met zich dat aan gehandicapten, van wie in
redelijkheid kan worden gevergd dat zij zich zekere opofferingen
getroosten en keuzes maken, bij wijze van vervoersvoorziening tenminste
een zodanige tegemoetkoming moet worden geboden dat - bijzondere
omstandigheden daargelaten - binnen het naaste woon- en leefmilieu nog
in aanvaardbare mate aan het leven van alledag kan worden deelgenomen en
dat de daaraan voor gehandicapten verbonden kosten geen belemmering
daarvoor mogen vormen. Hieronder valt in beginsel niet het bezoeken van
verder verwijderde sociale contacten. Dit is slechts anders indien
aangetoond dan wel anderszins duidelijk is dat er dusdanige essentiële,
slechts door persoonlijk bezoek in stand te houden, bovenregionale
contacten zijn, dat beknotting daarvan zal leiden tot sociaal isolement
of een staat van vereenzaming. Naar het oordeel van de rechtbank is van
dit laatste in het geval van eiser geen sprake en moet hij met de
collectieve vervoersvoorziening geacht worden in voldoende mate te
kunnen deelnemen aan het leven van alledag in zijn naaste woon- en
leefmilieu.
De rechtbank overweegt voorts dat volgens vaste jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep een gemeente met de keuze voor het zogenaamde
primaat van het collectief vervoer, waarbij andere vervoersvoorzieningen
slechts worden aangeboden voorzover het collectief vervoer niet als
adequaat kan worden aangemerkt, blijft binnen de grenzen van zijn
regelgevende bevoegdheid. Gegeven de keus voor een collectief
vervoerssysteem heeft de gemeente er voorts een aanzienlijk belang bij
dat van de gehandicapten die in aanmerking komen voor een
vervoersvoorziening, er zoveel als mogelijk is aan het collectief
vervoer deelnemen. Indien vaststaat dat een gehandicapte in staat is
gebruik te maken van een beschikbaar collectief vervoerssysteem, maakt
het enkele feit dat de kosten van een door de betrokkene gewenste andere
vervoersvoorziening lager zijn dan de (tot de individuele deelnemer
herleide) kosten van het collectief vervoerssysteem, volgens de Centrale
Raad van Beroep niet dat deelname aan het collectief vervoerssysteem
niet een verantwoorde voorziening in de zin van de Wvg zou zijn. Noch
dient dit te leiden tot toepassing van de hardheidsclausule.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte heeft
nagelaten medisch advies in te winnen, overweegt de rechtbank het
volgende.
Ingevolge artikel 6, tweede lid van de Verordening vragen burgemeester
en wethouders om advies aan een daartoe aangewezen adviesinstantie
indien:
a. de aanvraag betrekking heeft op ten minste twee van de drie terreinen
woonvoorzieningen vervoersvoorzieningen, of rolstoelen;
b. burgemeester en wethouders dat overigens gewenst vinden.
De rechtbank merkt op dat, daargelaten voornoemde bepaling van de
Verordening, artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het
bestuursorgaan, dat met besluitvorming is belast, in de eerste plaats
eist dat het de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de
af te wegen belangen. Indien, zoals in het onderhavige geval, voor het
vaststellen van die feiten mede gebruik moet worden gemaakt van
deskundigheid waarover het bestuursorgaan niet zelf beschikt, kan
gebruik worden gemaakt van advisering door daartoe door het
bestuursorgaan in te schakelen deskundige adviseurs.
Artikel 3:9 van de Abw verlangt dan van het bestuursorgaan dat van
zodanige adviezen gebruik maakt, dat het zich ervan vergewist dat het
door de adviseur verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft
plaatsgevonden. Om die reden kan van een deugdelijk advisering, die het
bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan, slechts sprake
zijn indien uit die adviezen blijkt op basis van welke gegevens deze tot
stand zijn gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van die
adviezen is gevolgd.
Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend advies van de GGD
voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan voornoemde eisen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat bij overgang van een individuele
naar een collectieve vervoersvoorziening niet in alle gevallen voor
verweerder een verplichting bestaat tot het doen instellen van een
hernieuwd medisch onderzoek. Het geheel van de ten aanzien van een
betrokkene voordoende feiten en omstandigheden ten tijde van de
ingangsdatum van het nieuwe Wvg-besluit tot de datum van het eventueel
op het bezwaarschrift genomen besluit alsmede de inzichtelijkheid van
het bestaande medisch advies, zal hierbij een rol spelen.
Aangezien gesteld noch is gebleken dat de medische beperkingen van eiser
sinds het uitbrengen van bedoeld advies zijn toegenomen terwijl evenmin
is komen vast te staan dat er zich sedertdien in de ten aanzien van
eiser voordoende feiten en omstandigheden, zodanige wijzigingen hebben
voorgedaan dat aangenomen zou moeten worden dat het aangewende medisch
advies zijn geldingskracht geheel of gedeeltelijk zou hebben verloren en
bovendien dat er advies voldoende inzichtelijk is, heeft verweerder naar
het oordeel van de rechtbank kunnen afzien van het opnieuw vragen van
een medisch advies.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt het GGD-advies voorts voldoende
basis voor het standpunt van verweerder dat het collectief vervoer voor
eiser een adequate voorziening is.
De rechtbank overweegt tenslotte dat, gelet op alle van belangzijnde
feiten en omstandigheden, niet gesteld kan worden dat verweerder in
redelijkheid niet heeft kunnen besluiten niet met gebruikmaking van de
zogenoemde hardheidsclausule ten gunste voor eiser van de Verordening af
te wijken."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de Arola op eigen
kosten heeft aangeschaft en dat hij van het gebruik ervan geen afstand
wenst te doen. De Arola stelt hem naar zijn mening, anders dan de
deeltaxi, die hij inefficiënt acht, optimaal in staat om te voorzien in
zijn vervoersbehoefte. Hij heeft uitsluitend een AOW-pensioen en hij
heeft de financiële tegemoetkoming nodig voor het onderhoud en gebruik
van de Arola. Hij vindt het kapitaalvernietiging als hij er niet mee kan
rijden. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat het collectief vervoer
(voor hem) duurder is dan het gebruik van zijn Arola.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden
besluit neergelegde standpunt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat
appellant niet behoort tot de categorieën van personen die zijn
uitgezonderd van deelname aan het collectief vervoer. Daarnaast acht
gedaagde de afbouw/overgangsregeling voor autobezitters op appellant
niet van toepassing aangezien de Arola geen auto - in de zin van de
afbouw/overgangsregeling - is.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit, waarbij de aan appellant toegekende financiële tegemoetkoming
in de kosten van het eigen vervoer per auto of per taxi met ingang van 1
april 1999 is ingetrokken, in rechte stand kan houden. Het volgende
wordt overwogen.
Vooropgesteld moet worden dat een gemeentebestuur als gedaagde blijkens
artikel 3 van de Wvg slechts gehouden is om verantwoorde voorzieningen
aan te bieden, waaruit volgens vaste jurisprudentie van de Raad
voortvloeit dat - voor zover het om vervoer gaat - zodanige
voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende
gehandicapten daardoor ten minste in staat worden gesteld om in hun
directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te
onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Daarbij geldt
dat bijzondere individuele omstandigheden - wanneer deze bij toekenning
van de goedkoopste adequate voorziening zouden leiden tot bijvoorbeeld
dreigend sociaal isolement bij het niet kunnen onderhouden van essentiële
bovenregionale contacten - een gemeentebestuur ertoe kunnen nopen andere
(duurdere) voorzieningen toe te kennen.
Hiervan uitgaande is de Raad tot de conclusie gekomen dat gedaagde zich
terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 april 1999 in
aanmerking kwam voor deelname aan het per die datum in het leven
geroepen collectief vervoer in de gemeente Geldermalsen. De Raad kan
zich in grote lijnen verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande in
de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Appellant heeft op dit punt in
hoger beroep geen onderbouwde gezichtspunten naar voren gebracht die
leiden tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
De Raad kan zich evenwel niet verenigen met het standpunt van gedaagde
dat de aan appellant toegekende financiële tegemoetkoming met ingang
van die datum ingetrokken diende te worden.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad blijkt
dat voor bezitters van een eigen auto, aan wie een financiële
tegemoetkoming is verstrekt, met ingang van 1 april 1999 de mogelijkheid
is geboden te kiezen voor een geleidelijke afbouw van deze
tegemoetkoming. Gedaagde heeft deze mogelijkheid, naar ter zitting van
de Raad vanwege gedaagde is aangegeven, niet aan appellant aangeboden
omdat appellant niet in het bezit is van een auto, maar van een Arola.
De Raad ontgaat waarom het aldus benadrukte verschil, gezien de uit de
gedingstukken naar voren komende grondslag en strekking van de
afbouw/overgangsregeling, van betekenis zou kunnen zijn voor het niet
aanbieden van de mogelijkheid van een afbouwregeling aan appellant.
Gedaagde heeft geenszins aannemelijk kunnen maken dat er goede gronden
zijn om appellant niet voor deze afbouwregeling in aanmerking te
brengen.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde
in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand
kan blijven. Dit besluit dient te worden vernietigd, evenals de
aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde
zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Met betrekking tot het verzoek van gedaagde om schadevergoeding merkt de
Raad op dat het appellant vrijstaat zich ter zake hiervan tot gedaagde
te richten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordeling in de proceskosten van appellant in beroep.
Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand.
Van andere, voor vergoeding in aanmerking komende, proceskosten is de
Raad niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht dient te worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een
bedrag groot f 1.420,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 230,--
vergoedt;
Wijst de gemeente Geldermalsen aan als de rechtspersoon die deze kosten
en dit recht dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. Male en
mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8
augustus 2001.
(get.) M.I.
't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|