|
Uitspraak
01/675
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft gedaagde afwijzend beschikt op de
aanvraag van appellante, om haar ingevolge de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) en de gemeentelijke Verordening voorzieningen
gehandicapten (Verordening) in aanmerking te brengen voor een
bruikleenauto en een daarmee verband houdende vervoerskostenvergoeding.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit bij
besluit van 17 maart 2000 gegrond verklaard en haar ingaande 26 november
1997 een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een financiële
tegemoetkoming in de vervoerkosten van in beginsel f 1.700,-- per jaar
en bepaald dat het recht op deze vergoeding slechts bestaat indien en
voorzover appellante door middel van betaalbewijzen aantoont dat ze
vervoerkosten heeft gemaakt; voor het overige heeft gedaagde haar
bezwaar ongegrond verklaard.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij
uitspraak van 14 december 2000 het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 september 2001,
waar voor appellante is verschenen mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te
Leeuwarden, vergezeld van [C.], zoon van appellante, E.H. Vrouwe,
behandelend psycholoog van appellante en J.S. Postema, psycholoog.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Inia en P.C. Caron,
beiden werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de relevante feiten en de toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen
uitspraak.
De in dit geding aan de orde zijnde vraag of het bestreden besluit in
rechte stand kan houden en gedaagde op goede gronden heeft geweigerd om
appellante een bruikleenauto te verstrekken onder toekenning van een
financiële tegemoetkoming van f 1.700,-- per jaar is door de rechtbank
bevestigend beantwoord. Daartoe is bij de aangevallen uitspraak het
volgende overwogen:
"In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is
bepaald dat een vervoersvoorziening primair is bedoeld om binnen de
woon- en leefomgeving van de betrokkene sociale contacten te onderhouden
en deel te nemen aan het leven van alledag. Het bezoek aan elders
wonende familie en vrienden dient daarbij, behoudens in die gevallen
waarin de betrokkene in een sociaal isolement zou dreigen te geraken,
buiten beschouwing te blijven. Ten slotte behoeft er bij de vraag of een
vervoersvoorziening is aangewezen niet van te worden uitgegaan dat alle
bij de betrokkene levende wensen voor vervulling in aanmerking dienen te
komen.
Verzoekster woont met haar dochter en een zoon zelfstandig in [B.]. In
haar naaste woon- en leefmilieu onderhoudt zij contacten met haar
ouders, haar broer, en haar zuster. De president stelt vast dat
verzoekster binnen de directe woon- en leefomgeving daarmee voldoende
sociale contacten heeft om te voorkomen dat verzoekster in een sociaal
isolement dreigt te geraken. Gelet op de hierboven genoemde
jurisprudentie hoeft bij de keuze van een vervoersvoorziening voor
verzoekster geen rekening te worden gehouden met de bovenregionale
bezoeken die zij incidenteel van wekelijks tot jaarlijks wenst af te
leggen. In dat verband merkt de president nog op dat verweerders
commissie er in het advies bovendien terecht op heeft gewezen dat van
familieleden hierbij in zeker opzicht ook bepaalde inspanningen mogen
worden verwacht.
In het licht van het bovenstaande acht de president het dan ook niet
onredelijk dat verweerder heeft gekozen voor de verstrekking van een
jaarlijkse individuele vervoersvergoeding als de meest goedkope adequate
vervoersvoorziening. Deze voorziening zal onder meer kunnen worden
aangewend voor het huren van een auto bij een verhuurbedrijf. Uit
genoemd rapport van drs. Postema is de president niet gebleken dat een
onhoudbare situatie zal ontstaan, waarbij sprake is van een sociaal
isolement of van vervreemding, als verzoekster niet de permanente
beschikking over een bruikleenauto zou krijgen. Dit laatste kan evenmin
worden afgeleid uit de zich in het dossier bevindende brieven en de
toelichting ter zitting van verzoeksters behandelend psycholoog drs.
Vrouwe.
In het bijzonder gelet op de inhoud van het rapport van drs. Postema en
op de brief van verweerder van 1 december 2000 is de president van
mening dat verzoekster met behulp van de door verweerder ter beschikking
gestelde vergoeding in staat zal zijn af en toe een auto te huren,
waarbij er voor kan worden gezorgd dat zij dezelfde auto kan gebruiken
welke ook nog wordt gebracht en gehaald. Onder deze omstandigheden moet
de door verweerder aangeboden voorziening als adequaat worden
beschouwd."
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de Commissie van
advies voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Leeuwarden,
wier advies van 28 februari 2000 ten grondslag ligt aan het bestreden
besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 7:13 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) slechts heeft bestaan uit een voorzitter en één
lid, hetgeen gelet op 's Raads uitspraak van 21 oktober 1999,
gepubliceerd in AB 2000, 42, moet leiden tot vernietiging van het
bestreden besluit. Het nieuw uit te brengen advies zal volgens
appellante kunnen leiden tot een voor haar gunstiger uitslag met
betrekking tot de aangevraagde bruikleenauto.
Voorts is aangevoerd dat appellante als gevolg van haar sociale fobie
niet met onbekenden kan samenreizen. Uit de diverse medische
verklaringen kan, zo meent appellante, worden geconcludeerd dat zij in
een sociaal isolement verkeert en dat alleen een vervoersvoorziening in
de vorm van een aan haar beschikbaar gestelde auto haar situatie kan
verbeteren en afzakking naar een totaal isolement kan voorkomen. Het
reizen met een huurauto is geen goede oplossing en zou zelfs een
verergering van haar situatie kunnen betekenen, zo blijkt volgens
appellante uit het rapport van 28 september 1999 van A.N. van Dijk, arts bureau Wvg, de brief van 25 januari 2001 van E.H.
Vrouwe en het rapport van 11 september 1999 van J.S. Postema.
Gedaagde heeft in hoger beroep erkend, dat de Commissie van advies voor
de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Leeuwarden in strijd met
het bepaalde in artikel 7:13 van de Awb niet heeft bestaan uit ten
minste een voorzitter en twee leden. Gedaagde stelt zich evenwel op het
standpunt dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit
dientengevolge onzorgvuldig tot stand is gekomen; hij acht het niet
aannemelijk dat een andere samenstelling van de commissie tot een ander
oordeel zou hebben geleid. Het bestreden besluit kan volgens gedaagde in
stand blijven.
Aan de weigering om een bruikleenauto te verstrekken heeft gedaagde ten
grondslag gelegd dat volstaan kan worden met een goedkopere adequate
vervoersvoorziening in de vorm van een jaarlijkse individuele
vervoersvergoeding van f 1.700,--. Met dit bedrag kan zij haar
familieleden een vergoeding geven wanneer zij door hen wordt vervoerd of
gebruik maakt van hun auto. Voorts kan zij het bedrag aanwenden om
incidenteel een auto te huren bij een commercieel bedrijf.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad is van oordeel dat nu gedaagde, zoals hij heeft erkend, zich in
de bezwaarprocedure in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, eerste
lid, onder a, van de Awb heeft laten adviseren door een commissie die
slechts heeft bestaan uit een voorzitter en één lid, het bestreden
besluit niet in rechte stand kan houden en dient te worden vernietigd.
De Raad ziet echter aanleiding om op grond van het hierna overwogene de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
Vooropgesteld moet worden dat een gemeentebestuur blijkens artikel 3 van
de Wvg gehouden is om verantwoorde voorzieningen aan te bieden, waaruit
volgens vaste jurisprudentie van de Raad voortvloeit dat - voor zover
het om vervoer gaat - zodanige voorzieningen moeten worden geboden dat
de ter plaatse wonende gehandicapten ten minste in staat worden gesteld
om in hun directe leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te
onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Onder dat
laatste valt in beginsel niet het onderhouden van ver verwijderde
sociale contacten. Dat is slechts dan anders indien aangetoond is, dan
wel anderszins duidelijk is komen vast te staan dat er dusdanig essentiële,
slechts door persoonlijk bezoek in stand te houden, bovenregionale
contacten zijn dat beknotting daarvan onder de gegeven omstandigheden
zal leiden tot een staat van vereenzaming of sociaal isolement.
Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake. De Raad wijst er op
dat appellante ten tijde in geding twee inwonende kinderen had, dat haar
vader en broer in de directe leefomgeving woonden dat de verder
verwijderde contacten, waarvan overigens niet is gebleken dat appellante
deze daadwerkelijk onderhield, ook bezoeken kunnen brengen aan
appellante en dat daarbij tevens de mogelijkheid bestaat om schriftelijk
of telefonisch contacten te onderhouden.
De Raad stelt op grond van de zich in het dossier bevindende gegevens,
met name het rapport van 11 september 1999 van J.S. Postema, vast dat de
sociale contacten van appellante in de directe leefomgeving zich ten
tijde in geding vanwege haar sociale fobie beperkten tot vertrouwde
(familie)contacten van haar vader, broer en inwonende kinderen. Zij kwam
de deur nagenoeg niet meer uit, zij nam nauwelijks meer deel aan het
maatschappelijk verkeer. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat
appellante ten tijde in geding slechts een geringe eigen
vervoersbehoefte had in de directe leefomgeving.
Uit voornoemd rapport van Postema en zijn toelichting ter zitting van
deze Raad blijkt dat appellante in staat moet worden geacht zelfstandig
te kunnen reizen met een huurauto, mits dat steeds dezelfde huurauto is
en daarin door appellante vertrouwde accessoires zoals een foto of
kussen geplaatst kunnen worden, hetgeen volgens gedaagde kan worden
gerealiseerd. Dat het reizen met een huurauto op de hiervoor aangegeven
wijze zal leiden tot verslechtering van haar gezondheidstoestand acht de
Raad onvoldoende gebleken. Weliswaar heeft behandelend psycholoog Vrouwe
aangegeven dat de beschikking over een eigen auto voor appellante de
betekenis heeft van een bekende, vertrouwde en voorspelbare omgeving,
doch niet aannemelijk is gemaakt dat een vaste huurauto met accessoires
niet diezelfde betekenis kan hebben voor appellante. De Raad voegt hier
aan toe dat, voor zover met een bruikleenauto een therapeutisch effect
wordt beoogd de verstrekking ervan niet valt onder de in artikel 2 van
de Wvg neergelegde zorgplicht van het gemeentebestuur. Daarnaast was het
voor appellante ten tijde in geding mogelijk met familie mee te rijden
of gebruik te maken van hun auto.
Mede gelet op het ingevolge de Verordening van toepassing zijnde primaat
van de goedkoopst adequate voorziening volgt uit bovenstaande dat
gedaagdes weigering om aan appellante een vervoersvoorziening in de vorm
van een bruikleenauto te verstrekken onder toekenning van een financiële
tegemoetkoming van in beginsel f 1.700,-- die voor het huren van een
auto dan wel anderszins kan worden aangewend in rechte stand kan houden.
Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van
het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Gelast de gemeente Leeuwarden aan appellante het gestorte recht van f
60,-- in beroep en f 170,-- in hoger beroep (totaal f 230,--) te
vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2001.
(get.) M.I.
't Hooft.
(get.) A.H.
Huls.
|
|