|
Uitspraak
00/5900
WVG [lees: 00/5900 AKW, red.]
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde is sinds maart 1995 in dienst van de [X.]stichting, een
zogenoemde AWBZ-instelling (hierna: de instelling) werkzaam als
groepsleidster gezinsverpleging. In die functie is zij onder
verantwoordelijkheid en met begeleiding van haar werkgever in het kader
van (een zorgvernieuwingsproject van) de AWBZ uitsluitend belast met de
verzorging van het door de instelling in haar gezin geplaatst
gehandicapt kind [betrokkene], geboren in 1992.
Als vergoeding voor de door haar aan [betrokkene] te verlenen zorg, waar
onder begrepen opvoeding, ontving gedaagde uit hoofde van de door haar
met de instelling gesloten arbeids- en zorgovereenkomst maandelijks een
loon van f 1.786,- bruto en een tegemoetkoming van f 450,-. Gedaagde is
met de instelling tevens overeengekomen dat de hoogte van die vaste
tegemoetkoming het door het verbindingskantoor AWBZ voor
gezinsverpleging vastgestelde bedrag voor huishoudkosten niet zal
overschrijden, dat zowel gedaagde als [betrokkene] ten laste van de
instelling tegen wettelijke aansprakelijkheid zijn verzekerd alsmede dat
de instelling zal bevorderen dat voorts een bijdrage op declaratiebasis
zal worden verleend voor bijzondere uitgaven, zoals kosten voor
vakantie, recreatie en kleding van [betrokkene].
Ultimo 1997 heeft gedaagde bij appellant een aanvraag ingediend op grond
van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende
gehandicapte kinderen van 7 april 1997, Stcrt. 67, (verder: TOG-regeling).
Daarbij heeft gedaagde vermeld dat [betrokkene]'s moeder de toegekende
kinderbijslag aan haar - gedaagde - overmaakt ten behoeve van
[betrokkene].
Bij primair besluit van 5 maart 1998 heeft appellant die aanvraag
afgewezen.
Naar aanleiding van het daartegen ingesteld bezwaar is vanwege appellant
onder meer informatie ingewonnen omtrent de samenstelling van voormelde
vaste maandelijkse onkostenvergoeding. Voorts heeft appellant zich er
blijkens een onderzoeksnotitie van 22 juli 1998 van vergewist dat de
pleeggeldvergoeding voor gehandicapte kinderen van 6 tot en met
9 jaar ingevolge de Wet op de jeugdhulpverlening maximaal circa f 25,-
per dag bedraagt.
Bij het thans bestreden besluit van 28 oktober 1998 heeft appellant
vervolgens vastgehouden aan zijn in het primair besluit neergelegd
standpunt, inhoudend dat gedaagde, gelet op de tekst en de strekking van
de TOG-regeling, niet in aanmerking komt voor de door haar gevraagde
uitkering.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij tussen partijen gewezen
uitspraak van 11 oktober 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen, het
beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met
inachtneming van die uitspraak.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met in bijlage een notitie
d.d. 30 januari 2001) aangevoerde gronden tegen die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een
verweerschrift in te dienen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 november 2001,
waar voor appellant is opgetreden mr. K.C.M. van Engelenhoven, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank,
en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoeriger weergave van de standpunten van partijen in eerste
aanleg terzake de afwijzing door appellant van gedaagdes aanvraag om een
tegemoetkoming krachtens de TOG-regeling verwijst de Raad naar de
aangevallen uitspraak.
Bij die uitspraak heeft de rechtbank de hiervoor onder I vermelde
zienswijze van appellant verworpen en het bestreden besluit vernietigd.
Daartoe heeft zij met name laten wegen dat de tekst van artikel 5,
eerste en derde lid van de TOG-regeling zich niet (expliciet) verzet
tegen het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van die regeling
in een situatie als de onderhavige, waarin [betrokkene] door gedaagde
nagenoeg als een eigen kind wordt verzorgd en opgevoed, zij het tegen
betaling van salaris aan haar door de instelling.
De Raad staat in dit geding voor de vraag of de rechtbank het bestreden
besluit terecht niet in stand heeft gelaten.
Artikel 5, eerste en derde lid, juncto artikel 3, aanhef van de
TOG-regeling en de toelichting daarop komt er naar het oordeel van de
Raad op neer dat een natuurlijk persoon die, voor zover hier van belang,
bij hem of haar thuis -anders dan beroepsmatig in het kader van de
gezondheidszorg- de zorg draagt voor zowel de opvoeding als het
onderhoud van een gehandicapt kind dat geindiceerd is voor opname in een
bij of krachtens de AWBZ geregelde instelling, aanspraak heeft op een
tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind, tenzij voor die zorg
en opvoeding vergoeding wordt ontvangen ingevolge de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Appellant keert zich in hoger beroep met name tegen het oordeel van de
rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat de
regelgever geen tegemoetkoming heeft willen bieden in gevallen waarin
een verzorger een in zijn gezin opgenomen gehandicapt kind niet
(volledig) onderhoudt c.q. voor de geboden zorg reeds uit andere hoofde
dan de Wet op de jeugdhulpverlening een tegemoetkoming ontvangt.
Daartoe is door appellant onder meer het volgende aangevoerd:
"Naar het oordeel van de Sociale Verzekeringsbank wordt
[betrokkene] door gedaagde niet onderhouden en opgevoed als een eigen
kind. Voor het onderhoud van [betrokkene] ontvangt gedaagde immers
inkomen en onkostenvergoeding van de [X.] instelling. Deze instelling is
een krachtens de AWBZ gefinancierde instelling. Nu de bedoeling van de
regeling-TOG overduidelijk is, om ouders die hun ernstig gehandicapte
kind thuis verzorgen, terwijl een opname in een AWBZ-instelling geďndiceerd
is, kan het niet zo zijn, dat voor het kind waarvoor gedaagde een
inkomen en onkostenvergoeding ontvangt die bekostigd worden krachtens de
AWBZ een TOG-tegemoetkoming wordt verstrekt.
In casu is [betrokkene] door haar ouders vanuit de thuissituatie
geplaatst in een centrum voor geestelijk gehandicapten, genaamd
Kadijkerkoog, onderdeel van de [X.]-Stichting. Deze stichting heeft haar
bewoner [betrokkene] geplaatst in het gezin van gedaagde op basis van
een arbeidsovereenkomst. De stichting wil met de plaatsing van
[betrokkene] een alternatief voor de internaatsopvoeding c.q.
internaatsverpleging betrachten. De opvoedingen en verpleging van de
bewoner, aldus de op 21 februari 1995 gemaakte overeenkomst, geschiedt
tijdens de duur van deze overeenkomst te allen tijde onder de
verantwoordelijkheid van de stichting. Op grond van het bovenstaande
komt de Sociale Verzekeringsbank tot het standpunt dat [betrokkene] niet
als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed en derhalve niet
behoort tot het huishouden van gedaagde, zodat de afwijzing van het
verzoek om tegemoetkoming krachtens de TOG op goede gronden rust.
Het is nimmer de bedoeling van de regeling-TOG geweest dat in een
situatie als de onderhavige recht op tegemoetkoming bestaat. Dat blijkt
bijvoorbeeld uit de uitsluiting van pleegouders, die een
pleeggeldvergoeding voor een gehandicapt kind krijgen op grond van
artikel 39 van de Wet op de Jeugdhulpverlening (zie artikel 5, lid 3
regeling TOG). Voorts blijkt dit uit de naamgeving van de regeling, uit
de ontstaansgeschiedenis en uit de gehele toelichting; de regeling is
bedoeld voor ouders die er voor kiezen hun ernstig gehandicapte kind
thuis te verzorgen. In casu is [betrokkene] uit huis geplaatst bij de [X.]stichting.
De plaatsing in het gezin van gedaagde moet naar het oordeel van de
Sociale Verzekeringsbank gezien worden als een bijzondere vorm van
verpleging en wel gezinsverpleging. Uit de arbeidsovereenkomst van
gedaagde blijkt ook dat zij groepsleidster is in de gezinsverpleging.
Hoewel het zeer te waarderen is dat gedaagde op deze zeer intensieve en
zeer betrokken wijze [betrokkene] verzorgt, doet dat niet af aan het
feit, dat de verzorging en opvoeding van [betrokkene] in het gezin van
gedaagde gezien moet worden als een beroepsmatige. Dit staat volgens de
SVB in de weg aan het onderhouden en opvoeden van [betrokkene] als eigen
kind."
Naar uit onder meer de naamgeving en de toelichting met betrekking tot
zowel de hier in geding zijnde als de aansluitend per 1 januari 2000 in
werking getreden gelijknamige TOG-regeling naar voren komt, beoogt die
regeling kennelijk slechts een financiële compensatie te bieden aan
ouders die niet kiezen voor externe professionele hulpverlening door
opname in - dan wel gezinsverpleging vanwege - een AWBZ-instelling.
Dit laatste, te weten plaatsing door en onder verantwoordelijkheid van
de betrokken AWBZ-instelling bij een daartoe in dienstbetrekking bij die
instelling werkzame en gehonoreerde groepsleidster gezinsverpleging,
doet zich, naar uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden valt
af te leiden, in het geval van gedaagde ontegenzeggelijk voor.
Gelet op het vorengaande stuit in een dergelijke situatie honorering van
een aanvraag als onder I vermeld af op de strekking van (het hiervoor
vermeld samenstel van bepalingen van) de TOG-regeling. Zulks temeer, nu
de aan de hier in geding zijnde regeling eigen strekking ('substituutwerking')
nog eens wordt onderstreept en verder uitgewerkt in voormelde per 1
januari 2000 in werking getreden regeling.
De Raad ziet in hetgeen door gedaagde is aangevoerd en ook overigens
geen aanknopingspunt, om de hiervoor weergegeven zienswijze van
appellant niet te onderschrijven en beantwoordt de eerder vermelde, dit
geding beheersende, vraag ontkennend.
Tenslotte acht de Raad geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december
2001.
(get.) M.I.
't Hooft.
(get.) A.
van Netten.
|
|