|
Uitspraak
00/4667
WVG
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 23 april 1998 heeft gedaagde afwijzend beslist
op de aanvraag van appellant van 26 juni 1997 om hem op grond van de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening toe te kennen
in de vorm van een elektrische rolstoel.
Het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het
bestreden besluit van 7 juli 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij
uitspraak van 20 juli 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. J.A. Tromp-Werkema, advocaat te Sneek, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. De gronden van het verweer
zijn bij brief van 26 november 2001 aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 2001.
Appellant is daar met kennisgeving niet verschenen. Gedaagde heeft zich
daar laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen
partijen niet in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.
Appellant, geboren [in] 1970, is meervoudig gehandicapt en geïndiceerd
voor opname in een AWBZ-instelling. Tengevolge van wachtlijsten is deze
indicatie niet gerealiseerd. Hij is sedert 1992 woonachtig in een
wooneenheid (sociowoning) aan de [straat] te [woonplaats], bestaande uit
twee geschakelde woningen en een nabijgelegen losse woning, die zijn
aangepast op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Deze wooneenheid staat in een normale woonwijk. Zij is een dependance
van "[X.]", een door de Stichting [Y.] Zorg te [plaats] geëxploiteerde
woonvoorziening voor verstandelijk gehandicapten, te [woonplaats].
"[X.]" is op grond van artikel 8 van de AWBZ toegelaten als
zwakzinnigeninrichting als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken
bijzondere ziektekostenverzekering met een capaciteit van 82 plaatsen.
In de wooneenheid wonen acht verstandelijk gehandicapten; zorg en
verblijf van vijf van hen wordt op grond van de AWBZ gefinancierd; zorg
en wonen van de drie anderen worden - naar namens appellant is gesteld:
onverplicht - bekostigd uit het zogeheten Zorgvernieuwingsfonds, ook wel
genoemd "2% regeling". Stichting [Y.] huurt de woningen van
een woningcorporatie. De acht bewoners wonen er niet uit hoofde van een
eigen (onder)huurovereenkomst. Zij koken zelf en doen zelf hun
boodschappen. Zorg en begeleiding ontvangen zij allen vanuit "[X.]".
De door appellant aangevraagde elektrische rolstoel strekt tot
vervanging van de in 1989 op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel die
naar zijn oordeel versleten is.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant ten tijde in
geding verbleef in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ
was toegelaten, dan wel een daarmee gelijk te stellen instelling, en dat
het gemeentebestuur voor gehandicapten die in zulk een instelling
verblijven op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg geen
zorgplicht heeft. De financieringsbron van het verblijf - AWBZ of een
andere bron - is naar het oordeel van gedaagde niet van belang.
Appellant heeft bij de rechtbank naar voren gebracht dat hij zelfstandig
woont en niet in een AWBZ-instelling is opgenomen. Zijn verblijf in de
woning [straatnaam] wordt niet op grond van de AWBZ bekostigd. Hij
bewoont de woning samen met twee andere bewoners. De zorg die wordt
geboden is anders van aard dan bij een intramurale voorziening en is
vergelijkbaar met die in een gezinsvervangend tehuis. Hij heeft naar
zijn mening, anders dan de medebewoners wier verblijf op grond van de
AWBZ wordt bekostigd, geen recht op AWBZ-verstrekkingen in natura. Voor
zover geoordeeld zou moeten worden dat zijn elektrische rolstoel noch
ten laste van de AWBZ, noch ten laste van de Wvg kan worden gebracht,
stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van strijd met artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR).
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Zij heeft daartoe - appellant als eiser aanduidende en
gedaagde als verweerder - het volgende overwogen:
"Uit de beschikbare gegevens blijkt dat eiser weliswaar binnen [X.]
verzorging en begeleiding ontvangt, maar niet uit hoofde van een erkende
gefinancierde plaats. Er is namelijk geen ruimte aanwezig voor zo'n
erkende plaats.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de beschikbare
gegevens voldoende komen vast te staan dat [Y.] de woning van eiser van
een woningcorporatie huurt en deze vervolgens aan (onder anderen) eiser
ter beschikking stelt. Eiser heeft geen zelfstandig huurcontract met een
woningbouwcorporatie en heeft niet de mogelijkheid om huursubsidie te
verkrijgen; wonen en zorg worden gezamenlijk gefinancierd. Huisvesting
en voeding worden eiser voorts zodanig in rekening gebracht dat per
saldo een vrij besteedbaar bedrag overblijft gelijk aan de hoogte van de
AWBZ-zak- en kleedgeldvergoeding. Voldoende aannemelijk is dat anderen
dan mensen met een AWBZ-indicatie niet in de desbetreffende woning mogen
wonen. Mede gelet op het feit dat een aantal medebewoners wel
rechtstreeks op grond van de AWBZ wordt gefinancierd, kan ook eisers
woning niet anders gezien worden dan als een onderdeel van [X.]. Deze
instelling is op grond van art. 8 AWBZ erkend als
zwakzinnigeninrichting.
De rechtbank is gelet op alle beschikbare gegevens dan ook van oordeel
dat er geen sprake is van een zelfstandig wonen door eiser en dat in
eisers geval een vergelijking met de situatie, die aan de orde was in de
uitspraak van de rechtbank, gepubliceerd in JSV 1998/191, en de
uitspraak van de CRvB, gepubliceerd in RSV 1999/295, niet kan worden
gemaakt. Met andere woorden, niet gezegd kan worden dat eiseres
woonsituatie niet in relevante mate verschilt van die waarin een
gehandicapte een willekeurige, eventueel aangepaste woning bewoont en
daardoor wel valt onder de zorgplicht van de Wvg.
Voorts overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar geen erkende
AWBZ-plaats heeft - namens eiser wordt gesproken van een "grijze of
zwarte plaats" en van een "min of meer getolereerd"
worden - maar dat de gelden die op grond van het zorgvernieuwingsfonds
voor de zorg voor eiser beschikbaar zijn, wel uit de AWBZ-fondsen
afkomstig zijn. Geconcludeerd moet dus worden dat het verblijf van eiser
in de AWBZ-instelling toch, zij het op een andere wijze, voor rekening
van de AWBZ komt.
Eiser moet naar het oordeel van de rechtbank geacht worden te verblijven
in een AWBZ-instelling als bedoeld in art. 2 lid 2 Wvg. Toekenning van
een rolstoel op grond van art. 1 lid 2 van de Regeling sociaal vervoer
AWBZ-instellingen is, nu eiser geacht moet worden te verblijven in een
erkende zwakzinnigeninrichting, niet mogelijk. De rechtbank concludeert
dan ook dat verweerders gemeente op grond van art. 2 lid 2 Wvg jegens
eiser geen zorgplicht heeft.
Het namens eiser gedane beroep op art. 26 van het IVBPR dient ten slotte
naar het oordeel van de rechtbank te falen. De rechtbank vermag niet in
te zien dat art. 2 lid 2 Wvg wegens strijd met voornoemde IVBPR-bepaling
buiten toepassing zou moeten worden gelaten. De rechtbank is namelijk,
mede gelet op de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van
dit artikel, niet gebleken dat er in deze bepaling ten aanzien van het
verstrekken van voorzieningen als thans in geding een ongerechtvaardigd
onderscheid wordt gemaakt tussen personen die wel en die niet in een
AWBZ-inrichting verblijven. Dat er kennelijk een lacune in de
regelgeving bestaat, waardoor vanuit de AWBZ geen rolstoel aan eiser is
verstrekt, doet daaraan niet af."
Namens gedaagde is in hoger beroep benadrukt dat de sociowoning van
appellant een gewone huurwoning is in een gewone woonwijk, die niet in
de nabijheid van de instelling is gelegen. Het begrip "verblijf in
een AWBZ-instelling" dient naar zijn oordeel restrictief te worden
uitgelegd. Dat de huurpenningen door de Stichting [Y.] worden voldaan
doet hieraan niet af. Voorts is aangevoerd dat de bewoners met een grote
mate van zelfstandigheid wonen, terwijl daarvan bij de bewoners van
"[X.]" geen sprake is. Er wordt in de sociowoningen beperkt
zorg verleend en de zorg is van andere aard. Deze woningen zijn dan ook
eerder onder te brengen bij de categorie gezinsvervangende tehuizen dan
bij de categorie AWBZ-instellingen. De beperkte zorg die de instelling
verleent vanuit het zorgvernieuwingsfonds kan het gemeentebestuur naar
zijn oordeel niet ontheffen van zijn zorgplicht ingevolge de Wvg. Er mag
niet aan worden voorbijgegaan dat deze zorg onverplicht wordt verleend
en dat er geen directe financiering is vanuit de AWBZ. Ten slotte is
aangevoerd dat indien de aangevraagde elektrische rolstoel noch ten
laste van de AWBZ kan worden gebracht, noch ten laste van de Wvg, sprake
is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke
gevallen. Zowel gehandicapten die in een AWBZ-instelling verblijven als
zij die volledig zelfstandig wonen hebben immers recht op zulk een
voorziening; de eerste categorie ten laste van de AWBZ, de tweede ten
laste van de Wvg. Gehandicapten die in een sociowoning wonen zouden
echter tussen de wal en het schip vallen.
Gedaagde heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat Wvg-voorzieningen
slechts zijn bedoeld voor zelfstandig wonende gehandicapten. Hij stelt
zich op het standpunt dat zowel een sociowoning als een gezinsvervangend
tehuis tot de categorie instellingen behoort die krachtens artikel 8 van
de AWBZ zijn toegelaten en waarvoor geen Wvg-zorgplicht geldt. Voorts is
aangevoerd dat de kern van het probleem hierin is gelegen dat het niet
de bedoeling is geweest om met behulp van een persoonsgebonden budget of
zorgvernieuwingsgelden de capaciteit van toegelaten instellingen uit te
breiden. Weliswaar zijn met behulp van deze fondsen tussenvormen van
zorg en bewoning ontstaan, maar daar is bij de wettelijke vormgeving van
de AWBZ en de Wvg vooralsnog geen rekening gehouden. Een oprekken van de
zorgplicht van het gemeentebestuur ingevolge de Wvg tot gehandicapten
die in een sociowoning, als de onderhavige, verblijven zou kunnen
betekenen dat ten laste van de Wvg woonvoorzieningen moeten worden
getroffen die ook kunnen worden gebruikt door bewoners wier zorg en
verblijf rechtstreeks op grond van de AWBZ is bekostigd. Op die manier
zouden AWBZ-voorzieningen op de gemeenten worden afgewenteld.
De Raad stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat het geschil in hoger
beroep zich toespitst op de vraag of appellant ten tijde in geding in
een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling verbleef en of
appellant voor hem op grond van de Wvg een zorgplicht had.
De Raad beantwoordt die vraag als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur
zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en
rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer
van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Op grond van artikel 2,
tweede lid, van de Wvg is het eerste lid niet van toepassing op
gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8
van de AWBZ is toegelaten. Artikel 2, derde lid, van de Wvg verleent de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om van het
tweede lid afwijkende regels vast te stellen. Van die bevoegdheid is
gebruik gemaakt door vaststelling van de Regeling sociaal vervoer
AWBZ-instellingen (Stcrt. 1995, 226, en Stcrt. 1996, 165). Ingevolge artikel
1, tweede lid, van deze Regeling, zoals deze ten tijde in geding luidde,
draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van rolstoelen aan
gehandicapten die verblijven in een gezinsvervangend tehuis of een
regionale instelling voor beschermd wonen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de instelling "[X.]" geëxploiteerd
wordt door de Stichting [Y.] en dat deze instelling ten tijde in geding
een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling was met een
capaciteit van 82 plaatsen. Evenmin is in geschil dat appellant in een
woning woont die door deze stichting van een wooncorporatie wordt
gehuurd en dat appellants verblijf in die woning en de door hem
ontvangen zorg niet werden bekostigd op grond van de AWBZ.
De Raad beantwoordt de in hoger beroep in geding zijnde vraag of
appellant ten tijde in geding in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ
toegelaten instelling verbleef bevestigend. Hij heeft daarbij in
aanmerking genomen dat appellant woont in een door de Stichting [Y.]
gehuurde woning, die mede is bestemd voor de huisvesting van
gehandicapten wier verblijf en zorg bekostigd wordt op grond van de
AWBZ. Bovendien moet worden vastgesteld dat de zorg en het verblijf in
deze woning worden geregeld vanuit "[X.]", een toegelaten
instelling als bedoeld in artikel 8 van de AWBZ, en dat deze zorg en dat
verblijf in overwegende mate gelijkenis vertonen met die van
medebewoners die daar op grond van de AWBZ verblijven. Bedoelde woning
heeft daardoor het karakter van een dependance van "[X.]".
Bovendien geldt voor beide categorieën bewoners dat zij in de woning
verblijven op grond van een indicatie voor opname in een ingevolge
artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling. Gelet op het vorenstaande
moet worden geoordeeld dat appellant ten tijde in geding verbleef in een
ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling. De Raad acht de
omstandigheid dat de zorg en het verblijf van appellant in die woning
niet rechtstreeks werd bekostigd ten laste van de AWBZ in het
onderhavige geval onvoldoende zwaarwegend om te kunnen zeggen dat geen
verblijf werd gehouden in een op grond van artikel 8 van de AWBZ
toegelaten instelling.
Het beroep van appellant op artikel 26 van het IVBPR faalt. De wetgever
heeft welbewust en overwogen onderscheid willen maken tussen geheel
zelfstandig wonende gehandicapten die een beroep kunnen doen op de Wvg en andere gehandicapten die al dan niet een beroep kunnen doen op
voorzieningen die in andere wetten zijn geregeld. Dat het aldus gemaakte
onderscheid niet objectief wordt gerechtvaardigd door de aan deze keuze
ten grondslag gelegde overwegingen is de Raad niet gebleken.
Aangezien ten slotte niet is gebleken dat appellant verblijf houdt in
een gezinsvervangend tehuis of een regionale instelling voor beschermd
wonen, volgt uit het vorenstaande dat gedaagde met betrekking tot de
door appellant aangevraagde elektrische rolstoel geen zorgplicht had en
bij het bestreden besluit dan ook terecht heeft geweigerd zodanige
rolstoel te verstrekken.
De Raad voegt aan het vorenstaande, in dit geding ten overvloede toe,
dat het appellant vrijstaat zich ter zake van de aanvraag van een
rolstoel te wenden tot zijn zorgverzekeraar teneinde zijn eventuele
aanspraak daarop ingevolge de AWBZ door dat bestuursorgaan te laten
beoordelen.
Uit het voorafgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. C.P.J. Goorden, als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
januari 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|