|
Uitspraak
00/5131
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eibergen,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zutphen op 22 augustus
2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. E. van der Heijden, werkzaam bij SRK
Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 oktober
2001, waar namens appellant is verschenen M. Hoezen-Pronk, werkzaam bij
de gemeente Eibergen, en drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten. Zoals tevoren aangekondigd is gedaagde niet
verschenen.
Na de behandeling is het onderzoek ter zitting geschorst en heeft
appellant de Raad desgevraagd bij faxbericht van 29 november 2001 nog
nadere gegevens doen toekomen omtrent het gebruik van het collectief
vervoer in de gemeente Eibergen.
Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven een nadere zitting
achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij primair besluit van 17 juni 1999 heeft appellant gedaagde
medegedeeld dat de hem toegekende autokostenvergoeding van f 1.703,40
(€ 772,92) in verband met een beleidswijziging met ingang van 1 juli
1999 wordt verlaagd naar f 1.450,-- (€ 657,98) per jaar, met ingang
van 1 januari 2000 naar f 1.000,-- (€ 453,78) per jaar, en met ingang
van 1 januari 2001 naar f 640,-- (€ 290,42) per jaar. Daarbij is
gedaagde gewezen op de mogelijkheid om te kiezen voor een
taxikostenvergoeding van maximaal f 1.703,40 (€772,92) per jaar op
declaratiebasis.
Appellant heeft het tegen voormeld besluit ingestelde bezwaar, voor
zover gericht tegen de beleidswijziging, bij besluit van 13 oktober 1999
(het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, en voor zover
gericht tegen de gevolgen van die beleidswijziging ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit
vernietigd. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende
overwogen:
"De rechtbank is van oordeel dat een tegemoetkoming in de kosten
van het gebruik van de eigen auto van f 640,- op jaarbasis niet kan
worden aangemerkt als een verantwoorde voorziening in de zin van artikel
3 van de Wvg, nu met deze tegemoetkoming in (naar mag worden aangenomen)
zowel de vaste als de variabele kosten van het rijden in een auto niet
meer dan circa 1000 kilometer per jaar kan worden verreden.
Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank mede in de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2000, USZ 2000/128, waarin die
Raad weliswaar overweegt dat in de (geschiedenis van de totstandkoming
van de) Wvg
geen beletsel is gelegen om een lager aantal individueel met
de auto te verrijden aantal kilometers dan 2500 als een verantwoorde
voorziening in de zin van artikel 3 van die wet aan te merken doch een
tegemoetkoming geheel gelijk aan die welke (op termijn) aan eiser is
toegekend daarmee wel in strijd acht.
Daarnaast is in dit verband nog van belang dat aan de vaststelling van
het onderhavige normbedrag kennelijk uitsluitend budgettaire
overwegingen ten grondslag hebben gelegen en geen onderzoek naar eisers
individuele vervoersbehoefte."
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt. Hij heeft, gelet op de gedingstukken en
hetgeen in hoger beroep door partijen is aangevoerd, met betrekking tot
het punt dat partijen verdeeld houdt, te weten bij welke
vervoersmogelijkheden een vervoersvoorziening nog adequaat kan worden
genoemd, het volgende overwogen.
Artikel 2, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)
bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van -
onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het
maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten.
Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord,
dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn. In
artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het
gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg
bepaald is bij de verordening regels dient vast te stellen.
De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Eibergen uitvoering
gevende aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg de Verordening
voorzieningen gehandicapten gemeente Eibergen, 1996-2 (verder: de
Verordening) heeft vastgesteld.
Naar de Raad reeds vele malen heeft overwogen heeft de wetgever met
bovenstaand samenstel van bepalingen aan de gemeentebesturen bewust
ruimte gelaten om naar eigen (beleids)inzicht aan hun zorgplicht
gestalte te geven. De rechter dient deze ruimte, gezien zijn
staatsrechtelijke positie, in beginsel te respecteren, onverminderd de
gehoudenheid van de gemeentebesturen om zowel bij de vaststelling als
bij de toepassing van hun verordeningen de in voormelde bepalingen van
de Wvg globaal aangegeven ondergrens in acht te nemen.
Dit laatste brengt mee dat aan de ter plaatse wonende gehandicapten, die
daarop aangewezen zijn, zodanige vervoersvoorzieningen dienen te worden
aangeboden dat zij in hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare
mate in staat worden gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel
te nemen aan het leven van alledag. Daarin ligt tevens besloten dat de
aanwezigheid van belangrijke bovenregionale contacten en/of activiteiten
op zichzelf genomen niet beslissend kan zijn voor de omvang van de
zorgplicht van de gemeentebesturen, zij het dat dit anders kan komen te
liggen indien door of vanwege de belanghebbende duidelijk wordt
aangetoond, of anderszins komt vast te staan, dat zonder die contacten
of activiteiten sociaal isolement of vervreemding optreedt (CRvB 29 juli
1997, gepubliceerd in JSV 1998/8).
Uit 's Raads vaste jurisprudentie vloeit voort dat het de
gemeentebesturen, mede in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis,
vrijstaat om aan de in artikelen 2 en 3 van de Wvg bedoelde zorgplicht
gestalte te geven door instelling bij verordening van een systeem van
collectief vervoer, op voorwaarde dat daarmee een zodanige voorziening
wordt geboden dat vorenbedoelde ondergrens daarmee niet wordt
overschreden. Uit die jurisprudentie vloeit verder voort dat de
gemeentebesturen bevoegd zijn om aan zulk en systeem van collectief
vervoer prioriteit te verlenen (CRvB 27 maart 1998, gepubliceerd in JSV
1998/155). Dit houdt in dat aan de gehandicapte die om medische redenen
geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer deelname aan het
collectief kan worden aangeboden en dat uitsluitend gehandicapten die om
objectief aantoonbare medische redenen geen gebruik kunnen maken van het
collectief vervoer in aanmerking kunnen worden gebracht voor een andere
- individuele - vervoersvoorziening.
De Raad stelt vast dat in de gemeente Eibergen een systeem van
collectief vervoer is ingevoerd en dat in de Verordening aan dat systeem
prioriteit in even bedoelde zin is toegekend. Blijkens de gedingstukken
en het verhandelde ter zitting van de Raad kunnen de in Eibergen
wonende, daarvoor in aanmerking komende, gehandicapten van het
collectief vervoer gebruik maken in een gebied dat 17 gemeenten beslaat,
naar kilometers gemeten in beginsel onbeperkt en tegen een tarief dat
grosso modo overeenstemt met dat van het openbaar vervoer.
Gehandicapten in de gemeente Eibergen die om medische redenen geen
gebruik kunnen maken van het collectief vervoer komen blijkens artikel
3.2, tweede lid, van de Verordening in aanmerking voor een andere
vervoersvoorziening. Volgens artikel 3.1, aanhef en onder c, leden 3 en
4, van de Verordening kan deze bestaan uit een financiële
tegemoetkoming in het gebruik van een taxi, een rolstoeltaxi of een
eigen auto. Volgens artikel 3.2 van het door appellant vastgestelde
Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten geldt
voor gebruik van een taxi een normbedrag van f 1.703,40 (€ 772,97) per
jaar, voor gebruik van een rolstoeltaxi f 2.556,-- (€ 1.159,80) per
jaar en voor het gebruik van de eigen auto of vervoer in een auto van
derden f 640,-- (€ 290,42) per jaar. Volgens appellant kan met deze
normbedragen 550 tot 680 kilometer per jaar worden gereisd in een taxi
of rolstoeltaxi en circa 1000 kilometer in een particuliere auto.
De Raad stelt, gelet hierop, vast dat in de gemeente Eibergen wonende
gehandicapten, die geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoer,
in beginsel geringere vervoermogelijkheden hebben dan gehandicapten die
daarvan wel gebruik kunnen maken. Laatstgenoemden zijn door de raad van
de gemeente Eibergen in staat gesteld om in hun directe woon- en
leefomgeving, gerekend naar aantal verplaatsingen en af te leggen
kilometers, in beginsel onbeperkt te reizen, in die zin dat hun
vervoermogelijkheden slechts worden begrensd door hun individuele
financiële mogelijkheden om telkens het OV-tarief te betalen. Daar waar
de raad van deze gemeente het collectief vervoer tot het uitgangspunt
van zijn systeem van vervoersvoorzieningen heeft gekozen, rijst de vraag
waarom aan gehandicapten die, naar objectief medische maatstaf gemeten,
van het collectief vervoer geen gebruik kunnen maken, uit een oogpunt
van in kilometers, kosten en aantal verplaatsingen uitgedrukte
mobiliteit, minder mogelijkheden (behoren te) worden aangeboden dan aan
gehandicapten die dat wel kunnen. De Raad is van oordeel dat een
dergelijk verschil in behandeling niet rechtstreeks besloten ligt in de
Wvg zelf. Noch in de tekst van de Wvg, noch in de geschiedenis van haar
totstandkoming is daarvoor een directe grondslag aan te wijzen. Uit die
geschiedenis komt wel naar voren dat de wetgever in zoverre is uitgegaan
van een gelijke behandeling van gehandicapten dat aan hen, ongeacht waar
zij in Nederland wonen, een adequate, dat wil zeggen een op het individu
en de lokale omstandigheden, afgestemde voorziening wordt aangeboden
(Kamerstukken II, 22 815, nr. 3, sub 3.2).
De Raad acht in het enkele gegeven dat in de wetsgeschiedenis wordt
gesignaleerd dat de tegemoetkomingen voor het gebruik van een taxi en
een eigen auto onder vigeur van artikel 57 (oud) van de Algemene
arbeidsongeschiktheidswet (AAW) beduidend uiteenliepen, onvoldoende
aanknopingspunt gelegen om aan te nemen dat de wetgever beoogd heeft dat
deze praktijk onder de Wvg onverkort zou moeten of mogen worden
voortgezet. Daarbij komt dat de wetgever weliswaar uitdrukkelijk voor
ogen heeft gestaan dat de gemeentebesturen grote vrijheid toekomt bij de
vormgeving van het stelsel van vervoersvoorzieningen in hun gemeenten,
maar dat deze vrijheid niet zo ver gaat dat de verschillende groepen van
gehandicapten voor de toepassing van de Wvg op het punt van de
vervoersvoorzieningen zonder deugdelijke grond vergaand verschillend
behandeld zouden mogen worden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan de gemeentebesturen niet de
vrijheid kan worden ontzegd om de aangeboden vervoersvoorzieningen af te
stemmen op de aard van de in geding zijnde medische beperkingen, maar
dat substantiële verschillen met betrekking tot het aantal
verplaatsingen en/of kilometers deugdelijk moeten worden gemotiveerd.
Gelet hierop kan, nu ter zake hiervan vooralsnog niet van een dragende
motivering is gebleken, het bestreden besluit wegens strijd met het
bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in
stand kan blijven.
De Raad overweegt in het voetspoor van het voorgaande dat de
omstandigheid dat op een taxi of rolstoeltaxi aangewezen gehandicapten
in de gemeente Eibergen, met het voor hen vastgestelde normbedrag, 550
tot 680 kilometer per jaar kunnen afleggen, geen toereikende grondslag
kan vormen om het aantal te verreizen kilometers van degenen, die zijn
aangewezen op vervoer per eigen auto, of vervoer door derden, te
verlagen van circa 2600 kilometer per jaar naar circa 1000 kilometer per
jaar. Hij wijst er op dat dit op voormeld individueel taxivervoer
betrekking hebbende gegeven zonder nadere - deugdelijke - motivering het
verschil in behandeling van degenen die zijn aangewezen op vervoer per
particuliere auto ten opzichte van gehandicapten die zijn aangewezen op
het collectief vervoer, en die zich daarmee in beginsel - slechts
beperkt door een vergoeding die grosso modo gelijk is aan het normaal
verschuldigde - OV-tarief - onbeperkt kunnen verplaatsen, niet kan
rechtvaardigen.
Aan het vorenstaande wordt toegevoegd dat het uitgangspunt blijft gelden
dat, zoals uit 's Raads vaste jurisprudentie met betrekking tot de
ondergrens van de zorgplicht van de gemeentebesturen, als neergelegd in
artikel 3 van de Wvg, voortvloeit, elke (combinatie van)
vervoersvoorziening(en) de in de gemeente woonachtige gehandicapten in
staat dient te stellen in aanvaardbare mate sociale contacten te
onderhouden in de directe woon- en leefomgeving en deel te nemen aan het
leven van alledag.
De vraag bij welk aantal kilometers en welk aantal verplaatsingen nog
gezegd kan worden dat een vervoersvoorziening de gehandicapte in
aanvaardbare mate in staat stelt deel te nemen aan het leven van
alledag, is mede afhankelijk van de lokale omstandigheden. Aard en
omvang van het gemeentelijk grondgebied (en dat van de omringende regio)
en de bereikbaarheid van winkels, sociale contacten en openbare en
andere activiteiten en voorzieningen zijn daarbij van belang.
Daarvan uitgaande zal een vervoersvoorziening, daaronder begrepen
vervoer per deeltaxi, of een combinatie van vervoersvoorzieningen, die
neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van circa 1500 tot
2000 kilometer per jaar, in beginsel voldoen aan de in 's Raads
jurisprudentie tot uitdrukking gebrachte ondergrens. De enkele
omstandigheid dat pashouders in de gemeente mogelijk in het verleden
gedurende enige tijd feitelijk minder gebruik hebben gemaakt van het
openbaar vervoer brengt daarin geen verandering.
Het vorenstaande laat onverlet dat voor gehandicapten die ten gevolge
van een uiterst beperkte mobiliteit, omdat zij ten hoogste circa 100
meter kunnen lopen, voor vrijwel elke verplaatsing buitenshuis op een
vervoersvoorziening zijn aangewezen, en die ten gevolge daarvan voor
aanmerkelijke meerkosten komen te staan in vergelijking met andere
gehandicapten, een aanvullende voorziening dient te worden getroffen in
natura en/of in de vorm van een extra financiële tegemoetkoming.
Voorts staat het een gemeentebestuur vrij om bij de beoordeling van de
vraag welke vervoersvoorziening in het algemeen adequaat moet worden
geacht rekening te houden met een afwijkende vervoerbehoefte van een
gehandicapte of bepaalde groepen van gehandicapten. Daar staat tegenover
dat het belanghebbende gehandicapten in de bijzondere omstandigheden van
het geval vrijstaat om door middel van concrete verifieerbare gegevens
aannemelijk te maken dat zij een - in de zin van artikel 3 van de Wvg
relevant te achten - grotere vervoerbehoeften hebben dan blijkens het
gemeentelijk beleid in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank het bestreden besluit
terecht heeft vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak - op de door de
Raad aangegeven gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.
Appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze, 's Raads, uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant
een recht van € 327,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verstaat dat appellant een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,-- en wijst de gemeente Eibergen aan als de
rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;
Bepaalt dat van appellant een recht van € 327,-- dient te worden
geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12
maart 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|