|
Uitspraak
01/1171
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 december 1997 heeft appellant het verzoek van
gedaagde om een tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van zijn
eigen auto op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de
Verordening voorzieningen gehandicapten Rotterdam afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij het thans
bestreden besluit van 16 oktober 1998 ongegrond verklaard. Appellant
heeft aan deze weigering ten grondslag gelegd dat de zoon van gedaagde,
[A.], indien hij gebruik zou maken van het in de gemeente Rotterdam
ingestelde Vervoer op Maat (VoM)-systeem, in voldoende mate in staat
wordt gesteld binnen zijn naaste woon- en leefmilieu deel te nemen aan
het leven van alledag. De buiten het VoM-gebied gelegen contacten vallen
volgens appellant slechts onder de gemeentelijke zorgplicht, indien de
betrokkene bij het wegvallen van die contacten in een sociaal isolement
geraakt en die contacten uitsluitend door persoonlijk bezoek te
handhaven zijn. De contacten van [A.] in [B.] en [C.] zijn volgens
appellant niet van dien aard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 25 januari 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het
bezwaarschrift dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die
uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de
zorgplicht ten behoeve van vervoersvoorzieningen zich niet beperkt tot
het binnen de gemeentegrenzen gelegen gebied of tot een met omliggende
gemeenten gesloten collectief vervoer contract, maar zich uitstrekt over
het totaal van de directe woon- en leefomgeving van een gehandicapte.
Zij heeft erop gewezen dat de gereformeerde kerk die [A.] in [B.]
bezoekt, zich op 2 kilometer afstand van zijn woning bevindt, dat dit in
de aangrenzende openbaar vervoerszone is, en dat die kerk derhalve naar
het oordeel van de rechtbank, in de directe woon- en leefomgeving is
gelegen.
Appellant heeft op bij aanvullend hoger beroepschrift aangegeven gronden
tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Aangevoerd is onder meer dat
de zorgplicht van de gemeente in principe beperkt blijft tot het gebied
van de eigen gemeente, tenzij in dat gebied bepaalde relevante
voorzieningen ontbreken. Daarbij is het volgens appellant niet relevant
of de betrokkene in de nabijheid van de gemeentegrens woont en een
gedeelte van het sociale leven zich in een aangrenzende gemeente
afspeelt. De voorzieningen waarvan appellant gebruik maakt in de
aangrenzende gemeente, zoals de gereformeerde kerk, zijn volgens
appellant ook in de gemeente Rotterdam voorhanden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 februari 2002,
waar namens appellant zijn verschenen mr. E. van Lunteren en H.F.A. van Tiggelen, beiden werkzaam bij de
gemeente Rotterdam, en waar gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. M.F. Vermaat, werkzaam bij Stichting De Ombudsman te
Hilversum.
II. MOTIVERING
De Raad overweegt het volgende.
Ter zitting van de Raad is op initiatief van de Raad een schikking tot
stand gekomen. Daarbij is vanwege de Raad onder meer 's Raads vaste
jurisprudentie met betrekking tot de omvang van de uit de artikelen 2,
eerste lid, en 3 van de Wvg voortvloeiende zorgplicht voor
vervoersvoorzieningen ten behoeve van in de gemeente woonachtige
gehandicapten onder de aandacht van partijen gebracht. Daarbij is erop
gewezen dat "de directe leefomgeving" van gehandicapten als
bedoeld in die jurisprudentie, anders dan door appellant betoogd, niet
beperkt is tot het gebied van de desbetreffende gemeente.
Appellant heeft vervolgens aangegeven bereid te zijn om gedaagde een
financiλle vergoeding voor de kosten van aanpassing van de eigen auto
van 6.806,70 (f 15.000,--), alsmede een proceskostenvergoeding,
berekend op basis het Besluit proceskosten bestuursrecht, toe te kennen.
Vanwege gedaagde is desgevraagd verklaard dat daarmee wordt ingestemd.
Namens gedaagde is eveneens aangegeven dat geen schadevergoeding wordt
gevorderd.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat volledig is
tegemoetgekomen aan het beroep. Het hoger beroep moet dan ook wegens
vervallen procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin als leden, in tegenwoordigheid van
N.J. Stolten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) N.J. Stolten.
|
|