|
Uitspraak
00/5063
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinxperlo,
appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 februari 2000 heeft appellant afwijzend beschikt op
de aanvraag van gedaagde om hem op grond van de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) en de op die wet gebaseerde Verordening
voorzieningen gehandicapten gemeente Dinxperlo (hierna: de Verordening)
een woonvoorziening toe te kennen in de vorm van aanpassing van de natte
cel en twee toiletten en het aanbrengen van een plateaulift en een
intercomverbinding tussen de twee slaapkamers en de woonkamer.
Appellant heeft het bezwaar van gedaagde tegen dat besluit bij het
bestreden besluit van 10 mei 2000 ongegrond verklaard.
De President van de rechtbank Zutphen, toepassing gevende aan artikel
8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van
gedaagde tegen het bestreden besluit bij uitspraak van 11 augustus 2000
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant gelast een nieuw
besluit te nemen met in achtneming van het in die uitspraak gestelde.
Voorts is appellant veroordeeld tot vergoeding van griffierecht.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden, waarop appellant bij brief
van 2 juli 2001 heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 januari 2002. Voor
appellant zijn daar verschenen F. Siemes, werkzaam bij de gemeente
Dinxperlo, en drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten. Gedaagde is daar in persoon verschenen, vergezeld
door zijn echtgenote [C.] en [D.] welke is aangemerkt als woordvoerder
tijdens de zitting.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Gedaagde heeft een dochter, [E.], geboren [in] 1981, die een aangeboren
stofwisselingsziekte heeft, gepaard gaande met geestelijke en motorische
achterstand, een ongecoördineerd bewegingspatroon en een
communicatiestoornis. Daarnaast is sprake van zeer regelmatige
epileptische bewustzijnsdalingen die noodzaken tot snelle toediening van
medicatie. [E.] is volledig rolstoelafhankelijk en verzorgingsbehoeftig.
In 1990 heeft gedaagde een aangepaste drive-inwoning aan de [P.straat]
te [F.] gekocht, waarin ten behoeve van de toenmalige bewoners onder
meer een plateaulift was aangebracht. In juli 1999 heeft gedaagde een
woning gekocht aan de [Q.straat] te [B.]. In oktober 1999 is de eigendom
overgedragen.
Per 1 november 1999 heeft gedaagde die woning met zijn gezin betrokken.
In oktober 1999 heeft gedaagde een aanvraagformulier voor
woningaanpassing op grond van de Wvg ingediend. Appellant heeft zich met
betrekking tot deze aanvraag laten adviseren door het Regionaal
Indicatie Orgaan West Achterhoek te Doetinchem (RIO). Blijkens zijn
advies van 2 februari 2000 is het RIO van mening dat de verlaten
drive-in woning voor [E.] adequaat was aangepast, aangezien [E.], met
haar beperkingen, in staat moest worden geacht tot een normaal gebruik
ervan. Haar slaapkamer, de natte cel en het toilet bevonden zich op de
begane grond en voor het kunnen bereiken van de overige woonruimten was
een lift aanwezig. Ook wat betreft sanitaire voorzieningen was deze
woning voor [E.] adequaat. Het advies maakt er melding van dat de ouders
in deze woning problemen ondervonden bij de verzorging. Hun slaapkamer
was twee etages boven die van [E.] gelokaliseerd. [E.] heeft 's nachts
meermalen (circa 3 maal) hulp nodig voor het omdraaien en het toedienen
van medicatie bij (dreigende) insulten. De ouders konden via een
intercom horen of zorg nodig was. In geval van een (dreigend) insult
wilden zij zo snel mogelijk hulp kunnen verlenen. De daarvoor af te
leggen afstand tussen de slaapkamers vonden zij ongewenst. Daarnaast
vonden zij het bezwaarlijk dat de woonkamer geen toegang tot de tuin
bood. De ouders van [E.] hebben tegenover het RIO aangegeven dat zij
enkele jaren hebben uitgezien naar een andere woning totdat zij op de
woning in [B.] zijn gestuit. In die woning bevinden zich alle
slaapkamers boven. Ook is daar de douche; een bad ontbreekt. Sinds de
verhuizing wordt [E.] naar boven gedragen, hetgeen een te zware
belasting is. Dit betekent dat de aangevraagde lift en de aanpassing van
de natte cel in principe geïndiceerd zijn. Het RIO acht de behoefte van
de ouders om zo dicht mogelijk bij [E.] te slapen invoelbaar en ook
wenselijk gezien de intensieve zorg en de belasting die dit meebrengt,
maar is tevens van oordeel dat er geen dwingende noodzaak is om in de
onmiddellijke nabijheid van [E.] te zijn. Met behulp van een goede
intercom kan [E.] even adequaat bewaakt worden als wanneer zij in een
naastgelegen slaapkamer verblijft. Bij intramurale verpleging en
verzorging zou er ook enige afstand tussen de cliënt en de verzorgers
zijn. De afstand tussen de slaapkamers in de oude woning kan naar het
oordeel van het RIO dan ook niet als medisch onverantwoord worden
aangemerkt.
Appellant heeft uit het RIO-advies afgeleid dat gedaagde is verhuisd van
een voor [E.] adequate woning in [F.] naar een inadequate woning in [B.].
Gelet hierop heeft appellant de aangevraagde aanpassing van de woning in
[B.] bij het thans bestreden besluit geweigerd. Appellant heeft daarbij
overwogen dat de verhuizing niet medisch noodzakelijk was en dat
gedaagde de gemeente Dinxperlo hiervan niet op voorhand op de hoogte
heeft gesteld, aangezien de aankoop van de nieuwe woning ten tijde van
de aanvraag reeds een voldongen feit was. Appellant is blijkens dit
besluit van oordeel dat gedaagde bij de verhuizing een eigen
verantwoordelijkheid heeft, met dien verstande dat bij verhuizing naar
een andere woning rekening dient te worden gehouden met de handicaps van
[E.].
Gedaagde heeft in beroep aangevoerd dat hem, voorafgaande aan de aankoop
van de nieuwe woning, door Nanny ter Brake van de gemeente Doetinchem is
meegedeeld dat de oude woning weliswaar adequaat is voor [E.], maar dat
de familie, nu 10 jaar was verstreken na het aanbrengen van de
voorzieningen daarin, zou mogen verhuizen. Door het Buro voor Rechtshulp
was meegedeeld dat na 7 jaar mocht worden verhuisd. Vervolgens was haar
door de heer Oosterlo van de gemeente Doetinchem meegedeeld dat deze
problemen voorzag, maar dat de nieuwe gemeente geen voorzieningen zou
kunnen weigeren. Gedaagdes echtgenote stelt zich in juli 1999, nadat het
voorlopig koopcontract was getekend, bij de heer Siemes van de gemeente
Dinxperlo te hebben gemeld, die toen geen aanvraag in behandeling heeft
willen nemen omdat de te betrekken woning nog in de krant te koop stond.
Gedaagde zou moeten terugkomen als de overdracht een feit was. Als de
aanvraag eerder in behandeling was gekomen had gedaagde wellicht nog van
de aankoop af gekund.
Appellant heeft in beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden
besluit neergelegde standpunt.
De president van de rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden
besluit gegrond verklaard omdat het naar zijn oordeel onvoldoende is
onderbouwd. Hij heeft daartoe
- appellant als verweerder aanduidende en gedaagde als eiser - overwogen
als volgt:
"Artikel 2.11 (met als opschrift: 'Frequentie van
woningaanpassingen') van de Verordening Voorzieningen Gehandicapten van
de gemeente Dinxperlo luidt (voor zover van belang) als volgt:
1. De aanvraag voor een woonvoorziening (...) wordt geweigerd indien:
a. de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van ergonomische beperkingen geen
aanleiding bestond;
b. ten behoeve van de gehandicapte korter dan 10 jaar na het moment van
verstrekking een woonvoorziening bij of krachtens de Wvg, de RGSHG of
BGSHG is verstrekt.
Voorts is in het tweede lid van het betreffende artikel een aantal (hier
niet aan de orde zijnde) uitzonderingen op het bepaalde in het eerste
lid opgenomen.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een verhuizing
naar de nieuwe woning in [B.], bezien vanuit de ergonomische beperkingen
van [E.], geen aanleiding bestond en mitsdien het bepaalde in artikel
2.11 van de Verordening aan toekenning van de gevraagde
woningaanpassingen in de weg staat.
Verweerder kan allereerst gevolgd worden in zijn standpunt dat de
ergonomische beperkingen van [E.], gezien de in de voormalige woning te
[F.] aanwezige voorzieningen, niet noodzaakten tot een verhuizing.
Evenals verweerder kan begrip worden opgebracht voor de door de ouders
van [E.] in die woning ondervonden problemen van (deels) praktische
aard, gelet evenwel op de inhoud van het op verzoek van verweerder
uitgebrachte medische advies kan [E.]'s verblijf in de voormalige
woning, als ook de door de ouders in die woning aan [E.] te bieden zorg,
niet als medisch onverantwoord worden aangemerkt.
Anders dan verweerder moet evenwel worden geoordeeld dat een
niet-noodzakelijke verhuizing als hiervoor aangegeven in het systeem van
verweerders Verordening niet in alle gevallen noodzaakt tot een
weigering om woningaanpassingen in de nieuw te betrekken woning
ingevolge de Wvg te vergoeden. Een zodanige weigering is in artikel 2.11
van de Verordening immers alleen dwingend voorgeschreven indien de in de
voormalige woning aangebrachte voorzieningen minder dan 10 jaar geleden
ten behoeve van de gehandicapte zijn verstrekt. Van die laatste situatie
is - naar tussen partijen in confesso is - in het onderhavige geval geen
sprake.
Artikel 2.11 stelt voorts niet de eis dat een nieuw te betrekken woning
reeds (volledig) aan de ergonomische beperkingen aangepast zou moeten
zijn.
Opgemerkt moet worden dat in dat geval ook geen nadere
woningaanpassingen ingevolge de Wvg noodzakelijk zouden zijn. Aldus
bezien maakt artikel 2.11 van de Verordening het naar dezerzijds oordeel
geenszins onmogelijk dat in een geval als dat van eiser over wordt
gegaan tot vergoeding van noodzakelijke woningaanpassingen in de nieuwe
woning.
Aan verweerder kan worden toegegeven dat in het kader van de Wvg van
belanghebbenden verwacht mag worden dat zij zich bij de aankoop van een
nieuwe woning in beginsel laten leiden door de eisen welke de handicap
van een gezinslid aan die woning stelt. Voornoemd uitgangspunt strekt
naar dezerzijds oordeel echter niet zover dat verweerder gevolgd kan
worden in zijn standpunt dat eiser en zijn gezin bezien vanuit de
toepassing van de Wvg uitsluitend hadden dienen te opteren voor een
reeds volledig aangepaste woning, dan wel terzake hadden moeten besluiten
tot gelijkvloerse nieuwbouw. In dit verband is van belang dat het aanbod
van bestaande woningen met een voorzieningenniveau als voor [E.]
noodzakelijk - naar verweerder ter zitting heeft erkend - zeer schaars is.
Eiser heeft ter zitting voorts gesteld dat zij geruime tijd naar dat
soort woningen hebben gezocht, echter makelaars die woningen niet in hun
bestand hebben. Van belang in dit verband is voorts dat het bepaalde in
artikel 2.11 van de Verordening er juist toe strekt verhuizen voor
Wvg-gerechtigden na een periode van 10 jaar niet onmogelijk te maken.
Verweerders stelling dat met het bedrag van f 580.000,--, dat gemoeid
was met de aankoop van de nieuwe woning, ook een volledig aangepaste
gelijkvloerse nieuwbouw had kunnen worden gerealiseerd, moet voorts -
mede gelet op de daartoe benodigde meeraankoop van gronden - als
onvoldoende onderbouwd worden aangemerkt."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het in casu gaat om de
situatie waarin buiten de in artikel 2.11 van de Verordening neergelegde
termijn van 10 jaar wordt verhuisd van een adequate naar een inadequate
woning. In zulk een geval rijst de vraag of de desbetreffende
gehandicapte de volle vrijheid heeft om te verhuizen naar de woning van
zijn of haar keuze, zonder daarbij acht te hoeven slaan op de uit zijn
of haar handicap(s) voortvloeiende ergonomische beperkingen, en of hij
of zij alsdan een beroep kan doen op de Wvg om de gekozen inadequate
woning adequaat aan te passen aan zijn of haar handicap(s). Appellant
stelt zich op het standpunt dat met artikel 2.11 van de Verordening van
de gemeente Dinxperlo weliswaar is beoogd het mogelijk te maken dat na
ommekomst van de periode van 10 jaar een financiële tegemoetkoming
wordt verstrekt voor de aanpassing van een nieuwe woning, maar dat
daarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat de belanghebbende
gehandicapte naar een zo geschikt mogelijke woning is verhuisd.
Bovendien ligt het volgens appellant in de rede dat tevoren overlegd
wordt met de gemeente over de aan de nieuwe woning te stellen eisen,
zodat deze wellicht behulpzaam zal kunnen zijn, of kan onderkennen dat
geen geschikte woningen voorhanden zijn, zodat alsdan beoordeeld kan
worden wat daarvan de consequenties zijn. Appellant stelt dat enkele
makelaars hebben verklaard dat in de bewuste periode een aantal
geschikte woningen, of eenvoudig geschikt te maken woningen, te koop
hebben gestaan. Gedaagde heeft pas contact opgenomen met de gemeente
Dinxperlo nadat het voorlopig koopcontract was gesloten.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij het standpunt dat hij
er, gezien de ingewonnen informatie, op mocht vertrouwen dat de nieuwe
woning op kosten van de Wvg zou worden aangepast. Hem is nimmer
duidelijk geworden dat hij moest zoeken naar een aangepaste woning. Er
is enkele jaren lang gezocht naar een geschikte woning, maar dat is niet
eerder gelukt dan in 1999.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit van 10 mei 2000 in rechte standhoudt. Hij beantwoordt deze
vraag, anders dan de president van de rechtbank, bevestigend. Het
volgende wordt overwogen.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang,
dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van
woonvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat
het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg
daartoe
bij verordening regels vaststelt.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c ten eerste, van de Wvg, voor
zover hier van belang, definieert woonvoorziening als elke voorziening
die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of
verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik
van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van
bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan
een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de
voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische
beperkingen.
In de gemeente Dinxperlo is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg
bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening.
Artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening bepaalt, voor zover hier
van belang, als volgt:
"1. De aanvraag van een woonvoorziening (…) wordt geweigerd,
indien
a. de noodzaak van het treffen van deze woonvoorziening het gevolg van
een verhuizing waar op grond van ergonomische beperkingen geen
aanleiding toe bestond;
b. ten behoeve van de gehandicapte korter dan 10 jaar na het moment van
verstrekking een woonvoorziening bij of krachtens de Wvg, de RGSHG en
BGSHG is verstrekt."
De Raad is van oordeel, in aanmerking genomen hetgeen ter zake hiervan
vanwege appellant in hoger beroep concreet en eenduidig naar voren is
gebracht, dat met dit artikel door de Raad van de gemeente Dinxperlo
beoogd is in daarvoor in aanmerking komende gevallen ten gunste van
betrokkenen een bevoegdheid in het leven te roepen om de in die bepaling
bedoelde woonvoorzieningen na een periode van 10 jaar te verstrekken,
ook dan wanneer in de oude woning geen ergonomische belemmeringen als
vereist ingevolge voormeld onderdeel van artikel 1 van de Wvg worden
ondervonden. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid, voor de
uitoefening waarvan appellant bevoegd is beleid te ontwikkelen. De Raad
begrijpt het standpunt van appellant aldus dat het beleid wordt gevoerd
dat van de belanghebbende gehandicapte, die een beroep doet op deze
bevoegdheid, wordt verlangd dat hij zijn inspanningen richt op het
verkrijgen van een woning die zoveel mogelijk is aangepast aan zijn of
haar ergonomische beperkingen en dat hij of zij zich, in verband
hiermee, in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de
gemeente, om een oplossing te bereiken die voor beide partijen
acceptabel is.
De Raad is van oordeel dat dit beleid op zichzelf genomen niet in strijd
is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht, daaronder
begrepen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en algemene
rechtsbeginselen.
Met betrekking tot de toepassing van het beleid in het onderhavige geval
overweegt de Raad dat appellant in redelijkheid heeft kunnen besluiten
om de aangevraagde woningaanpassing af te wijzen.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat gedaagde ten tijde van
de aankoop van de woning [Q.straat] in [B.] niet woonachtig was in de
gemeente Dinxperlo, maar in de gemeente Doetinchem, en dat het op zijn
weg had gelegen zich met betrekking tot het in de gemeente Dinxperlo
gevoerde beleid te verstaan met die gemeente. Dat hij dit voorafgaande
aan het sluiten van de koopovereenkomst, in juli 1999, niet heeft gedaan
komt voor zijn rekening en risico. Weliswaar heeft hij inlichtingen
ingewonnen bij ambtenaren van de gemeente Doetinchem maar daaraan kan,
in aanmerking genomen de gedecentraliseerde uitvoering van de Wvg,
waarbij iedere gemeente binnen de grenzen van de Wvg zijn eigen beleid
mag ontwikkelen, niet het gevolg worden verbonden dat appellant aan die
inlichtingen, waarvan de juistheid in het midden wordt gelaten, gebonden
zou kunnen zijn. De Raad wijst er bovendien op dat vanwege de gemeente
Doetinchem ook uitlatingen zijn gedaan die erop wijzen dat aanpassing
van de nieuwe woning op kosten van de Wvg niet onproblematisch zou
kunnen zijn.
Van bijzondere omstandigheden die appellant aanleiding hadden moeten
geven om ten gunste van gedaagde van het beleid af te wijken is de Raad
niet gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de
aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit
gegrond is verklaard, dient te worden vernietigd. Het inleidend beroep
zal alsnog ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 februari
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|