|
Uitspraak
00/4304
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift van 5 augustus 2000
aangevoerde en nadien bij diverse brieven met talrijke bijlagen nader
toegelichte gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Groningen tussen partijen gewezen uitspraak van 17 juli 2000. Bij die
uitspraak is het beroep van appellant tegen gedaagdes besluit van 22 mei
2000 (het bestreden besluit) verworpen.
Het bestreden besluit bevat de handhaving van de eerdere afwijzing van
appellants verzoek om een financiële tegemoetkoming in de kosten van
verhuizing naar de woning [p-straat] te [woonplaats]. Gedaagde ziet
voor toewijzing van dat verzoek geen ruimte in de krachtens de Wet
voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) in de gemeente
Hoogezand-Sappemeer vastgestelde verordening (hierna: de Verordening)
aangezien appellant is verhuisd naar een uit oogpunt van zijn handicap
voor hem inadequate woning.
Gedaagde heeft een verweerschrift en - desgevraagd - nadere gegevens
ingezonden.
Het geding is achtereenvolgens behandeld ter zitting van de Raad van 4
september 2001 en van 12 december 2001.
Appellant is daar in persoon verschenen terwijl voor gedaagde is
opgetreden M.J.C. van den Briel, werkzaam bij de gemeente
Hoogezand-Sappemeer.
II. MOTIVERING
Gelet op de inhoud van de gedingstukken verwijst de Raad met betrekking
tot de voor dit geding van belang zijnde feiten, rechtsregels en de
standpunten van partijen in eerste aanleg naar pagina 1 en 2 van de
aangevallen uitspraak. Daaraan voegt de Raad toe, enerzijds, dat de
ontvangst van het schrijven van 19 juli 1999 waarbij gedaagde appellant
heeft meegedeeld dat hij, gelet op het advies van de GGD, uit medisch
oogpunt is aangewezen op verhuizing naar een zonder traplopen bereikbare
gelijkvloerse woning niet is weersproken en, anderzijds, dat appellant
ook in hoger beroep niet heeft weersproken de stelling van gedaagde dat
ten tijde in geding (flat)-(huur)woningen met lift - desgewenst - in
beginsel in voldoende mate te verkrijgen waren.
De rechtbank heeft - onder meer - gedaagdes onder I vermeld standpunt
onderschreven en het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe is bij
de aangevallen uitspraak (waar appellant wordt aangeduid als verzoeker
en gedaagde als verweerder) overwogen:
"Bij besluit van 19 juli 1999 hebben verweerders, na de daartoe
door verzoeker ingediende aanvraag van 21 oktober 1998, verzoeker
medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de
verhuis- en inrichtingskosten indien hij verhuist naar een gelijkvloerse
woning die zonder traplopen te bereiken is. Verweerders hebben dit
besluit gebaseerd op het door de GGD-arts J. Groot op 7 juli 1999
uitgebrachte advies. Evengenoemde arts heeft geconcludeerd dat de woning
[q-straat] te [woonplaats] voor verzoeker gelet op de beperkingen van
verzoeker een ergonomische belemmering voor hem vormt - drie hoog, geen
lift -. Verhuizing naar een gelijkvloerse woning acht zij medisch geďndiceerd.
Indien de woning aan de gestelde eisen voldoet wordt een
verhuiskostenvergoeding geadviseerd. In hun besluit van 19 juli 1999
hebben verweerders verzoeker medegedeeld dat hij verweerders er zo
spoedig mogelijk van in kennis moet stellen indien hij een passende
woning heeft verkregen. Op het moment dat verzoeker bij verweerders - op
30 augustus 1999 - een aanvraag indiende ter tegemoetkoming in de
verhuis- en inrichtingskosten naar zijn huidige woning, mét trap, was
verzoeker derhalve bekend met het op 19 juli 1999 door verweerders
ingenomen standpunt dat hij niet voor een tegemoetkoming in aanmerking
komt indien verhuizing plaatsvindt naar een woning met trap(pen).
Terzake van het door verzoeker op 30 augustus 1999 ingediende verzoek
heeft de GGD-arts J.E. Keizer op 4 april 2000 verweerders bericht dat de
woning waarnaar verzoeker is verhuisd op basis van de diagnose, prognose
en beperkingen door verzoeker op medische gronden niet normaal is te
gebruiken. De woning is gezien de prognose niet als langdurig adequaat
te beschouwen, zodat er geen indicatie op medische gronden bestaat voor
een verhuiskostenvergoeding. Positief wordt geadviseerd indien verzoeker
verhuist naar een gelijkvloerse woning die bereikbaar is met een lift.
(...)
De president is voorts van oordeel dat verzoeker op het moment dat hij
zijn huidige woning betrok, gelet op de voorgeschiedenis - resulterend
in het besluit van 19 juli 1999 - hij ervan kon uitgaan dat verweerders
de betreffende woning niet adequaat zouden vinden, en hem om die reden
geen tegemoetkoming zouden verstrekken.
Verzoeker heeft dienaangaand betoogd dat hij heeft gezocht naar een
gelijkvloerse woning, maar dat zo'n woning financieel niet haalbaar
bleek. Ook heeft verzoeker ter zitting verklaard dat zijn
gezondheidstoestand verslechtert, en dat hij ook daarom de huidige
woning heeft verkocht. Hoewel die woning niet adequaat is te achten is
de woning wel minder inadequaat dan zijn vorige woning.
Gelet op het door de GGD-arts op 4 april 2000 uitgebrachte advies is de
president van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het
standpunt hebben kunnen stellen dat verzoeker niet voor een
tegemoetkoming in aanmerking komt, en dat zij in redelijkheid hebben
kunnen besluiten geen toepassing te geven aan het bepaalde in artikel
8.1, eerste lid, Vvg (hardheidsclausule). De president neemt daarbij
mede in aanmerking dat - naar namens verweerders ter zitting is gesteld
en niet door verzoeker is weersproken - er ten tijde van de koop van de
huidige woning van verzoeker, en ook thans, voldoende aanbod was, en is,
van adequate (flat)huurwoningen, doch dat verzoeker niet zodanige woning
wenst. Dat verweerders, naar verzoeker heeft gesteld, verzoeker geen
woningen hebben aangeboden maakt dit niet anders."
Ter beantwoording is de vraag of gedaagde terecht heeft besloten om
appellants verzoek om een verhuiskostenvergoeding af te wijzen op de
grond dat er geen sprake is van een adequate woonruimte gelet op de aan
zijn handicap verbonden beperkingen in het normaal gebruik van het door
hem bewoonde huis op de [p-straat].
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Het bestuur van de gemeente Hoogezand-Sappemeer heeft in hoofdstuk 2, in
samenhang met - voor zover hier van belang - artikel 1.2, eerste lid,
aanhef en onder c, van de Verordening, invulling gegeven aan de hem in
artikel 3, juncto artikel 2, eerste lid van de Wvg opgedragen taak om
zorg te dragen voor verantwoorde woonvoorzieningen.
Hierbij moet enerzijds worden bedacht dat de wetgever bewust ruimte
heeft gelaten aan de gemeenten om naar eigen beleidsinzicht aan die
opdracht gestalte te geven en anderzijds dat het gemeentebestuur zowel
bij de vaststelling als bij de toepassing van de Verordening gehouden is
tot inachtneming van de in artikel 3 van de Wvg globaal aangegeven
ondergrens. Dit laatste betekent dat geen voorzieningen mogen worden
verstrekt die niet verantwoord zijn.
Naar hetgeen in artikel 1.2.1, onder b en c, en artikel 2. 4, juncto
artikel 2.1 onder a, van de Verordening, in samenhang met artikel 1,
eerste lid, onder c en artikel 3 van de Wvg, ligt besloten, is gedaagde
bevoegd om - bij wijze van verantwoorde woonvoorziening - een financiële
tegemoetkoming te verstrekken in de verhuiskosten, mits wordt verhuisd
naar een woonruimte die met het oog op de handicap naar objectief
medische maatstaf adequaat is te achten. Daarvan is sprake als die
ruimte met inachtneming van de aantoonbaar uit de handicap
voortvloeiende beperkingen bij de normale elementaire woonfuncties, als
langdurig geschikt moet worden beschouwd.
Indien aan dat vereiste niet is voldaan kan een woning niet worden
aangemerkt als adequaat, ook al zou de gehandicapte er minder
belemmeringen ondervinden dan in zijn vorige woning.
Niet gezegd kan worden dat de wijze waarop het gemeentebestuur bij de
vaststelling van dit stelsel in de Verordening gestalte heeft gegeven
aan zijn zorgplicht, in strijd komt met voormelde bepalingen van de Wvg
en de daarin neergelegde ondergrens.
De vraag of appellant, naar objectief medische maatstaf gemeten, vanwege
zijn handicap op de [p-straat] zodanig in de gebruikmaking van de
normale elementaire woonfuncties wordt belemmerd dat die woning niet,
althans niet langdurig, geschikt voor hem is, beantwoordt de Raad, gelet
op de voorhanden gegevens, bevestigend.
De Raad onderschrijft de overwegingen terzake in de aangevallen
uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat, enerzijds, de door de GGD-arts
J.E. Keizer gestelde prognose overeenkomt met de door appellant in
bezwaar en ter zitting van de rechtbank uitgesproken verwachting dat hij
binnen enige jaren rolstoelafhankelijk en geheel buiten staat zal zijn
een trap te gebruiken, en anderzijds, dat appellant zelfs geen begin van
medisch onderbouwd tegenbewijs heeft geleverd tegen de door de betrokken
GGD-artsen gerapporteerde onderzoeksbevindingen, er op neer komend dat
hij door zijn handicap is aangewezen op een woning zonder trap. De
slotsom luidt derhalve dat de woning op de [p-straat] niet voldoet aan
voormelde, aan appellant tevoren duidelijk meegedeelde, ingevolge de
Verordening geldende randvoorwaarde.
Voorzover hetgeen appellant voorts aanvoert betrekking heeft op de hier
aan de orde zijnde Wvg-voorziening wordt daarbij voorbij gezien aan
voormelde in zijn geval ingevolge de Verordening van toepassing zijnde
voorwaarde.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad
merkt in dit verband op dat, appellants grieven voor het overige de
perken van het onderhavige rechtsgeding te buiten gaan en mitsdien
buiten beschouwing worden gelaten.
Mede gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad geen termen aanwezig
voor een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A.van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|