|
Uitspraak
01/5187
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 15 september 1999 heeft gedaagde beslist op het
verzoek van appellant hem op grond van de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten 1996
(Verordening) van de gemeente Amersfoort een vervoersvoorziening in de
vorm van een bruikleenauto toe te kennen. In plaats van de door
appellant gewenste vervanging van de hem - door het GAK in bruikleen
verstrekte - aangepaste auto heeft gedaagde aan appellant een
scootmobiel in bruikleen alsmede een kostenvergoeding voor het opladen
daarvan toegekend. Na nader onderzoek van de vervoersbehoefte van
appellant heeft gedaagde het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift
op 25 juli 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft het beroep tegen laatstbedoeld besluit bij
uitspraak van 29 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Door gedaagde is een verweerschrift ingezonden en zijn op verzoek van de
Raad nadere stukken overgelegd. Appellant heeft op 5 februari 2002 een
schikkingsvoorstel gedaan dat door gedaagde bij brief van 8 februari
2002 is afgewezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 februari 2002.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr.
M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam. Gedaagde is daar - met kennisgeving
- niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
De behoefte van appellant aan een bruikleenauto komt vooral voort uit
het feit dat hij gedurende drie dagen per week in het kader van de Wet
sociale werkvoorziening in Emmeloord werkzaam is bij de [werkgever] N.V.
Sinds 1991 heeft het GAK aan appellant een bruikleenauto ter beschikking
gesteld op grond van artikel 57 (oud) van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet. De door appellant aan gedaagde gevraagde
vervangende voorziening zou moeten inhouden dat gedaagde hem een nieuwe
aangepaste auto in bruikleen ter beschikking stelt aangezien de
werkgeefster heeft besloten te volstaan met uitkering van de ingevolge
de CAO in normale gevallen geldende vergoeding van f 0,19 per kilometer
en geen aanleiding ziet toepassing te geven aan de in artikel 31 van de
CAO neergelegde bevoegdheid om in bijzondere gevallen een extra
geldelijke tegemoetkoming te verstrekken. GAK Nederland B.V. heeft een
verzoek om verstrekking van een bruikleenauto op grond van artikel 31,
eerste lid, van de Wet op de (re)integratie van arbeidsgehandicapten
eveneens afgewezen, omdat appellant werkzaam is in het kader van de Wsw.
De rechtbank heeft onder meer overwogen dat artikel 2 van de Wvg de
gemeente beleidsvrijheid laat bij de vaststelling van de voorzieningen,
waaronder vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het
maatschappelijk verkeer, alsmede dat ingevolge die wet bij gemeentelijke
verordening onder meer de gevallen en de vorm worden bepaald waarin
voorzieningen kunnen worden verleend. De hier toepasselijke Verordening
Voorziening Gehandicapten (1996) van de gemeente Amersfoort (hierna: de
Verordening) bepaalt in artikel 1.2 dat geen voorziening wordt toegekend
voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de
voorziening bestaat. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de
slotsom gekomen dat - kort gezegd - de Wvg voorziet in verstrekking van
leefvoorzieningen en dat, mede gelet op voormelde bepaling van de
Verordening, de werkgeefster in beginsel gehouden is een regeling voor
het vervoer van appellant te treffen.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt. Hij beantwoordt deze vraag, evenals de
rechtbank, bevestigend. Het volgende wordt overwogen.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg
draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten
behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de
gemeente woonachtige gehandicapten.
Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen doeltreffend,
doelmatig en cliëntgericht te zijn. In artikel 2, eerste lid, van de
Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van
hetgeen bij en krachtens de Wvg bepaald is bij verordening regels dient
vast te stellen.
Naar de Raad reeds vele malen heeft overwogen heeft de wetgever met
bovenstaand samenstel van bepalingen aan de gemeentebesturen bewust
ruimte gelaten om naar eigen (beleids)inzicht aan hun zorgplicht
gestalte te geven. De rechter dient deze ruimte, gezien zijn
staatsrechtelijke positie, in beginsel te respecteren, onverminderd de
gehoudenheid van de gemeentebesturen om zowel bij de vaststelling als
bij de toepassing van hun verordeningen de in voormelde bepalingen van
de Wvg globaal aangegeven ondergrens in acht te nemen.
Dit laatste brengt mee dat aan de ter plaatse wonende gehandicapten, die
daarop aangewezen zijn, een zodanige vervoersvoorziening dient te worden
aangeboden dat zij in hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare
mate in staat worden gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel
te nemen aan het leven van alledag. Daarin ligt tevens besloten dat de
aanwezigheid van belangrijke bovenregionale contacten en/of activiteiten
op zichzelf genomen niet beslissend kan zijn voor de omvang van de
zorgplicht van de gemeentebesturen, zij het dat dit anders kan komen te
liggen indien door of vanwege de belanghebbende duidelijk wordt
aangetoond, of anderszins komt vast te staan, dat zonder die contacten
of activiteiten sociaal isolement of vervreemding optreedt (97/2184
WVG).
De Raad stelt vast dat de door appellant aangevraagde voorziening
bestemd is voor woon-werkverkeer van Amersfoort naar Emmeloord, dat wil
zeggen vervoer naar een bestemming die niet is gelegen in de naaste
woon- en leefomgeving van de gehandicapte. Aangezien niet is gebleken
dat de gemeenteraad van Amersfoort ervoor heeft gekozen zijn
verantwoordelijkheid ingevolge de Wvg voor vervoersvoorzieningen
categorisch uit te breiden tot bovenregionale bestemmingen, daaronder
begrepen het vervoer naar Emmeloord, en van een bijzonder geval - als in
's Raads jurisprudentie bedoeld - waarin sociaal isolement of
vervreemding optreedt evenmin is gebleken, is de Raad van oordeel dat
reeds hierom in het onderhavige geval aan het bepaalde bij en krachtens
de Wvg geen aanspraak op de aangevraagde voorziening kan worden
ontleend.
De Raad overweegt, gelet op het vorenoverwogene ten overvloede, voorts
het volgende. In artikel 2 van de in 1997 in werking getreden nieuwe Wet
sociale werkvoorziening is bepaald dat met de werknemers een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt afgesloten. Deze
werknemers worden ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (1998) niet aangemerkt als
arbeidsgehandicapten in de zin van die wet. Dit heeft ten gevolge dat
voor de tegemoetkoming in de vervoerskosten thans de bepalingen van de
CAO voor Wsw-werknemers van toepassing zijn. Deze CAO-bepalingen nemen
hierdoor de plaats in van het Besluit en de Regeling rechtspositie en
arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening. De Raad verstaat in verband
daarmee artikel 1.2, tweede lid, van de Verordening, bezien in samenhang
met artikel 2 van de Wvg, aldus dat thans de bepalingen van deze CAO
niet op voorhand betekenis mag worden ontzegd bij de beoordeling of in
het kader van de Wet sociale werkvoorziening aanspraak bestaat op
(enigerlei tegemoetkoming terzake) de gevraagde voorziening.
Zoals hiervoor door de Raad is vastgesteld valt de gevraagde voorziening
voor het woon-werkverkeer van appellant in het kader van de Wvg buiten
het toepassingsbereik van de zorgplicht van gedaagde. De door artikel 3
van die wet voorgeschreven doeltreffendheid, doelgerichtheid en cliëntgerichtheid,
die onder omstandigheden kan meebrengen dat bij de verlening van wél
tot de zorgplicht van de gemeente behorende voorzieningen rekening wordt
gehouden met voorzieningen die krachtens andere regelingen zijn
getroffen, kan er, gelet op het vorenoverwogene in het onderhavige geval
niet toe leiden dat gedaagde de aanvraag van een voorziening voor het
woon-werkverkeer van appellant had moeten inwilligen.
De bereidheid van de werkgeefster, op andere wijze dan door toekenning
van een kilometervergoeding te voorzien in de vervoersbehoefte van
appellant, staat in dit geding niet ter beoordeling. Ter zitting is
overigens gebleken dat de werkgeefster inmiddels appellant in de
gelegenheid heeft gesteld de geleende auto over te nemen.
Naar in het vorengaande ligt besloten heeft de rechtbank het hoger
beroep derhalve terecht ongegrond verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in
de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin, als leden, in tegenwoordigheid
van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 2 april 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|