|
Uitspraak
00/3604
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens apellante is drs. J.G.A. Janssen, adviseur gehandicapten te Emmen,
op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een
door de Rechtbank Assen op 7 juni 2000 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 23 oktober 2001, waar partijen niet zijn verschenen.
De Raad heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek wordt heropend en
heeft gedaagde bij brief van 23 november 2001 verzocht een aantal vragen
te beantwoorden. Aan dat verzoek heeft gedaagde bij brief van 18
december 2001 voldaan.
Naar aanleiding van de inhoud van die brief van gedaagde van 18 december
2001 is namens appellante bij faxbericht van 21 december 2001 commentaar
gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 februari
2002, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. A.F. Teune, werkzaam bij de gemeente
Emmen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 juni 1997 heeft gedaagde geweigerd appellant een
individuele vervoersvergoeding toe te kennen. Bij dat besluit heeft
gedaagde appellante wél in aanmerking gebracht voor deelname aan het
collectief vervoer. Tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar
gemaakt.
Bij aanvraagformulier van 21 februari 1999 heeft appellante gedaagde
verzocht om in aanmerking te komen voor een vergoeding van de
aanpassingskosten van de door haar aangeschafte auto (busje). Dat
verzoek had betrekking op de kosten van een zogeheten click-and-go
systeem.
Bij primair besluit van 1 mei 1999 (verzonden: 19 mei 1999) is de door
appellante gevraagde autoaanpassing afgewezen. Daarbij is haar tevens
medegedeeld dat de haar toegekende vervoersvoorziening in de vorm van
deelname aan het collectief vervoer zal worden voortgezet.
Het tegen het primaire besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij
besluit van 7 oktober 1999 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan
dat bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat, gelet op het
GGD-advies van 15 april 1999, er geen medische redenen zijn waarom
appellante niet van het collectief vervoer gebruik zou kunnen maken.
Voorts is gedaagde van opvatting dat met de aan appellante verstrekte
scootmobiel en duwrolstoel, in combinatie met de mogelijkheid gebruik te
maken van het collectief vervoer, aan de op hem rustende zorgplicht in
het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten is voldaan.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten en heeft
daartoe onder meer het volgende overwogen:
"Alhoewel het alleszins begrijpelijk is dat eiseres de
voorkeur geeft aan vervoer per eigen auto en vaststaat dat zij daarmee
gemakkelijker en beter kan voorzien in haar sociale contacten, kan niet
gezegd worden dat eiseres in medisch opzicht daarop is aangewezen, noch
dat zij in een sociaal isolement geraakt indien zij geen gebruik kan
maken van haar eigen auto. In dat verband is niet alleen van belang dat
eiseres een behoorlijk aantal sociale contacten in haar directe
woonomgeving heeft, maar ook de omstandigheid dat eiseres niet alleen
gebruik kan maken van het collectief vervoer, doch ook van de aan haar
verstrekte scootmobiel. Voorts mag van eiseres volgens de hiervoor
weergegeven jurisprudentie worden gevergd dat zij zich enige beperkingen
oplegt ten aanzien van het onderhouden van haar sociale contacten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aan eiseres
toegekende voorziening als verantwoord en adequaat kan worden beschouwd.
De rechtbank overweegt voorts dat naar haar oordeel in het
gegeven dat eiseres zorgtaken als moeder heeft te vervullen en als
overblijfmoeder fungeert geen aanleiding kan worden gevonden voor een
ander oordeel. Ook niet indien daarmee wordt beoogd een beroep te doen
op de hardheidsclausule. De rechtbank is namelijk niet gebleken dat
bedoelde activiteiten niet kunnen worden verricht zonder gebruikmaking
van de eigen auto - in die zin dat dat wel lastiger doch zeker niet
onmogelijk is - terwijl voorts toepassing van de hardheidsclausule -
zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen in de uitspraak
gepubliceerd in JSV 1997/304 - niet aan de orde hoeft te zijn als het
gaat om het verrichten van vrijwilligerswerk. In vorenstaand verband
merkt de rechtbank nog op dat blijkens hetgeen ter zitting is verklaard
ook de kinderen van eiseres gebruik kunnen maken van het collectief
vervoer en dat de daarmee gepaard gaande kosten blijven binnen het door
de CRvB in bijvoorbeeld de uitspraak gepubliceerd in JSV 1998/117 als
verantwoord aangemerkte kader."
In hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd heeft de Raad
geen aanleiding gevonden om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de rechtbank het bestreden
besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.
Het hoger beroep van appellante komt hierop neer dat appellante van
mening is dat alleen haar oudste kind gratis als begeleider met het
collectief vervoer kan meereizen indien zij haar duwrolstoel meeneemt,
dat haar twee andere kinderen niet alleen thuis kunnen blijven en dat
het tarief van het collectief vervoer een beletsel vormt om al haar drie
kinderen mee te nemen indien zij gebruik zou maken van het collectief
vervoer.
Naar het oordeel van de Raad treffen de grieven van appellante geen
doel.
Voor de Raad is namelijk niet voldoende aannemelijk gemaakt dat
appellante meer dan incidenteel genoodzaakt zou zijn om al haar drie
kinderen mee te nemen indien zij van het collectief vervoer (eventueel
met een gratis reizende begeleider) gebruik zou maken. Daarbij heeft de
Raad in aanmerking genomen dat de tarieven van het collectief vervoer
die voor appellante gelden grosso modo gelijk zijn aan de tarieven van
het openbaar vervoer, dat de kinderen van appellante ten tijde in geding
overdag naar school gingen, dat het kopen van kleding voor de kinderen
niet perse op een woensdagmiddag hoeft plaats te vinden, dat van de
echtgenoot van appellante in de avonden en de weekenden redelijkerwijs
ook hulp verwacht mag worden, en dat appellante in een deel van haar
vervoersbehoefte kan voorzien door gebruik te maken van haar scootmobiel.
Gelet hierop kan en zal de Raad in het midden laten of het tarief voor
de overige meereizende kinderen in het collectief vervoer de toetsing
kan doorstaan.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het hoger beroep van appellante
niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van J.C.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) J.C. Meijer.
|
|