|
Uitspraak
00/5670
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om
haar ingevolge het bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg) bepaalde in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in
de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten verbonden aan
het gebruik van de eigen auto.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 20 januari 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 29 september 2000 ongegrond verklaard.
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 14 maart 2001 heeft appellante haar beroepschrift
aangevuld.
Desgevraagd heeft gedaagde de Raad bij brief van 11 oktober 2001 nadere
informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 2002,
waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door J.G.M. Ratingen en P. Coenen, werkzaam bij
de gemeente Weert.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de feiten, zoals deze zijn
weergegeven in rubriek II van de aangevallen uitspraak. Partijen hebben
die niet bestreden, zodat ook de Raad ze als vaststaand zal aannemen.
Bij die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er op grond van de
zich in het dossier bevindende medische gegevens, waaronder de
desgevraagd door gedaagde overgelegde informatie van de huisarts en
behandelend neuroloog Berns, ten aanzien van appellante weliswaar sprake
is van beperkingen, maar dat zij niet voldoet aan het in de Verordening
voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: de Verordening) opgenomen
criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk
maken". De rechtbank heeft op die grond het beroep verworpen.
Appellante voert in hoger beroep aan dat zij geen gebruik kan maken van
het openbaar vervoer omdat zij lijdt aan chronische pijn. Zij stelt dit
niet te kunnen bewijzen omdat er geen duidelijk zichtbare of aantoonbare
afwijkingen zijn. Deze pijn is in de loop der tijd verergerd. Voorts
geeft zij aan dat er ten tijde van haar aanvraag geen bushalte was in de
wijk waarin zij woont. Zij acht zich niet tot fietsen in staat vanwege
de toestand van haar knieën en evenwichtsproblemen en lopen kan zij
naar haar zeggen slechts over korte afstanden, afhankelijk van haar pijn
en energieverdeling op die dag.
Gedaagde blijft op grond van de medische advisering door de GGD
Midden-Limburg bij zijn standpunt dat appellante weliswaar beperkingen
heeft, maar dat zij niet voldoet aan het in de Verordening opgenomen
criterium "aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
die het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk
maken".
In geding is de vraag of het bestreden besluit van gedaagde, waarbij
zijn eerdere weigering om appellante een financiële tegemoetkoming in
de autokosten toe te kennen is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang,
dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van
vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten ten
behoeve van hun deelneming aan het maatschappelijk verkeer en dat het
met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe bij
verordening regels vaststelt.
In de gemeente Weert is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg
bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening.
Artikel 3.1 van de Verordening bepaalt - voor zover in dit geding van
belang - dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken
vervoersvoorziening kan bestaan uit een collectief systeem van
aanvullend al dan niet openbaar vervoer, een voorziening in natura of
uit een financiële tegemoetkoming. In artikel 3.2 van de Verordening is
bepaald dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening in aanmerking
kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van
ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken
van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.
Ter beoordeling staat derhalve of appellante als gevolg van aantoonbare
beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek - hetgeen impliceert, naar
de Raad in soortgelijke zaken heeft overwogen, naar objectief medische
maatstaf gemeten - geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of
dit vervoer niet kan bereiken.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellante is op 26 april 1999 aan
gedaagde medisch advies uitgebracht door de arts J.J. van
Everdingen-Bongers, verbonden aan de GGD Midden Limburg. Naar aanleiding
van de bezwaren van appellante tegen de weigering om haar aanvraag te
honoreren heeft de GGD Midden-Limburg op verzoek van gedaagde opnieuw
advies uitgebracht, ditmaal door de arts M.A.J. Haentjens, die ten
behoeve van zijn onderzoek beschikte over gegevens van de huisarts, de
behandelend neuroloog B.J. Berns en de neuroloog dr. J.F. de Rijk-van
Andel. Deze medische gegevens bevinden zich onder de gedingstukken.
Beide GGD-artsen concluderen op grond van hun bevindingen dat het
weliswaar aannemelijk is dat appellante ten gevolge van schouder en
nekklachten pijn ondervindt, maar dat zij daarmee, mede gelet op haar
actieradius te voet, in staat moet worden geacht gebruik te kunnen maken
van het openbaar vervoer.
In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins in de
voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om het
advies van de GGD-artsen voor onjuist te houden. Uit de aan de
advisering door de GGD ten grondslag liggende gegevens, bezien in
samenhang met de bevindingen van de GGD, valt af te leiden dat naar
objectief medische maatstaf niet is gebleken van beletselen voor
appellante om ten tijde hier in geding gebruik te maken van het openbaar
vervoer dan wel om dit vervoer te bereiken, zodat artikel 3.2 van de
Verordening aan honorering van de aanvraag van appellante in de weg
staat.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|