|
Uitspraak
01/1643
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Rotterdam op 9 februari 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 18 mei 2001 een verweerschrift ingezonden
alsmede een nader stuk.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 maart 2002, waar
voor appellant is verschenen mr. Van der Wal, voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Kuipers en
H.F.A. van Tiggelen, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft bij gedaagde op 10 december 1997 verstrekking van een
gesloten buitenwagen aangevraagd.
Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 16 juli 1998 op grond van
de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen
gehandicapten Rotterdam 1994 (Verordening) afgewezen. Daarbij is in
aanmerking genomen dat de reeds toegekende voorzieningen, te weten
deelname aan het collectief vervoerssysteem 'Vervoer op Maat' en een
scootmobiel, adequaat zijn en dat er geen medische noodzaak is voor
verplaatsingen buitenshuis in een gesloten buitenwagen. Gedaagde baseert
dit standpunt op een door Zorgvoorzieningen Nederland N.V. (ZVN)
uitgebracht advies van 31 oktober 1996.
Het vanwege appellant ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit
van 26 januari 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Overwogen is - samengevat -
dat haar niet is gebleken dat appellant ten tijde in geding om medische
redenen geen gebruik kon maken van het collectief vervoer en een
scootmobiel. Gedaagde mocht zich, naar haar oordeel, voor het standpunt
dat appellant dat wel kon baseren op het ZVN-advies van 31 oktober 1996,
nu de door appellant in de bezwaarfase verstrekte beperkte gegevens geen
aanleiding behoefden te geven om hem opnieuw medisch te laten
onderzoeken. De klacht van appellant over het niet op tijd rijden van
het collectief vervoer heeft de rechtbank als onvoldoende onderbouwd
verworpen. Met betrekking tot zijn klacht over problemen die hij stelt
te ondervinden bij het bezoek van buiten Rotterdam woonachtige familie
heeft zij geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant in een sociaal
isolement is terecht gekomen.
Vanwege appellant is in hoger beroep aangevoerd dat een gesloten
buitenwagen vanwege zijn medische klachten noodzakelijk is. Gedaagde
heeft zich naar zijn mening ten onrechte gebaseerd op verouderde, van 31
oktober 1996 daterende, medische gegevens. Appellant stelt er
verschillende malen op te hebben gewezen dat zijn gezondheidstoestand
was verslechterd. Dit gegeven vindt volgens appellant steun in de
omstandigheid dat gedaagde aan appellant bij besluit van 28 november
2000 een financiële tegemoetkoming heeft toegekend voor het gebruik van
een door zijn schoondochter ter beschikking gestelde aangepaste auto.
Gedaagde had naar zijn mening een nieuw medisch onderzoek moeten
gelasten en inlichtingen moeten opvragen bij de behandelende sector.
Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat hem niet mag worden
tegengeworpen dat hij (te) beperkt gegevens heeft verstrekt nu gedaagde
in zijn brief van 11 december 1997 heeft aangegeven dat met appellant
contact zou worden opgenomen voor huisbezoek of het spreekuur. Gedaagde
heeft echter geen huisbezoek afgelegd en appellant evenmin opgeroepen
voor het spreekuur. Daardoor is hem niet de gelegenheid geboden zijn
aanvraag toe te lichten.
Vanwege gedaagde is in hoger beroep vastgehouden aan het in het
bestreden besluit neergelegde standpunt. De enkele omstandigheid dat de
medische beperkingen van appellant in de periode van 10 december 1997
tot 26 januari 1999 aan verandering onderhevig zijn geweest brengt naar
zijn mening niet mee dat die beperkingen ten tijde in geding een
zodanige omvang hadden gekregen dat hij geen gebruik (meer) kon maken
van het collectief vervoer en een scootmobiel.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag, evenals
de rechtbank, bevestigend. Het volgende wordt overwogen.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg
draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten
behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de
gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg
dienen deze voorzieningen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te
zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het
gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg
bepaald is bij verordening regels dient vast te stellen.
De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Rotterdam uitvoering
gevende aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg de Verordening heeft
vastgesteld. Blijkens het systeem van die verordening kan een
gehandicapte voor verstrekking van een gesloten buitenwagen in
aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
gebrek het gebruik van een systeem van collectief vervoer onmogelijk
maken.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel, gezien de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting, dat niet is komen vast te staan dat appellant
ten tijde in geding ten gevolge van ziekte of gebrek, naar objectief
medische maatstaf gemeten, buiten staat was om gebruik te maken van het
collectief vervoer en een scootmobiel. De Raad moet appellant toegeven
dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medisch advies
van ZVN ten tijde van belang ouder was dan in de regel aanvaardbaar kan
worden geacht, maar stelt daar tegenover dat door of vanwege appellant
noch in bezwaar, noch in (hoger) beroep concrete medische gegevens zijn
ingezonden of overgelegd waaraan twijfel kan worden ontleend betreffende
de juistheid of volledigheid van de medische gegevens waarvan gedaagde
bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan. Gelet hierop kan
niet gezegd worden dat aannemelijk is geworden dat het bestreden besluit
op een ondeugdelijke medische grondslag berust. De Raad heeft daarbij
mede in aanmerking genomen dat gedaagde er ter zitting van de Raad
onweersproken op heeft gewezen dat appellant hangende het beroep bij de
rechtbank feitelijk regelmatig gebruik maakte van het collectief vervoer
en een scootmobiel en dat de revalidatiearts H.B.A. Braak-Veldsink nog
bij brief van 31 mei 2001 positief geadviseerd heeft over de toekenning
van laatstgenoemde voorziening.
Hieruit volgt dat appellant ten tijde in geding, gezien het systeem van
de Verordening, geen recht had op verstrekking van een gesloten
buitenwagen. De Raad is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die
gedaagde aanleiding hadden moeten geven hiervan af te wijken ter
voorkoming van onbillijkheden van overwegende aard.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op
27 maart 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|