|
Uitspraak
01/5127
WVG en 01/5128 WVG
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden,
appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij primair besluit van 6 juli 1998 heeft appellant aan gedaagde met
ingang van 1 maart 1998 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten 1998 (Verordening)
van de gemeente Leiden een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van
een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer per taxi, eigen
auto of door derden ter grootte van 50% van het voor 1998 geldende
normbedrag van f 2.520,-- per jaar.
Het namens gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het
bestreden besluit van 16 november 1999 (besluit 1) ongegrond verklaard.
Bij primair besluit van 30 december 1999 heeft appellant aan gedaagde
voor het jaar 2000 op grond van de Wvg en de Verordening een zelfde
vervoersvoorziening ter grootte van 50% van het voor 2000 geldende
normbedrag van f 2.580,-- per jaar toegekend.
Het namens gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het
bestreden besluit van 4 juli 2000 (besluit 2) ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep tegen de bestreden besluiten
bij uitspraak van 1 augustus 2001 gegrond verklaard, die besluiten
vernietigd, en gelast dat nieuwe besluiten worden genomen met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts is
gedaagde in die uitspraak veroordeeld tot vergoeding van het
griffierecht.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Partijen hebben vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 19
februari 2002. Voor appellant is daar verschenen I. de Vrind, werkzaam
bij de gemeente Leiden. Gedaagde is daar - met kennisgeving - niet
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen
partijen niet in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.
Gedaagde, geboren [in] 1922, lijdt sinds ruim 30 jaar aan een ernstige
fobie waardoor zij buitenshuis altijd begeleiding nodig heeft van haar
echtgenoot. In januari 1998 heeft zij een vervoersvoorziening
aangevraagd. Zij stelt er niet eerder van op de hoogte te zijn geweest
dat ook personen met een psychische handicap voor zulk een voorziening
in aanmerking kunnen komen aangezien de voorlichting van de gemeente
Leiden onduidelijk zou zijn geweest. De aanvraag zou eerder zijn
ingediend als de voorlichtingsbrief van de gemeente van 25 september
1997 op dit punt duidelijk was geweest.
Gedaagde is het niet eens met de ingangdatum van de toegekende
vervoersvoorziening en met hoogte van het toegekende bedrag. Zij stelt
zich, blijkens de gedingstukken, op het standpunt dat de voorziening in
1997 had moeten ingaan en dat er geen reden is om de normvergoeding in
haar geval te halveren. Voorts is zij van mening dat appellant bij de
voorbereiding van besluit 1 geen (nieuw) advies had mogen inwinnen bij
de GGD, maar had moeten afgaan op het GGD-advies van 15 december 1969,
welk advies inhoudt dat zij tengevolge van haar psychische klachten is
aangewezen op vervoer per eigen auto en dat zij niet per openbaar
vervoer kan reizen.
Besluit 1 berust op het standpunt dat appellante de aanvraag op 13 maart
1998 heeft ingediend en dat ingevolge artikel 1.1 onder j van de
Verordening de voorziening niet eerder kan ingaan dan op de eerste dag
van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Appellant ziet, blijkens
dit besluit, geen redenen om de voorziening eerder te doen ingaan
aangezien gedaagde, naar zijn mening, zelf verantwoordelijk is voor het
moment van indienen van de aanvraag. De halvering van het normbedrag
berust blijkens dit besluit op vast beleid.
Besluit 2 berust op het standpunt dat uit het GGD-advies van 19 mei 1998
blijkt dat appellant geen ergonomische beperkingen heeft zodat zij in
principe met het openbaar vervoer kan reizen. Aangezien een gehandicapte
in het openbaar vervoer kosteloos kan worden begeleid door een
begeleider, bestaat er blijkens dit besluit in feite geen zorgplicht
ingevolge de Wvg. Niettemin kan aan belanghebbenden met een fobie,
waarvan de behandeling niet adequaat is gebleken, conform gemeentelijk
beleid een gehalveerd normbedrag worden toegekend ten behoeve van
aantoonbare kosten van begeleiding, welk beleid in casu op gedaagde is
toegepast. Appellant acht het zinvol dat een nieuw GGD-advies is
opgevraagd aangezien het van 1969 daterende GGD-advies slechts een
beperkte gelding heeft.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten gevoegd
behandeld, de beroepen gegrond verklaard en de bestreden besluiten
vernietigd. Zij heeft daartoe - onder meer - overwogen dat appellant
niet gevolgd wordt in zijn standpunt dat gedaagde niet in aanmerking
komt voor een vervoersvoorziening ingevolge de Wvg in de vorm van een
tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto, of een
taxi, of vervoer door derden, omdat gedaagde uitsluitend psychische
beperkingen heeft en er geen sprake is van ergonomische beperkingen.
Onder gehandicapte in de zin van de Wvg dient volgens de rechtbank
blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg te worden
verstaan de persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare
beperkingen ondervindt op het gebied van wonen of het zich binnen of
buiten de woning verplaatsen; psychische beperkingen zijn daarbij niet
uitgesloten. Gelet hierop heeft zij geoordeeld dat de beide bestreden
besluiten in strijd met artikel 1, aanhef en onder a, van de Wvg zijn
genomen. Voorts heeft zij overwogen dat de bestreden besluiten niet
berusten op een deugdelijke motivering. Weliswaar heeft appellant, naar
haar oordeel, terecht een nieuw GGD-advies gevraagd, maar uit dit advies
blijkt niet of is onderzocht dat gedaagde, gelet op haar fobie, in staat
is om met begeleiding van haar echtgenoot gebruik te maken van het
openbaar vervoer. De overweging dat eiseres daarvoor niet ergonomisch
beperkt is, acht de rechtbank onvoldoende.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank bij de
toetsing van besluit 1 buiten de omvang van het geschil is getreden door
een oordeel te geven over de hoogte van de toegekende tegemoetkoming nu
vanwege gedaagde, met betrekking tot dit besluit, in bezwaar en beroep
alleen grieven zijn gericht tegen de ingangsdatum. Voorts is naar zijn
mening ten onrechte geen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van die
datum. Met betrekking tot besluit 2 is aangevoerd dat met het begrip
ergonomische beperkingen wellicht een te enge uitleg wordt gegeven aan
de wet, maar dat dit in casu niet heeft geleid tot weigering van een
voorziening. Verder is naar voren gebracht dat uit het GGD-advies van 19
mei 1998 blijkt dat onder ogen is gezien dat gedaagde ruim 30 jaar een
fobie heeft en dat zij buitenshuis wordt begeleid door haar echtgenoot,
maar dat desalniettemin is aangenomen dat gedaagde - met begeleiding van
haar echtgenoot - in het openbaar vervoer kan reizen. Appellant meent
voor zijn standpunt ook steun te kunnen vinden in een nader GGD-advies
van 17 september 2001.
Namens gedaagde is in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerdere
instanties ingenomen standpunten.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt
mee dat, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een
heroverweging van het bestreden besluit betreft. Artikel 8:69, eerste
lid, van de Awb houdt in dat de rechtbank uitspraak doet op de grondslag
van het beroep, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het
vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Daarbij geldt, ingevolge het
tweede lid van dit artikel, dat zij de rechtsgronden ambtshalve aanvult.
De Raad stelt vast dat gedaagde noch in bezwaar, noch in beroep bij de
rechtbank, te kennen heeft gegeven dat hij de grondslag en de hoogte van
de bij besluit 1 toegekende financiële tegemoetkoming buiten het aan
appellant, respectievelijk de rechtbank voorgelegde geschil heeft willen
houden. De Raad is gelet hierop, mede in aanmerking genomen de
omstandigheid dat de rechtbank de beroepen tegen besluit 1 en besluit 2
gevoegd heeft behandeld en dat gedaagde zich in beroep uitdrukkelijk
heeft gekeerd tegen de juistheid van de medische advisering en de hoogte
van de tegemoetkoming, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de
rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door de grondslag
van die tegemoetkoming in zijn beoordeling te betrekken.
Hieruit volgt dat het hoger beroep in zoverre geen doel treft.
Ten aanzien van de grondslag van de beide bestreden besluiten stelt de
Raad vast dat deze, voor wat het medische aspect aangaat, steunt op het
GGD-advies van 19 mei 1998. Uit dit advies blijkt dat gedaagde ten tijde
van het onderzoek al 30 jaar ernstige fobische klachten had waardoor zij
niet alleen op straat durft. Aangezien zij geen ergonomische beperkingen
heeft adviseerde de GGD tot afwijzing van de tegemoetkoming voor de
kosten van het gebruik van de eigen auto, maar tot toewijzing van een
vergoeding voor begeleiding.
De Raad is van oordeel dat op grond van dit advies niet kan worden
geconcludeerd dat gedaagde, in aanmerking genomen haar ernstige fobische
klachten, in staat was om met begeleiding van haar echtgenoot gebruik te
maken van het openbaar vervoer. De in hoger beroep ingezonden nadere
verklaring van de GGD van 17 september 2001 maakt dat niet anders
aangezien daarin uitsluitend valt te lezen dat er geen ergonomische
belemmeringen zijn om onder begeleiding van het openbaar vervoer gebruik
te maken. Ook uit deze verklaring valt niet af te leiden dat de ernstige
fobische klachten van gedaagde haar, ten tijde in geding, niet
verhinderden om onder begeleiding gebruik te maken van het openbaar
vervoer.
Hieruit volgt dat de bestreden besluiten een deugdelijke motivering
ontberen, reden waarom zij wegens strijd met het bepaalde in artikel
7:12, eerste lid, van de Awb geen stand kunnen houden in rechte. De
aangevallen uitspraak, waarbij die besluiten zijn vernietigd, komt
derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad voegt aan het vorenstaande, ter voorlichting van partijen toe,
dat geen rechtsregel zich er in het onderhavige geval tegen verzet dat
de bij besluit 1 toegekende financiële tegemoetkoming niet eerder
ingaat dan op 1 maart 1998.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
Van appellant dient gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet
een griffierecht te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven groot €
327,--, te betalen door de gemeente Leiden.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin, als leden, in tegenwoordigheid
van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 27 maart 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|