|
Uitspraak
01/245
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen,
appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 9 december 1998 heeft appellant afwijzend
beslist op de aanvraag van gedaagde hem op grond van de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen
gehandicapten van de gemeente Steenbergen (Verordening) een
vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een financiële
tegemoetkoming in de aanpassing van zijn auto.
Het namens gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het
bestreden besluit van 3 augustus 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij
uitspraak van 30 november 2000 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd, en gelast dat een nieuw besluit op bezwaar wordt genomen met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts is
gedaagde in die uitspraak veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en
griffierecht.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. J.J. Bogaart, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand
te Zoetermeer, een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 februari 2002.
Voor appellant is daar verschenen M. Lambers. Gedaagde is daar - met
kennisgeving - niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de van belang zijnde feiten en
omstandigheden naar rubriek 2.1 van de aangevallen uitspraak. De
juistheid van deze weergave wordt door partijen niet betwist, zodat ook
de Raad - nu aanknopingspunten voor het tegendeel ontbreken - deze als
vaststaand zal aannemen.
Het bestreden besluit van 3 augustus 1999 berust op het standpunt dat de
aangevraagde vervoersvoorziening, te weten een financiële
tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de auto van gedaagde,
niet de goedkoopste adequate oplossing is voor de problemen die hij
ondervindt bij zijn verplaatsingen buitenshuis. Appellant is van mening
dat een vergoeding voor vervoer per rolstoeltaxi even adequaat is als
vervoer per eigen aangepaste auto, maar dat vervoer per rolstoeltaxi
goedkoper is dan de kosten van aanpassing van die auto. Appellant gaat
er daarbij van uit dat gedaagde ten tijde in geding een in aanmerking te
nemen vervoerbehoefte had van 2.480 kilometer per jaar waarmee op
jaarbasis een vervoersvergoeding van f 8.432,-- gemoeid is. Voorts gaat
appellant ervan uit dat de kosten van aanpassing van de auto f 51.512,--
bedragen en dat deze aanpassing in 5 jaar moet worden afgeschreven.
Appellant concludeert op grond van deze gegevens dat de
rolstoeltaxivergoeding in 5 jaar f 42.160,-- beloopt, wat goedkoper is
dan de aanpassingskosten van de auto.
Tussen partijen is de vraag in geschil of de rolstoeltaxi voor gedaagde
een adequate voorziening is. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat
hij psychisch zal decompenseren indien hij niet kan beschikken over een
eigen aangepaste auto. Zijn sociale leven zal verarmen en hij zal zijn
vrijwilligerswerk voor de Vereniging Spierziekten Nederland moeten
staken. Voorts dreigt hij alsdan zijn rijbewijs te verliezen. Namens
appellant is verder aangevoerd dat een aangepaste auto niet 5 jaar,
zoals appellant aanneemt, maar zeker 10 jaar meegaat.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft daarbij doorslaggevende
betekenis gehecht aan een rapport dat mr. M.C. Huisman, medisch adviseur
en geregistreerd verzekeringsgeneeskundige, in haar opdracht heeft
uitgebracht. Zij leidt uit dat rapport - alsmede uit een in opdracht van
appellant uitgebracht rapport door Mediplus - af dat indien gedaagde
niet kan beschikken over een eigen auto een forse bestaansverschraling
dreigt en dat een daarmee samenhangende psychische decompensatie in de
lijn der verwachtingen ligt. Gelet hierop was zij van oordeel dat
appellant niet in redelijkheid, met een beroep op de reikwijdte van haar
zorgplicht, de aangevraagde voorziening heeft kunnen weigeren.
Appellant heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn standpunt dat de
rolstoeldeeltaxi een adequate voorziening is voor de regionale
vervoerbehoefte van gedaagde. De bovenregionale vervoerbehoefte -
vakantie en vrijwilligerswerk - valt naar zijn mening buiten de uit de
Wvg voortvloeiende zorgplicht. Voor een uitzonderingssituatie waarin
sociaal isolement of vervreemding dreigt, is naar zijn mening niet te
vrezen nu gedaagde binnen de regio vele sociale contacten heeft. Verder
is aangevoerd dat niet is gebleken dat gedaagde psychisch zal
decompenseren wanneer hij niet over een auto kan beschikken.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerdere
instanties ingenomen standpunten.
De Raad overweegt als volgt.
In dit geding moet allereerst de vraag worden beantwoord of gedaagde ten
tijde in geding ten gevolge van - naar objectief medische maatstaf vast
te stellen - ziekte of gebrek niet in staat was gebruik te maken van
rolstoeltaxivervoer.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Uit de vele medische rapporten
en verklaringen - in hun onderling verband bezien - kan naar 's Raads
oordeel niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat gedaagde op
objectief medische gronden geen gebruik kon maken van de rolstoeltaxi
voor de door hem gewenste verplaatsingen buitenshuis. Evenmin kan
daaruit, naar 's Raads oordeel, met voldoende zekerheid worden afgeleid
dat appellant psychisch zal decompenseren wanneer hij zich niet per
eigen - aangepaste - auto zal kunnen verplaatsen. Weliswaar wordt in de
rapportage van Mediplus aan appellant, alsmede in het rapport van de
deskundige van de rechtbank, Huisman, aangegeven dat het niet kunnen
beschikken over een auto, naar verwachting, gevolgen zal hebben voor het
geestelijk welbevinden van appellant, maar aan dat gegeven kan in het
onderhavige geding, naar 's Raads oordeel, geen doorslaggevende
betekenis worden gehecht nu het niet berust op kenbaar psychologisch,
dan wel psychiatrisch onderzoek volgens daarvoor in aanmerking komende
methoden en technieken.
Dit betekent dat appellant terecht heeft aangenomen dat gedaagde zich
ten tijde in geding kon laten vervoeren per rolstoeltaxi en dat
geoordeeld moet worden dat het bestreden besluit in zoverre op een
deugdelijke grondslag berust.
De Raad kan zich echter niet verenigen met het in het bestreden besluit
neergelegde standpunt dat een rolstoeltaxikostenvergoeding in het geval
van gedaagde de goedkoopste adequate voorziening is.
Appellant is er blijkens het bestreden besluit van uitgegaan dat de
vervoerbehoefte van gedaagde - 15.595 kilometer per jaar - voor 2.480
kilometer per jaar gehonoreerd moet worden en dat daarmee een vergoeding
van f 8.432,-- per jaar gemoeid is. Dit in aanmerking genomen is
appellant er evenwel niet in geslaagd deugdelijk te motiveren waarom bij
de vergelijking van de in aanmerking komende voorzieningen -
rolstoeltaxi en aanpassing van de auto - een afschrijvingstermijn van de
aanpassingen van 5 jaar in aanmerking moet worden genomen. De Raad wijst
er in dit verband op dat in het gepubliceerde Verstrekkingenboek
gesproken wordt over een afschrijvingstermijn van 5 tot 7 jaar en dat de
- ter zitting van de Raad gestelde aanscherping tot 5 jaar op basis van
afspraken met andere gemeenten - niet vooraf is bekend gemaakt op de
voor bekendmaking van beleidsregels voorgeschreven wijze. De Raad laat
daarbij nog in het midden of een afschrijvingstermijn van 7 jaar
rechtens zonder onderbouwing aanvaardbaar kan worden geacht nu onder
vigeur van de AAW verstrekte aangepaste auto's doorgaans een langere
technische levensduur hadden.
Mede in aanmerking genomen dat een afschrijvingstermijn van 7 jaar ertoe
leidt dat niet gezegd kan worden dat een rolstoeltaxivergoeding de
goedkoopste adequate voorziening is, berust het bestreden besluit, gelet
op het vorenstaande, op een ondeugdelijke motivering, zodat het wegens
strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
niet in stand kan blijven.
Uit het voorafgaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit
terecht heeft vernietigd en dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad merkt, ter voorlichting van partijen en ter voorkoming van
misverstand, op dat in het vorenstaande niet besloten ligt dat de
aangevraagde autoaanpassing zonder meer tot een bedrag van f 51.512,--
dient te worden vergoed.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,--.
Van appellant dient gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet
een griffierecht te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van proceskosten groot € 322,--;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven groot €
327,--;
Wijst de gemeente Steenbergen aan als de rechtspersoon die de
proceskosten en het griffierecht dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en prof. dr. E.M.H. Hirsch Ballin, als leden, in tegenwoordigheid
van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 28 maart 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|