|
Uitspraak
01/741
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat te
Roermond, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Roermond op 20 december 2000 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 5 april 2002, waar
appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve
opgeroepen - is verschenen bij zijn gemachtigden drs. E.H.M.G. Duysters
en H.J. Huts, werkzaam bij gedaagdes gemeente.
II. MOTIVERING
Aan appellante is op 26 april 1994 een vervoerskostenvergoeding
toegekend voor de deelname aan het dagelijkse maatschappelijke verkeer.
Op 17 juni 1994 is aan haar eveneens een dergelijke vergoeding
verstrekt. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag is bij
besluit van 16 oktober 1997 die vergoeding verhoogd en is aan haar een
financiële tegemoetkoming van f 202,77 per maand toegekend. Bij besluit
van 20 oktober 1997 is een zelfde tegemoetkoming aan haar echtgenoot
toegekend. De vergoeding had voor beide echtelieden betrekking op taxi,
eigen vervoer of vervoer door derden.
Bij besluit van 12 november 1999 heeft gedaagde de aan appellante
toegekende vervoerskostenvergoeding met ingang van 1 januari 2000 beëindigd.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellante vanaf die datum
gebruik kan maken van het collectief vervoerssysteem in gedaagdes regio.
Aan haar worden ten behoeve van dat collectief vervoer maximaal 140
gesubsidieerde ritzones op jaarbasis verstrekt. Het aantal ritzones is
later bijgesteld naar een onbeperkt aantal tegen een bedrag van f 0,80
per zone.
Het tegen dit besluit van 12 november 1999 ingediende bezwaarschrift is
bij het thans bestreden besluit van 9 mei 2000 ongegrond verklaard.
Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van
20 december 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellante is aangevoerd dat zij slechts onder begeleiding
gebruik kan maken van het collectief vervoer en dat zij in die
begeleiding niet kan voorzien aangezien haar echtgenoot in verband met
zijn medische beperkingen niet daartoe in staat is. Verder wordt gesteld
dat zij evenmin op een andere wijze in die begeleiding kan voorzien nu
zij niet in staat is om die in te huren. Voorts is gesteld dat door
gedaagde de schijn is gewekt dat appellante blijvend in het genot zou
zijn gesteld van de vervoerskostenvergoeding. Op basis daarvan is door
appellante en haar echtgenoot besloten een auto te kopen en ten behoeve
daarvan een lening af te sluiten. Appellante betwist verder dat zij
gebruik kan maken van het collectief vervoer nu dat vervoer grote
overeenkomsten vertoont met het openbaar vervoer en nu juist van
appellante is vastgesteld dat zij daar geen gebruik van kan maken.
Tenslotte stelt appellante dat zij niet meer in staat is haar familie in
Duitsland te bezoeken zodat zij in een sociaal isolement zal geraken.
Gedaagde heeft onder meer aangevoerd dat aan appellante en haar
echtgenoot in het verleden op basis van de hardheidsclausule in de op de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) berustende Verordening
voorzieningen gehandicapten gemeente Roermond (Verordening) een
vervoerskostenvergoeding is toegekend wegens bijzondere omstandigheden.
Naar de mening van gedaagde verhoudt de aanschaf van een auto op basis
van die vergoeding zich niet tot de toekenningsgrondslag. In dat verband
wijst gedaagde er op dat de aanschaf van de auto aanleiding had moeten
vormen om de verstrekte vergoeding te herzien. Gedaagde stelt verder dat
aan appellante meerdere malen te kennen is gegeven dat de toegekende
vergoeding zou worden beëindigd bij de inwerkingtreding van een
collectief vervoerssysteem. Gedaagde wijst er op dat het collectief
vervoer een wezenlijk verschil kent ten opzichte van het openbaar
vervoer. Wat betreft de begeleiding stelt gedaagde dat vervoer van deur
tot deur gewaarborgd is en dat de chauffeur helpt bij het in- en
uitstappen.
Gedaagde stelt daarnaast dat appellante kosteloos een begeleider kan
meenemen. Dat hoeft niet steeds dezelfde persoon te zijn. Wat dat
betreft kan appellante ook een beroep doen op (de vrijwilligers van) de
Thuishulpcentrale. Tenslotte acht gedaagde de stelling van appellante
met betrekking tot het sociale isolement niet steekhoudend aangezien
haar echtgenoot door middel van de aan hem toegekende vergoeding in de
vervoersbehoefte kan voorzien, temeer daar men altijd samen naar de
familie gaat.
De Raad overweegt als volgt.
Op basis van de stukken stelt de Raad vast dat appellante lijdt aan een
neurologische aandoening. Verder is er een psychiatrisch beeld.
Appellante is gedesoriënteerd in plaats en heeft last van
vermoeidheidsklachten en pijnklachten in het rechterbeen. Ze loopt met
een stok.
Op basis van de stukken, en mede gelet op het feit dat gemachtigde van
appellante ondanks de diverse toezeggingen geen medische stukken heeft
ingebracht die in een andere richting wijzen, ziet de Raad geen
aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie die
gedaagde in navolging van de adviserende arts heeft getrokken dat
appellante, mits met begeleiding, gebruik zou kunnen maken van het
collectief vervoer.
De echtgenoot van appellante heeft een cardiale aandoening en een
longaandoening. Onbetwist is dat zijn beperkingen dusdanig zijn dat hij
geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of het collectief
vervoer. De Raad stelt verder vast dat onbetwist is dat appellante en
haar echtgenoot een grote vervoersbehoefte hebben. Niet alleen zijn er
de gebruikelijke vervoersbewegingen zoals het boodschappen doen, naar de
bank en de winkels gaan, maar ook heeft appellante in verband met het
psychiatrisch beeld veel begeleiding en ontspanning nodig. Ten behoeve
daarvan gaat zij samen met haar echtgenoot de natuur in. Tenslotte woont
het grootste deel van de familie in Duitsland. In het kader van het
onderzoek naar de vervoersbehoefte van de echtgenoot is vastgesteld dat
het echtpaar ongeveer 14 retourverplaatsingen per week maakt.
In het verleden is door gedaagde juist met het oog op deze bijzondere
vervoersbehoefte in combinatie met het feit dat het grootste deel van de
familie in Duitsland woont en de daarmee samenhangende hoge kosten,
onder toepassing van de hardheidsclausule uit de Verordening, een
vergoeding voor een taxi, eigen auto of vervoer van derden verstrekt.
Nu er geen wijzigingen zijn opgetreden in de vervoersbehoefte van
appellante, en voorts vaststaat dat er gelet op de aard van de klachten
geen verbetering is te verwachten in de medische situatie van appellante
en haar echtgenoot, kan de Raad, gelet op de omstandigheden van het
onderhavige geval, gedaagde niet volgen waar deze stelt dat met de
bijzondere vervoersbehoefte van appellante voldoende rekening is
gehouden. Het aangeboden collectief vervoer voorziet immers onbetwist
niet in vervoer naar de familie in Duitsland. Dat appellante voor die
bezoeken kan meerijden met haar echtgenoot omdat de echtelieden vrijwel
alles gezamenlijk doen, acht de Raad in dit verband niet doorslaggevend,
nu immers aan haar voor dergelijke reizen geen vergoeding wordt gegeven.
Het bestreden besluit veronderstelt voorts dat de echtelieden in
beginsel steeds afzonderlijk (zullen moeten) reizen, nu immers aan
appellante een vergoeding wordt verstrekt voor het gebruik van het
collectief vervoer, met een begeleider, die niet haar echtgenoot kan
zijn, aangezien hij om medische redenen niet met het collectief vervoer
kan reizen. De consequentie daarvan is dat in dit geval de frequente
gezamenlijke activiteiten steeds (zouden moeten) worden voorafgegaan en
besloten met gescheiden vervoer. Al het vorenoverwogene mede in
aanmerking genomen voldoet naar het oordeel van de Raad een dergelijke
voorziening in dit bijzondere geval, waarin beide echtgenoten op een
vervoersvoorziening in het kader van de Wvg zijn aangewezen, de
echtgenoot om medische redenen niet (als begeleider) kan meereizen in de
vervoersvoorziening van zijn echtgenote, er sprake is van een
uitzonderlijke vervoersbehoefte en van een regelmatig bezoek aan
familieleden in het buitenland, niet aan het in artikel 3 van de Wvg
neergelegde vereiste dat de voorzieningen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht
worden verleend. Dat appellante in de praktijk steeds met haar
echtgenoot kan en zal meerijden, doet daar niet aan af, nu haar
voorziening immers niet strekt tot de kosten die hij daarvoor moet
maken, terwijl zijn vergoeding - naar ter zitting niet is weersproken -
niet is gebaseerd op het meerijden van zijn echtgenote. De Raad is dan
ook van oordeel dat in het bestreden besluit niet voldoende rekening is
gehouden met de bijzondere omstandigheden van dit geval en dat gelet op
de feiten zoals deze thans zijn vastgesteld, moet worden geconstateerd
dat er sprake is van strijd met artikel 3 van de Wvg.
Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komen.
Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de
hiervoor weergegeven feiten, omstandigheden en factoren.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 966,--, te betalen door de gemeente Roermond;
Bepaalt dat de gemeente Roermond aan appellante het in eerste aanleg en
in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f
230,--)vergoedt.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van N.J. Stolten als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) N.J. Stolten.
|
|