|
Uitspraak
01/1190
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 15 mei 2000 heeft gedaagde de aanvraag van
appellant om hem op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) een woonvoorziening toe te kennen in
de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en
herinrichting (verder te noemen: verhuiskostenvergoeding) afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 11 september 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 14 februari 2001 ongegrond verklaard.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 april 2002, waar
appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door C.M. van Tol, werkzaam bij de gemeente Huizen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Appellant is vader van een dochter en twee gehandicapte zoons (geboren
in 1990 en 1992). Omstreeks 1993 is de toenmalige huurwoning van
appellant en zijn gezin aan de [adres 1] te [woonplaats] in het kader
van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten aangepast aan
de handicaps van beide zonen. Daartoe was de garage omgebouwd tot een
aangepaste slaap- en badkamer.
Sinds 1993/1994 woont de oudste zoon van appellant in [naam]; hij komt
eens in de twee weken een weekend thuis.
In januari 1999 heeft appellant gedaagde verzocht om hem ingevolge het
bij en krachtens de Wvg bepaalde een woonvoorziening toe te kennen in de
vorm van vergoeding van de kosten van aanpassing van een nieuw te bouwen
vrijstaande woning in het [adres 2] te [woonplaats]. Dit verzoek is door
gedaagde afgewezen, omdat de kosten hoger waren dan f 45.000,--. Bij
besluit van 28 augustus 2000 heeft het College voor zorgverzekeringen
appellant een subsidie toegekend van f 63.432,--.
Eind maart 2000 heeft appellant verzocht om op grond van het bepaalde
bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in aanmerking
te komen voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing van de oude
aangepaste woning aan de [adres 1] te [woonplaats] naar de nieuwe
aangepaste woning aan de [adres 3] te [woonplaats].
De aanvraag van appellant is bij het primaire besluit en het bestreden
besluit afgewezen met een beroep op het bepaalde in artikel 6, eerste
lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Huizen 1994
(hierna: de Verordening). Volgens gedaagde is appellant niet verhuisd
vanwege ergonomische belemmeringen in de door hem verlaten woning.
De rechtbank heeft het door appellant tegen deze afwijzing ingesteld
beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat er geen
medische noodzaak was voor de verhuizing, omdat de verlaten huurwoning
geheel was aangepast aan de handicaps van de zoons en dat er geen
bijzondere omstandigheden zijn gesteld die voor gedaagde aanleiding
hadden moeten vormen om in het kader van de hardheidsclausule af te
wijken van de toepasselijke regels.
In geding is de vraag of de afwijzing van appellants verzoek om een
tegemoetkoming in de verhuiskosten, op de grond dat er geen sprake was
van ergonomische belemmeringen in de oude woning in rechte stand kan
houden.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 6, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:
"Een gehandicapte kan voor een woonvoorziening als bij artikel 3,
onder a, genoemd, in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
beperkingen van ergonomische aard het normale gebruik van de woning
belemmeren."
In artikel 3 van de Verordening is, voorzover hier van belang, het
volgende bepaald:
"De door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening
kan bestaan uit een financiλle tegemoetkoming in de kosten van:
a. verhuizing en herinrichting.
(...)".
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kan bij de beoordeling van een
aanvraag van een woonvoorziening in de vorm van een
verhuiskostenvergoeding de eis van ergonomische beperkingen in de oude
woning in het kader van de Wvg niet worden gesteld (zie o.m. JSV
1999/157). Gedaagde heeft mitsdien aan zijn afwijzing een onjuiste
maatstaf ten grondslag gelegd, zodat het bestreden besluit en de
aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komen.
De Raad zal onderzoeken of termen aanwezig zijn om te bepalen dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De Raad is
tot de conclusie gekomen dat zodanige termen kunnen worden aangewezen.
Mede gelet op het bepaalde in de artikelen 1, eerste lid aanhef en onder
a en c, van de Wvg dient bij een verhuiskostenvergoeding beoordeeld te
worden of objectief aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of
gebrek een, op opheffing of beperking daarvan gerichte, voorziening
langdurig noodzakelijk maken.
Appellant heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, tegen het
bestreden besluit - kort samengevat - aangevoerd dat de rolstoelen van
beide zoons groter en zwaarder zijn geworden, waardoor de woon- en
eetkamer in de oude woning niet meer voldoende ruimte bood voor
gelijktijdig gebruik door alle gezinsleden. De gemeente heeft bovendien
niet onderzocht of er daadwerkelijk ergonomische belemmeringen
bestonden. Daarnaast heeft appellant gesteld dat de Wvg-ambtenaar van de
gemeente Huizen, de heer Honing, hem mondeling heeft toegezegd dat als
hij de oude woning zou verlaten en daardoor plaats zou maken voor een
andere gehandicapte waarvoor de woning geschikt is, hij in aanmerking
zou komen voor een aangepaste woning.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat
er voor de verhuizing van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]
naar de nieuwe aangepaste woning aan de [adres 3] te [woonplaats] geen
medische noodzaak, als vereist in het kader van de Wvg en de
Verordening, bestond. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de
oude woning van appellant destijds is aangepast voor zijn beide
kinderen, dat deze ten tijde in geding 8 en 10 jaar oud waren en dat ten
tijde hier in geding alleen de achtjarige zoon permanent thuis woonde.
Voorts kan op grond van de voorhanden gegevens niet worden vastgesteld
dat Honing ondubbelzinnig heeft toegezegd dat verhuiskosten zouden
worden vergoed. Bovendien heeft appellant ter zitting meegedeeld dat de
door de vermeende toezegging gewekte verwachtingen niet gedragsbepalend
zijn geweest. Hij zou in ieder geval verhuisd zijn. Onder de gegeven
omstandigheden kan niet gezegd worden dat gedaagde wegens strijd met het
vertrouwensbeginsel gehouden is een verhuiskostenvergoeding toe te
kennen.
De Raad ziet in het hiervoor overwogene aanleiding om de rechtsgevolgen
van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde
lid, van de Awb in stand te laten.
De Raad acht, gelet op de gegeven omstandigheden van het onderhavige
geval, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Verstaat dat de gemeente Huizen aan appellant het gestorte griffierecht
van 27,23 in beroep en 77,14 in hoger beroep (in totaal
104,37) dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|