|
Uitspraak
01/1738
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 27 juli 1999 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat de
hem in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) toegekende
individuele vervoersvoorziening (een vergoeding voor het gebruik van de
taxi of de eigen auto) met ingang van 1 oktober 1999 wordt ingetrokken,
en dat appellant ingaande die datum in aanmerking komt voor een
vervoersvoorziening in de vorm van een vervoerskaart voor het collectief
vervoer (per deeltaxi, met garantie dat appellant voorin kan zitten).
Het tegen dat primaire besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij
besluit van 4 mei 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De Rechtbank Almelo heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 31 januari 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. drs. M.B. Kramer, advocaat te Enschede, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op daartoe bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft bij brief van 21 mei 2001 een verweerschrift ingediend en
heeft bij brief van 1 november 2001 nog een aantal stukken ingezonden.
Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant nog een rapport d.d. 29
maart 2002 van de orthopedisch chirurg L. Hollmann ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 april 2002, waar
mr. drs. M.B. Kramer, eerdergenoemd, namens appellant is verschenen en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Kunst, werkzaam
bij de gemeente Enschede.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad
kortheidshalve naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. De Raad
maakt deze, nu zij niet in geschil zijn, tot de zijne.
Het bestreden besluit is gebaseerd op het GGD-advies van 20 april 1999
en het ZVN-advies van 1 november 1999.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in
rechte stand kan houden. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het
volgende overwogen:
"Volgens de GGD-arts en de ZVN-arts die eiser thans in opdracht van
verweerder hebben onderzocht, is er een indicatie voor een
vervoersvoorziening. Eiser heeft een aantal beperkingen, waaronder een
loopbeperking. Beide artsen zijn van mening dat eiser gebruik kan maken
van het collectieve taxivervoer.
Eiser heeft daar tegenover gesteld dat hij bij gebruik van een taxi meer
zal moeten lopen in de stad en langer zal moeten wachten, hetgeen hij
niet kan.
De rechtbank overweegt daaromtrent dat, blijkens onder andere de
informatiefolder over het collectief vervoer, de betrokkene van deur tot
deur wordt vervoerd. Aangenomen mag derhalve worden dat eiser niet nog
eens grote afstanden zal hoeven te lopen. Uit de door verweerder
overgelegde "opzet nieuw (lokaal) collectief vervoerssysteem voor
de gemeente Enschede en het landelijk Ketenkaart-vervoerssysteem"
blijkt dat de chauffeur in voorkomende gevallen de reiziger extra hulp
dient te verlenen.
Dit geldt bijvoorbeeld voor hulp bij het in- en uitstappen en bij
transport van normale boodschappen. Daarenboven geldt dat eiser, ook als
hij met zijn eigen auto zou rijden, de afstand van zijn auto naar de
plaats waar hij naar toe wil lopend zal moeten afleggen: de taxi kan
daar stoppen waar eiser anders zijn auto had moeten parkeren. Voor wat
betreft het wachten geldt dat de taxi maximaal 10 minuten te vroeg of te
laat mag zijn. Hoewel de GGD-arts heeft erkend dat eiser beperkingen in
het gaan staan en zitten heeft, zijn beide artsen van mening dat hij
gebruik kan maken van het collectief taxivervoer. Eiser heeft geen
recente medische stukken overgelegd waaruit van het tegendeel kan
blijken.
De rechtbank acht dan ook voldoende aannemelijk dat eiser in voorkomende
gevallen deze periode kan overbruggen."
In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd, dat de
rapportages van de GGD en ZVN op onzorgvuldige wijze tot stand zijn
gekomen, dat hij niet in staat is gebruik te maken van het collectief
vervoer, omdat hij lange wachttijden niet kan overbruggen, en dat
artikel 3.2 van de Verordening voorzieningen gehandicapten Enschede
(hierna: de Verordening) zich niet verdraagt met artikel 3 van de Wvg,
nu in eerstgenoemde bepaling wordt uitgegaan van een
'onmogelijkheidscriterium'. Hij heeft zijn standpunt dat is uitgegaan
van een onjuist medisch standpunt onderbouwd met een rapport d.d. 29
maart 2002 van de orthopedisch chirurg L. Hollmann.
De Raad vindt hierin geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank
niet te volgen. De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd,
in het rapport van 29 maart 2002 van de orthopaedisch chirurg Hollmann,
en ook overigens geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Uit
voormeld rapport van 29 maart 2002 blijkt onder meer dat Hollmann het
aannemelijk acht dat appellant niet op elke autostoel langdurig kan
zitten, maar niet dat appellant niet gedurende een relatief korte
reistijd op een goede (doorgaans verstelbare) autostoel van het
collectief vervoer zou kunnen zitten. Voorts is Hollmann van opvatting
dat het gebruik van het openbaar vervoer voor appellant een groot
probleem lijkt, doch die opvatting acht de Raad, gelet op de eigen aard
en karakteristiek van de in het geding zijnde vervoersvoorziening, in
dit geval niet c.q. minder relevant.
Aangezien uit de rapportages van de GGD-arts W.R. Roelink en de medisch
adviseur van ZVN J.P. Voogd blijkt dat ze appellant beiden hebben
onderzocht en dat genoemde GGD-arts de beschikbaarheid had over eerdere
onderzoeksgegevens kan de Raad appellant's mening dat deze rapportages
op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, niet delen.
Het bezwaar betreffende de wachttijd vindt geen steun in de medische
gegevens, waaronder eerdergenoemd rapport van de orthopedisch chirurg
Hollman. De Raad heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden
voor de stelling dat appellant geen gebruik kan maken van het collectief
vervoer. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gaat om ritten van
relatief kort duur en dat de chauffeur van de deeltaxi hulp bij het
instappen biedt.
Het beroep van appellant op de strijdigheid van artikel 3.2. van de
Verordening met artikel 3 van de Wvg faalt. In artikel 3 van de Wvg is
bepaald dat het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aanbiedt,
waaronder wordt verstaan doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte
voorzieningen. Ingevolge artikel 3.2. van de Verordening kan een
gehandicapte voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking worden
gebracht indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken.
De Raad heeft reeds meermalen overwogen (zie JSV 1997/29) dat een
gemeentebestuur op basis van de hem in het kader van de Wvg toekomende
bestuursbevoegdheid gerechtigd is voorrang te geven aan een stelsel van
collectief vervoer, op de wijze als is neergelegd in artikel 3.2. van de
Verordening.
De Raad merkt tot slot nog op dat hij bij zijn oordeelsvorming in
aanmerking heeft genomen dat appellant kennelijk nog steeds gebruik
maakt van zijn eigen auto. Weliswaar is die auto voorzien van een
aangepaste bestuurdersstoel, doch de Raad is niet gebleken dat de door
appellant zelf aangeschafte autostoel medisch gezien noodzakelijk was,
dan wel -zoals gezegd- dat appellant geen gebruik zou kunnen maken van
een taxistoel van het collectief vervoer.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|