|
Uitspraak
01/2167
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft in het voorjaar van 1998 verzocht haar op grond van het
bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een
aantal woonvoorzieningen toe te kennen.
Appellant heeft haar bij besluit van 26 januari 1999 voorzieningen
toegekend voor de bediening van het licht en het sluiten en openen van
de voordeur.
Bij het bestreden besluit van 26 augustus 1999 heeft appellant het
bezwaar van gedaagde tegen dat besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 9 maart 2001 het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
gelast dat binnen zes weken na toezending van de uitspraak een nieuw
besluit op bezwaar zal worden genomen. Voorts is appellant veroordeeld
tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, van
verweer gediend en nadere stukken ingezonden.
Bij brief van 13 maart 2002 heeft appellant de Raad kennis gegeven van
een nader besluit.
Namens gedaagde is op 8 april 2002 een reactie ingezonden.
Appellant heeft bij brief van 4 juni 2002 desgevraagd stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 september 2002.
Voor appellant is daar verschenen mr. N. Wohlgemuth Kitselaar, werkzaam
bij de gemeente Amsterdam. Gedaagde is daar met schriftelijke
kennisgeving niet verschenen.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad
heeft het hoger beroep uitsluitend nog betrekking op de vraag of de
rechtbank terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat appellant de
omvang van de aanvraag van gedaagde heeft miskend. Appellant heeft het
hoger beroep voor zover het betrekking heeft op het oordeel van de
rechtbank over de gordijnopener ingetrokken.
De rechtbank heeft ter zake van het overgebleven geschilpunt het
volgende overwogen:
"Eiseres stelt onder verwijzing naar het rapport van stichting Tot
& Met dat zij heeft verzocht om een omgevingsbesturing om de
gordijnen, licht, deur en dergelijke te bedienen. Dit betekent dat ook
een besturing voor het openen van de keukendeur, poortdeur, ramen en (de
aanpassing van) een thermostaat tot haar aanvraag moet worden gerekend.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van
hetgeen de rapporteur van stichting Tot & Met met betrekking tot de
wensen van eiseres op 15 oktober heeft genoteerd. De door eiseres thans
genoemde zaken staan niet in de rapportage van Stichting Tot & Met
en eiseres heeft er in de bezwaarfase nimmer blijk van gegeven dat zij
haar aanvraag wenste aan te vullen. Deze zaken moeten dan ook in het
kader van de onderhavige procedure buiten beschouwing worden gelaten.
In voornoemde rapportage van de Stichting Tot & Met staat onder het
kopje "vraagstelling": omgevingsbesturing (= afstandbediening
om vanuit bed licht, deur gordijnen, etc. te bedienen). Voorts blijkt
uit een naar aanleiding van genoemde rapportage op 15 december
opgemaakte offerte van GEWA Nederland BV dat eiseres onder meer heeft
verzocht om: "woningaanpassing ten behoeve van open zetten
keukendeur vanuit bed" en "raamopener naar buiten".
Gelet op de inhoud van deze stukken valt naar het oordeel van de
rechtbank geenszins om uit te sluiten dat eiseres daadwerkelijk heeft
verzocht om een omgevingsbesturing die tevens is gericht op het openen
van een keukendeur, poortdeur, raamopener, en het aanpassen van de
thermostaat. Dat de medewerker van de Stichting Tot & Met in dit
geval de wensen van eiseres niet uitputtend heeft genoteerd, valt
eiseres niet te verwijten en komt voor risico voor verweerder nu deze
Stichting door verweeder is ingeschakeld. Verweerders stelling dat
eiseres in het verdere verloop van de procedure nimmer heeft laten
blijken dat de omvang van de aanvraag niet volledig zou zijn, gaat niet
op, nu uit het dossier blijkt dat het geschil na het advies van
Stichting Tot & Met heeft beperkt tot de al dan niet passendheid van
de voorgestelde mechanische trekapparatuur, terwijl de beslissing op een
omgevingsbesturing daarom is blijven rusten. Uit het voorgaande volgt
dat verweerder ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de aanvraag
van eiseres om een omgevingsbesturing ten behoeve van het openen van de
keukendeur, poortdeur, ramen, en het aanpassen van de thermostaat."
Appellant kan zich daarmee niet verenigen. Aangevoerd is dat appellant
is afgegaan op het advies van zijn adviseur, de organisatie Tot &
Met, en dat uit dat advies niet blijkt dat gedaagde meer heeft
aangevraagd dan door deze adviseur in de advisering is betrokken.
Gedaagde heeft er volgens appellant ook in de bezwaarfase niet op
gewezen dat meer voorzieningen zijn aangevraagd dan waarover een besluit
is genomen. Het geschil had toen uitsluitend betrekking op de vorm van
de toegekende voorzieningen, niet op de omvang van de aanvraag. Eerst in
beroep bij de rechtbank heeft de advocaat van gedaagde aangevoerd dat
meer is aangevraagd dan waarover een beslissing is genomen. Dat kan
volgens appellant evenwel geen betekenis hebben voor de omvang van de
aanvraag waarover besluitvorming heeft plaats gevonden.
Gedaagde heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat het haar bevreemdt dat
appellant in beroep is gekomen tegen het oordeel van de rechtbank
betreffende de omvang van de aanvraag nu tussen partijen was afgesproken
dat het hoger beroep alleen betrekking zou hebben op de vraag of een
gordijnopener wel of niet onder Wvg valt.
De Raad is allereerst van oordeel dat de namens gedaagde gestelde
afspraak, wat daarvan verder moge zijn, geen betekenis kan hebben voor
het beroepsrecht van appellant.
Met betrekking tot de door appellant in geschil gebrachte vraag
overweegt de Raad dat de omvang van de aanvraag van een belanghebbende
moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante feiten en
omstandigheden van het concrete voorliggende geval. Daarvan uitgaande is
de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken niet blijkt van een ruimere
omvang van de aanvraag van gedaagde dan waarvan appellant bij de
voorbereiding van het primaire besluit is uitgegaan. De Raad acht in het
onderhavige geval van betekenis dat uit de rapportage van Tot & Met
niet concreet blijkt dat gedaagde een meer omvattende aanvraag heeft
gedaan dan vanwege appellant is behandeld en dat van zodanige bedoeling
ook niet blijkt uit het verloop van de bezwaarfase.
Hieruit volgt dat het hoger beroep in zoverre slaagt en dat de
aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan
blijven.
De Raad acht, nu in hoger beroep materieel aan het belang van gedaagde
met betrekking tot de motoren voor de gordijnrails is tegemoet gekomen,
termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van proceskosten in
hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,--.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, te weten
het oordeel dat ten onrechte geen beslissing is genomen op de aanvraag
van omgevingsbesturing voor de keukendeur, de poortdeur, de ramen en het
aanpassen van de thermostaat;
Vernietigt de aangevallen uitspraak tevens voor zover daarin is gelast
in zoverre een beslissing op bezwaar te nemen;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van proceskosten groot € 322,--
en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten
moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 september
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. Netten.
|
|