|
Uitspraak
98/1930
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ooststellingwerf, appellant,
en
[gedaagde], wonende [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij besluiten van 23 februari 1995 respectievelijk 28
december 1995 de eerder aan gedaagde bij wijze van voorziening krachtens
de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen
gehandicapten gemeente Ooststellingwerf (de Verordening) toegekende
financiële tegemoetkoming voor het gebruik van haar eigen auto
voortgezet, laatstelijk tot 1 april 1996. Daarbij is tevens aan gedaagde
in het vooruitzicht gesteld dat over de voortzetting van die
tegemoetkoming nader zal worden beslist en dat in verband daarmee aan de
hand van medisch en sociaal onderzoek zal worden onderzocht of gedaagde
na 1 januari 1996 van het Ooststellingwerfse collectieve
vervoerssyssteem gebruik kan maken.
Vervolgens heeft appellant bij primair besluit van 4 maart 1996 de
eerder toegekende financiële tegemoetkoming per 1 april 1996
ingetrokken en gedaagde aansluitend in aanmerking gebracht voor het
recht op deelname aan het collectief vervoer waarbij - op jaarbasis - de
eerste 600 kilometers gratis zijn en voor de ritten daarna een tarief
geldt van f 1,-- per kilometer.
Het door gedaagde tegen laatstgenoemd primair besluit ingediend bezwaar
is door appellant bij besluit van 6 juni 1996 - het bestreden besluit - verworpen.
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 16
december 1998, waarnaar hierbij wordt verwezen, onder gegrondverklaring
van het daartegen ingestelde beroep het zojuist weergegeven besluit
vernietigd en aan appellant opgedragen met inachtneming van die
uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de daartoe
bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden heeft
appellant geconcludeerd tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Op goeddeels gelijke gronden als in eerste aanleg aangevoerd is G. Tot,
maatschappelijk raadsman, bij verweerschrift (met bijlagen, waaronder
een brief van de behandelend longarts dr. R. Aalbers d.d. 20 april 1998)
en onder meer bij op 27 mei 1999 en op 7 en 20 januari 2000 ingekomen
brieven namens gedaagde in het geweer gekomen tegen het door appellant
bij het bestreden besluit jegens gedaagde gehanteerde primaat van het
collectief vervoer. Daarbij is de Raad onder meer verzocht te bepalen
dat gedaagde in het kader van de Wvg en de Verordening aanspraak heeft
op voortzetting van haar autokostenvergoeding.
Het geding is achtereenvolgens behandeld ter zitting van de Raad,
gehouden op 11 juni 1999 en op 23 februari 2000. Aldaar heeft appellant
zich telkens doen vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en C. van Fleeren, werkzaam bij
de gemeente Ooststellingwerf.
Gedaagde is op eerstgenoemde zitting niet en op de zitting van 23
februari 2000 in persoon verschenen.
Op verzoek van de Raad heeft J. Westbroek, longarts, een onderzoek
ingesteld met betrekking tot de resterende mobiliteit van gedaagde. Bij
zijn rapport van 10 november 1999 en toelichtend schrijven van 13
januari 2000 heeft die deskundige verslag uitgebracht van zijn
bevindingen.
Van de zijde van beide partijen zijn naar aanleiding van die bevindingen
schriftelijke reacties ingezonden.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van het procesverloop in eerste
aanleg alsmede de voor dit geding van belang zijnde regelgeving verwijst
de Raad naar de pagina's 1 t/m 4 van de aangevallen uitspraak.
Blijkens de in opdracht van appellant op 4 januari 1996 uitgebrachte
rapportage van de geneeskundige van de ZVN, G.W. Egbers, heeft die arts
gedaagde op grond van zijn onderzoeksbevindingen tijdens het spreekuur,
bestudering van het medisch dossier en van de huisarts verkregen
schriftelijke informatie in staat geacht lopend afstanden tot -
gemiddeld -
200 meter af te leggen en gebruik maken van het collectief vervoer.
Fietsen achtte die arts niet meer mogelijk en evenmin gebruikmaking van
het openbaar vervoer, dat laatste omdat gedaagde de haltes en de
reisdoelen lopend niet kan bereiken.
Daarop heeft appellant, met inachtneming van onder meer de bij de
behandeling van de eerder door gedaagde in 1994 ingevolge de Wvg ingediende aanvraag opgestelde inventarisatie van haar vervoersbehoefte,
gedaagde bij besluit van 4 maart 1996 op de voet van de Verordening in
aanmerking gebracht voor deelname aan het collectief vervoer per
deeltaxi als hiervoor onder I vermeld.
Uit voormelde inventarisatie blijkt dat gedaagdes familiecontacten
grotendeels buiten de gemeentegrenzen liggen terwijl haar kennissen
zowel binnen als buiten de gemeente wonen.
In bezwaar zijn namens gedaagde met name grieven tegen het systeem van
collectief vervoer opgeworpen en is voorts gesteld dat gedaagde door het
verlies van haar financiële tegemoetkoming in een isolement zal
geraken. Een specifieke vervoersbehoefte op de zeer korte afstand is
daarbij niet aangevoerd.
Bij het bestreden besluit heeft appellant gedaagdes bezwaar verworpen.
Daarbij is onder meer overwogen:
"Dat voor u een vervoersindicatie is vastgesteld; dat de gemeente
het primaat legt op het gemeentelijke collectief vervoer; dat u hiervan
reeds bij beschikking van 23 februari 1995 en 28 december 1995 op de
hoogte bent gesteld; dat als gevolg hiervan aan u over het jaar 1996
collectief vervoer is toegekend op basis van 600 kilometer gratis
taxivervoer; dat uit medisch onderzoek blijkt dat met deze voorziening
de problemen met betrekking tot het verplaatsen worden opgelost en een
sociaal isolement wordt voorkomen; dat er in uw situatie geen sprake is
van een dreigende vereenzaming; dat uit onderzoek niet is gebleken dat u
van het collectief vervoerssysteem geen gebruik kunt maken; dat met
toewijzing van het collectief vervoer aan de zorgplicht wordt voldaan;
dat er geen sociale dan wel individuele omstandigheden zijn aan te
wijzen als gevolg waarvan voortzetting van de financiële tegemoetkoming
in de kosten van vervoer valt te rechtvaardigen."
De rechtbank heeft - in lijn met 's Raads jurisprudentie met betrekking
tot soortgelijke zaken - geoordeeld dat de wijze waarop het
gemeentebestuur van Ooststellingwerf bij de Verordening, met inbegrip
van het daarin neergelegde primaat van het collectief vervoer, vorm
heeft gegeven aan de hem terzake toekomende regelgevende bevoegdheid
terzake vervoersvoorzieningen, blijft binnen de door de Raad aangegeven
omgrenzing van de in de artikelen 2 en 3 van de Wvg neergelegde
zorgplicht.
Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit evenwel om andere
redenen vernietigd. Volgens de rechtbank schiet dat besluit namelijk uit
oogpunt van zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering tekort
nu daarbij niet werd onderkend dat gedaagde gezien haar beperkte
loopafstand in een situatie verkeert waarin zij voor vrijwel elke
verplaatsing buitenshuis, ook en met name over enkele honderden meters,
aangewezen is op het collectief vervoer. Naar de zienswijze van de
rechtbank moet daarom in het spoor van 's Raads uitspraak, gepubliceerd
in JSV 1997/128, worden gezegd dat gedaagde sneller de haar verstrekte
gratis kilometers zal hebben verbruikt dan minder ernstig in hun
mobiliteit beperkte gehandicapten, die zo'n afstand immers nog lopend of
fietsend en dus met minder extra kosten kunnen overbruggen.
Appellant betwist het zojuist vermeld oordeel van de rechtbank, onder
meer op de grond dat, gelet op de inventarisatie van gedaagdes sociale
contacten, niet is gebleken van enig daadwerkelijk vervoerspatroon over
enkele honderden meters. Zowel voor voorzieningen zoals winkels als het
afleggen van visites, zoals geïnventariseerd, gaat het bij gedaagde als
regel om grotere afstanden.
Gelet op de in hoger beroep betrokken stellingen spitst het partijen
verdeeld houdend geschil zich toe op de vraag of de aan gedaagde bij het
bestreden besluit van 6 juni 1996 met ingang van 1 april 1996 toegekende
voorziening, bestaande uit (onbeperkt) deeltaxivervoer tegen
aanmerkelijk gereduceerd tarief met daarnaast tevens 600 gratis
kilometers per jaar, als een adequate voorziening moet worden beschouwd
in de zin van de van toepassing zijnde regeling bij en krachtens de Wvg.
De Raad overweegt terzake als volgt.
Het bestuur van de gemeente Ooststellingwerf heeft de hem door de
wetgever toegekende beleidsruimte in dier voege benut dat hij ingevolge
artikel 3.2 van de Verordening prioriteit heeft verleend aan het ter
plaatse opgebouwde stelsel van collectief vervoer per deeltaxi van deur
tot deur als hiervoor vermeld.
Ingevolge de Verordening is voorts onder bijzondere omstandigheden een
(aanvullende) financiële tegemoetkoming mogelijk waarbij met de
individuele vervoersbehoefte rekening kan worden gehouden. Tenslotte
bevat de Verordening een hardheidsclausule.
De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, grond om te oordelen dat de
wijze, waarop het onderhavige gemeentebestuur in zijn hoedanigheid van
daartoe bij de wet aangewezen orgaan van zijn regelgevende bevoegdheid
met betrekking tot het creëren van vervoersvoorzieningen gebruik heeft
gemaakt, niet met voormelde bepalingen van de Wvg strookt dan wel
anderszins de (beperkte) rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.
Gegeven de door die gemeentelijke regelgever in de Verordening
neergelegde voorrang van het collectief vervoer komt in beginsel niet
(langer) een financiële vervoersvergoeding in beeld, indien iemand uit
medisch oogpunt van dat vervoer gebruik kan maken en daarmee in nog
aanvaardbare mate aan het sociale leven in zijn naaste omgeving deel kan
nemen.
Gezien voormelde regeling in de Verordening die, naar uit het
vorengaande blijkt, in het geval van gedaagde de specifieke grondslag
vormt waarop de houdbaarheid van het bestreden besluit in rechte moet
worden beoordeeld, mocht appellant, uitgaande van het ook door de Raad
op grond van de voorhanden medische gegevens ten tijde hier in geding
bij gedaagde aanwezig geachte vermogen om per deeltaxi te reizen, in
beginsel volstaan met verstrekking van een voorziening bestaande uit
deelname aan dergelijk vervoer.
Naar uit de in hoger beroep voorhanden medische gegevens, waaronder de
goeddeels met elkaar sporende onderzoeksbevindingen van de hiervoor
vermelde ZVN-arts Egbers en de door de Raad geraadpleegde longarts
Westbroek, voorts valt af te leiden, was gedaagde toentertijd als regel
in staat te achten in eigen tempo, en zonodig met korte pauzes,
gemiddeld tweehonderd meter te voet af te leggen. De Raad laat daarbij
mede wegen dat de door de Raad geraadpleegde deskundige bij zijn
onderzoek ook de beschikking had over de zich onder de gedingstukken
bevindende informatie van de behandelend longarts dr. R. Aalbers. Aan het
voorgaande voegt de Raad, zij het ten overvloede, toe dat hij niet
uitsluit dat gedaagde in voorkomend geval, in combinatie met deel- of
treintaxi en zonodig met gebruikmaking van de daartoe bestaande speciale
service van de NS, tevens een rit per trein zou kunnen maken.
Nu gedaagde ten tijde hier in geding meer dan circa 100 meter lopend kon
af leggen, is er in haar geval geen sprake van een uiterst beperkte
mobiliteit als bedoeld in de door de rechtbank vermelde uitspraak van de
Raad waarbij - behoudens concreet bewijs van het tegendeel - uitgegaan
wordt van de vooronderstelling dat een betrokkene, die voor afstanden
van enkele honderden meters steeds aangewezen is op gebruik van de
deeltaxi, extra kosten maakt ten opzichte van minder ernstig
gehandicapten, die zulke afstanden veelal lopend of fietsend
overbruggen.
Zo'n situatie van uiterst beperkte mobiliteit als zojuist vermeld wordt
door de Raad slechts dan aangenomen indien een gehandicapte geen gebruik
kan maken van (snor-, brom-, of driewiel)fiets en maximaal slechts
circa honderd meter kan lopen.
In zo'n geval wordt de betrokkene gehandicapte geacht in feite voor
vrijwel iedere verplaatsing buitenshuis op een, al dan niet
gemotoriseerd, vervoersmiddel voor de zeer korte afstand te zijn
aangewezen, met als consequentie dat het gemeentebestuur dan als regel
enige (aanvullende) voorziening, al dan niet in natura, naast of in
plaats van het collectief vervoer dient te verstrekken wil er nog sprake
zijn van een verantwoorde voorziening in de zin van de Wvg.
Nu in het geval van gedaagde geen sprake is van een zo vérgaand
beperkte mobiliteit als zoëven bedoeld, kan naar het oordeel van de
Raad van de bij het bestreden besluit aan gedaagde toegekende
vervoersvoorziening niet worden gezegd dat appellant daarmee te kort is
geschoten in zijn uit de Wvg voortvloeiende zorgplicht.
Gedaagde kan immers met het haar toegekende - deels gratis - vervoer per
deeltaxi naar eigen verkiezing nabij haar woning dan wel op grotere
afstand binnen de regio gelegen bestemmingen bereiken waarbij zij, bij
gebruik van de daarbij tevens toegekende gratis kilometers voor
trajecten van meer dan enige honderden meters, bovendien enige kosten
bespaart die wel door valide personen worden gemaakt, voorzover die zich
over dergelijke afstanden per eigen auto of per openbaar vervoer
verplaatsen.
Ook overigens is de Raad uit de voorhanden gegevens niet gebleken van
concrete aanwijzingen, dat gedaagde in een situatie verkeert waarin zij
bij gebreke aan voor haar redelijkerwijs openstaande
vervoersmogelijkheden voor deelname aan het leven van alledag dusdanig
dreigt te worden beknot in voor haar essentiële (boven) regionale
contacten, dat zij daardoor daadwerkelijk in een sociaal isolement of
staat van vervreemding zou geraken.
De door gedaagde als teleurstellend ervaren beëindiging van de eerder
door haar genoten en voor gebruik van haar eigen auto aangewende
vervoersvergoeding kan, hoe begrijpelijk haar gevoelen in dat opzicht
ook moge zijn, gegeven het in gedaagdes gemeente in het kader van de Wvg
geldende stelsel van vervoersvoorzieningen, niet tot een ander oordeel
leiden.
Naar uit het vorenoverwogene voortvloeit, treft het hoger beroep doel.
Mede gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. Ch. van Voorst
en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van B. van Leeuwen
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) B. van Leeuwen.
|
|