|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 99/5404 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 mei 1998 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld
van het besluit waarbij de door haar gevraagde vervoersvoorziening, te
weten een kilometervergoeding, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten, is afgewezen. Daarbij is overwogen dat de aan gedaagde
eerder toegekende vervoersvoorzieningen, bestaande uit het recht op
deelname aan het vervoer van deur tot deur per deeltaxi alsmede
verstrekking van een lichtgewicht meeneembare rolstoel, in het geval van
gedaagde als adequaat worden beschouwd.
Appellant heeft het bezwaar van gedaagde tegen voormeld besluit bij
besluit van 2 februari 1999 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft het tegen laatstgenoemde
besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 20 september 1999 gegrond
verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen -
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen deze uitspraak.
Door gedaagde is een verweerschrift - met bijlagen - ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 30 augustus
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door M.H.J.
Gerritsjans en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang
zijnde feiten en wettelijke bepalingen verwijst de Raad - kortheidshalve
-
naar de rubrieken 2 en 3 van de aangevallen uitspraak.
Daaraan wordt nog toegevoegd dat deze Raad bij eerdere tussen partijen
gewezen uitspraak van 20 februari 1998 het door appellant in dat geding
ingenomen standpunt, inhoudend dat gedaagde - naar objectief medische
maatstaf beoordeeld - van het collectief vervoer gebruik kan maken, heeft
onderschreven alsmede dat gedaagde in het kader van haar kort daarna
ingediende aanvraag van 16 maart 1998 desgevraagd bij brieven van
respectievelijk 7 april 1998 en 27 april 1998 aan appellant heeft
meegedeeld dat de daarbij door haar gestelde verergering van haar
lichamelijke toestand betrekking heeft op haar progressieve pijnsyndroom
en op haar vermogen om staande te wachten op de deeltaxi.
In het onderhavige geding dient de Raad uitsluitend de vraag te
beantwoorden of het bestreden besluit van 2 februari 1999 in rechte stand kan houden.
De Arrondissementsrechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat naar
haar oordeel het aan dat besluit ten grondslag liggend medisch onderzoek
niet voldoende zorgvuldig is geweest, nu daarbij niet expliciet rekening
is gehouden met de reeds op de datum hier in geding bestaande
incontinentie van gedaagde.
De Raad overweegt het volgende.
De arts W.R. Roelink van de appellant adviserende Gemeentelijke
Geneeskundige Dienst (GGD) heeft op basis van door hem verricht
spreekuuronderzoek en met inachtneming van de - onder meer in de
bezwaarprocedure ter beschikking gekomen - schriftelijke informatie van
de behandelend revalidatiearts Van Dijk d.d. 29 mei 1997 en prof. Rasker
d.d. 17 maart 1998 een onderzoeksrapport en advies, gedateerd 16
december 1998, aan appellant uitgebracht.
De Raad ziet, gelet op het voorgaande en anders dan de rechtbank, niet
in dat dit advies onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, zeker niet nu
onder meer uit voormeld onderzoeksrapport blijkt dat de GGD-arts Roelink
nog nader telefonisch overleg heeft gepleegd met de behandelend
revalidatiearts Warmerdam en op de hoogte was met gedaagdes
incontinentie zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting en het
advies van de zogenoemde hoorcommissie d.d. 13 januari 1999.
Het voorgaande klemt te meer nu incontinentie, naar de Raad reeds eerder
in soortgelijke zaken heeft overwogen, niet altijd aanleiding behoeft te
geven tot het oordeel dat collectief vervoer voor deelname aan het leven
van alledag zonder meer inadequaat zou zijn. Immers bij deze
vervoersvoorziening gaat het als regel om vrij korte ritten in de
directe omgeving waarbij mag worden verwacht dat betrokkene over
adequaat incontinentiemateriaal beschikt.
De pas in eerste aanleg overgelegde verklaring van de revalidatiearts
Warmerdam d.d. 3 mei 1999 dateert van ná het thans bestreden besluit
van 2 februari 1999 en bevat ook overigens onvoldoende aanknopingspunten
om dat besluit voor onjuist te houden.
Gelet op het hiervoor overwogene onderschrijft de Raad de strekking van
het betoog van appellant in hoger beroep.
Naar in het vorengaande ligt besloten heeft de Raad noch in hetgeen
vanwege gedaagde - goeddeels bij wijze van herhaling van het gestelde in
eerste aanleg - is aangevoerd noch overigens in de gedingstukken grond
gevonden om met betrekking tot het in dit geding aan de orde zijnde
bestreden besluit tot een ander oordeel te komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|