|
Uitspraak
98/7704
WVG
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 10 december 1996 is aan gedaagde op grond van de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen
gehandicapten gemeente Sliedrecht (hierna: de Verordening) een
vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een gebruiksvergoeding van
f 400,-- voor regionaal collectief vervoer en een forfaitaire
tegemoetkoming van eveneens f 400,-- voor de kosten van bovenregionaal
vervoer. Deze voorziening betrof het jaar 1997.
Appellant heeft bij het bestreden besluit van 14 augustus 1997 het
bezwaar van gedaagde tegen dit besluit gedeeltelijk gegrond en
gedeeltelijk ongegrond verklaard. Appellant heeft bij dat besluit de
gebruikvergoeding voor het collectief vervoer omgezet in een vrij te
besteden forfaitaire vergoeding van f 400,--.
De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft het beroep tegen het
bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak van 18 december 1998
gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, gelast dat een nieuw besluit
wordt genomen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen
en appellant veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, een
verweerschrift ingezonden.
Vanwege appellant is op het gestelde in het verweerschrift een reactie
ingezonden.
Het geding is - gevoegd met het geding geregistreerd onder nummer
98/7701 WVG inzake appellant en T. van de Burgt - behandeld ter zitting
van de Raad van 10 april 2001. Voor appellant is daar verschenen mr.
W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Voor gedaagde is daar verschenen mr. Van Vlastuin, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren [in] 1966, is een verstandelijk gehandicapte man met
ernstige gedragsstoornissen. Hij verblijft sedert 1983 in "[naam
instelling]" te Sliedrecht, een ingevolge artikel 8 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) erkende instelling voor verstandelijk
gehandicapten. Hij ontving tot 1 april 1994 op grond van artikel 57,
tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) een
vervoerskostenvergoeding. Appellant heeft die vergoeding met ingang van
1 april 1994 voortgezet in het kader van de Wvg; de vergoeding bedroeg
in 1994 f 568,75 per kwartaal en in 1995 en 1996 de helft van dat
bedrag.
De ouders van gedaagde, die op een afstand van ongeveer 18 kilometer van
"[naam instelling]" in Zwijndrecht wonen, halen gedaagde in de
regel ieder weekend op. Gedaagde verblijft dan thuis. Vanuit het
ouderlijk huis worden bezoeken gebracht aan vrienden en kennissen en
worden recreatieve bestemmingen bezocht. Aan het einde van het weekend
wordt gedaagde teruggebracht naar "[naam instelling]".
Appellant heeft zich medio 1996 beraden over het
vervoersvoorzieningenbeleid ten aanzien van gehandicapten die in een
AWBZ-instelling verblijven. Dit beraad heeft geleid tot de volgende
gedragslijn:
- indien de handicap zich niet verzet tegen deelname aan het collectief
vervoer, wordt ten behoeve van de deelname aan het leven van alledag van
de gehandicapte een gebruiksvergoeding voor het collectief vervoer
toegekend van f 400,-- per jaar;
- voor het bovenregionaal vervoer wordt een forfaitaire tegemoetkoming
toegekend waarvan de hoogte afhangt van de woonplaats van de persoon die
het meest wezenlijke contact vormt; deze tegemoetkoming bedraagt f
400,-- bij een woonplaats binnen een straal van 40 kilometer; f 800,--
bij een woonplaats binnen een straal van 41 tot en met 80 kilometer en f
1.000,-- indien de woonplaats verder dan 80 kilometer verwijderd is.
Toepassing van deze beleidslijn - die de Raad, in de lijn van zijn onder
meer in zijn uitspraak van 27 november 1998, reg.nr. 98/940,
gepubliceerd in USZ 1999/15, neergelegde opvatting, niet onaanvaardbaar
acht - (hierna te noemen: het AWBZ-beleid) heeft geleid tot het primaire
besluit van 10 december 1996. Aangezien appellant in de bezwaarfase is
gebleken dat gedaagde tengevolge van zijn ernstige gedragsstoornissen
niet met het collectief vervoer kan reizen is de voor het collectief
vervoer bestemde gebruiksvergoeding bij het bestreden besluit op bezwaar
van 14 augustus 1997 omgezet in een vrij besteedbare forfaitaire
vergoeding van f 400,--.
De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond
verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Zij heeft daartoe - voor
zover in hoger beroep bestreden - overwogen dat de primaire essentiële
contacten van gedaagde niet bij het toekennen van de in geschil zijnde
vervoersvoorziening zijn betrokken en dat, meer in het bijzonder, niet
is onderzocht of en zo ja, in welke mate het verblijf bij de familie (in
de weekends en tijdens de vakanties) voor gedaagde als essentieel
contact is aan te merken.
In hoger beroep heeft appellant dit oordeel van de rechtbank bestreden.
Aangevoerd is dat appellant beschikte over declaratieformulieren,
waaruit de bestaande vervoerfrequentie kon worden afgeleid, en dat het
belang van de bewoners van AWBZ-instellingen dat zij bezoeken aan het
ouderlijk huis kunnen brengen uitgangspunt is geweest van de door
appellant vastgestelde gedragslijn. Appellant is voorts van oordeel dat
in casu een adequate voorziening is verstrekt. Hij is van mening dat de
ouders de helft van de weken naar de instelling kunnen komen voor het
brengen van een bezoek aan gedaagde, dat de vakantieperiodes op de
vervoerbehoefte in mindering kunnen worden gebracht, en ten slotte dat
slechts een tegemoetkoming in de meerkosten ten opzichte van de kosten
van het openbaar vervoer behoeft te worden aangeboden. Met betrekking
tot dit laatste aspect heeft appellant aangevoerd dat een niet
gehandicapte die in [woonplaats] woont voor bezoeken aan zijn in
Zwijndrecht woonachtige ouders f 7,-- aan treinkosten moet maken.
Vanwege gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat de vervoersbehoefte
van gedaagde mede het - vanuit de ouderlijke woning - doen van
boodschappen, brengen van bezoeken aan familie en kennissen, alsmede
ontspanning omvat. Benadrukt is dat het daarbij niet gaat om vervoer ter
voorkoming van sociaal isolement of vervreemding doch om deelname aan
het leven van alledag. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de
zorgplicht van de gemeente de eigen inwoners betreft en dat die
zorgplicht niet bij de gemeentegrenzen ophoudt. Verder is erop gewezen
dat gedaagde zeer in zichzelf is gekeerd, geen contacten legt met
medebewoners en niet of nauwelijks met hen communiceert, zodat er geen
enkele reden is om het aantal bezoeken aan de ouders terug te brengen.
Tenslotte is aangevoerd dat het brengen van bezoeken aan de instelling
door de ouders van geheel andere aard is dan het in de weekends naar
huis gaan vanuit de instelling.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend
en overweegt daartoe het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat een gemeentebestuur, als appellant,
blijkens artikel 3 van de Wvg in ieder geval gehouden is om verantwoorde
voorzieningen aan te bieden, waaruit volgens vaste jurisprudentie van de
Raad, voortvloeit dat - voor zover het om vervoer gaat - zodanige
voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende
gehandicapten ten minste in staat worden gesteld om in hun directe woon-
en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en
deel te nemen aan het leven van alledag. Daarin ligt tevens besloten dat
de aanwezigheid van voor de betrokken gehandicapte belangrijke
bovenregionale contacten op zichzelf geen beslissende rol speelt, wat
echter anders kan liggen indien duidelijk komt vast te staan dat er
sprake is van dusdanig wezenlijke - uitsluitend door persoonlijk bezoek
te onderhouden - contacten dat zonder deze vereenzaming of sociaal
isolement optreedt.
Bij de vraag of sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat
onverkorte toepassing van voormeld - in beginsel aanvaardbaar te achten
- AWBZ-beleid niet meer als een verantwoorde voorziening kan worden
aangemerkt is van belang in welke mate de gelegenheid moet bestaan om
essentiële contacten te onderhouden teneinde te voorkomen dat de in een
AWBZ-instelling wonende gehandicapte in een toestand van vervreemding of
sociaal isolement zal geraken. Bij de vaststelling daarvan kunnen alle
ter zake dienende feiten in aanmerking worden genomen, daaronder
begrepen, in voorkomend geval, de frequentie waarmee deze contacten in
het verleden zijn onderhouden aangezien daarin een aanwijzing voor de
noodzakelijke contactfrequentie kan zijn gelegen.
De Raad voegt hieraan - in de lijn van zijn uitspraken van 15 januari
1999, gepubliceerd in USZ 1999/81, 82 en 83 - toe dat bij de vraag of in
een concreet geval vereenzaming of sociaal isolement van de
gehandicapte, die in een AWBZ-instelling woont, dreigt, onder meer
betekenis toekomt aan de mate waarin van degene(n), met wie essentiële
contacten worden onderhouden, redelijkerwijs kan worden gevergd dat deze
de gehandicapte in de instelling bezoekt. De Raad is van oordeel dat het
wederzijdse aandeel van de gehandicapte en degene met wie een essentieel
contact wordt onderhouden in de instandhouding van de contacten in
beginsel, dat wil zeggen behoudens contra-indicatie, kan worden gesteld
op ieder de helft, zodat, in dat geval, een vervoersvoorziening die de
gehandicapte een tegemoetkoming biedt waardoor deze grosso modo de helft
van het noodzakelijke aantal contacten kan onderhouden door middel van
het afleggen van bezoeken, niet in strijd komt met het bepaalde in
artikel 3 van de Wvg. De Raad tekent hierbij aan dat het een
gemeentebestuur vrijstaat om deugdelijk gemotiveerd aannemelijk te maken
dat in een voorliggend geval met een lagere contactfrequentie of met een
lagere bezoekfrequentie kan worden volstaan. Evenzeer staat het een
belanghebbende vrij om door middel van deugdelijk gemotiveerde
(medische) verklaringen aan te tonen dat een hogere contact- c.q.
bezoekfrequentie noodzakelijk is om sociaal isolement of vervreemding te
voorkomen.
Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat in het onderhavige geding
tussen partijen niet in geschil is dat de contacten van gedaagde met
zijn ouders moeten worden aangemerkt als essentiële contacten en dat
deze contacten wekelijks werden onderhouden, te weten door verblijf van
gedaagde bij zijn ouders gedurende de weekends.
Uit de gedingstukken blijkt niet dat partijen zich op het standpunt
stellen dat een hogere contactfrequentie noodzakelijk is, dan wel dat
een lagere contactfrequentie toereikend is om vereenzaming of sociaal
isolement van gedaagde te voorkomen.
Wel is in geschil het aantal malen dat gedaagde in staat moet worden
gesteld om het contact te onderhouden door middel van weekendbezoek bij
de ouders. Vanwege gedaagde wordt, gelet op de gedragsstoornissen, geen
reden gezien voor vermindering van het aantal bezoeken aan huis. Vanwege
appellant is aangevoerd dat het aantal bezoeken aan huis kan worden
teruggebracht tot 20 of 15 per jaar, in aanmerking genomen dat gedaagde
zelf contacten heeft binnen de instelling en dat de ouders van hun kant
gedaagde in de instelling kunnen bezoeken.
De Raad is van oordeel dat vanwege gedaagde niet door middel van
medische rapporten is aangetoond dat gedaagde in een toestand van
vervreemding of sociaal isolement zal geraken wanneer het essentiële
contact met de ouders niet meer dan ongeveer 26 keer per jaar door
middel van verblijf bij de ouders kan worden onderhouden. De Raad is
tevens van oordeel dat vanwege appellant niet door middel van medisch
onderzoek is aangetoond dat geen sociaal isolement of vervreemding zal
optreden wanneer wordt volstaan met beduidend minder bezoeken per jaar
aan de ouders. Gelet hierop dient in het onderhavige geval vooralsnog te
worden uitgegaan van een gebleken vervoersbehoefte van circa 26 maal per
jaar.
In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad in de voorhanden gegevens
geen aanknopingspunten ziet om, zoals appellant - niet nader onderbouwd
- betoogt, een aanmerkelijke korting op de vervoersbehoefte toe te
passen wegens vakanties.
Aangezien uit de gedingstukken blijkt dat de toegekende tegemoetkoming
van f 800,-- geen toereikende tegemoetkoming biedt in de kosten van het
noodzakelijke weekendvervoer van gedaagde, ook niet nadat daarvan de
kosten van een retour openbaar vervoer zijn afgetrokken, kan het
bestreden besluit niet in rechte stand houden.
De Raad verwerpt het standpunt van gedaagde dat het recreatieve vervoer
van gedaagde vanuit het ouderlijk huis onder de zorgplicht van appellant
valt. Daartoe wordt overwogen dat gedaagde in "[naam
instelling]" woont en dat aldaar het centrum van zijn leven van
alledag is gelegen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met dien verstande dat
appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het in deze
uitspraak van de Raad overwogene.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,-- dient te worden geheven.
De Raad acht termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht. Appellant wordt veroordeeld tot vergoeding
van de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op f 1.420,--.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit moet nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van
de Raad overwogene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei
2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|