|
Uitspraak
00/4309
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 december 1998 heeft gedaagde de financiële
tegemoetkoming, die hij ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) voor vervoer buiten [woonplaats] aan appellante per kwartaal
verstrekte - laatstelijk f 449,-- per kwartaal - , per 1 januari 1999 beëindigd
onder eenmalige toekenning van een bedrag van f 383,-- ter
tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer voor het jaar
1999.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 16 augustus 1999 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 26 juni 2000
ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. I. van Santbrink, advocate te Delft, van deze
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 oktober 2001, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Santbrink
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.R. Frederici,
werkzaam bij de gemeente Delft.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten en
regelgeving verwijst de Raad naar de daarop betrekking hebbende
overwegingen in de rubrieken 3 en 4 van de aangevallen uitspraak.
In geding is de vraag of de bij het bestreden besluit gehandhaafde beëindiging
van de eerder toegekende vervoersvoorziening voor bovenregionaal vervoer
van f 449,-- per kwartaal ingaande 1 januari 1999 onder gelijktijdige
toekenning van een bij wijze van overgangsmaatregel getroffen eenmalige
tegemoetkoming in de kosten van
bovenregionaal vervoer van f 383,-- voor het jaar 1999, in rechte stand
kan houden.
Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante door
het beëindigen van de bovenregionale vergoeding niet in een sociaal
isolement dreigt te geraken.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep is van de zijde van appellante aangevoerd dat de meest
wezenlijke contacten die zin geven aan haar bestaan, de bovenregionale
contacten zijn met de patiëntenvereniging Ehlers Danlos en de reizen
met gehandicapten met het Rode Kruis en Dolfijn. Daarnaast bezoekt zij
een dochter in Brielle en een zoon in Antwerpen, twee zusters, van wie
één in het buitenland en één in Enkhuizen woont, familie in Twente,
en een ernstig gehandicapte vriendin in Landgraaf. In [woonplaats] heeft
zij slechts contact met haar dochter, die enkele jaren geleden een
hersenbloeding heeft gehad, waardoor deze naast haar gezinsleven niet
in staat is sociale contacten met haar moeder te onderhouden, en met
haar zoon, met wie het contact moeizaam verloopt. Haar fysiotherapeut en
hulp in de huishouding zijn geen contacten, waarmee zij in haar sociale
behoeften voorziet. Bij het wegvallen van haar bovenregionale contacten,
met name die met de
vrijwilligersorganisaties, dreigt zij in een sociaal isolement terecht
te komen.
De Raad overweegt het volgende.
In dit geding gaat het om de beëindiging van de tegemoetkoming in de
kosten van bovenregionaal vervoer. De rechtbank heeft omtrent de
reikwijdte van de zorgplicht van het gemeentebestuur het volgende
overwogen:
"Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het
gemeentebestuur zorg voor de verlening van onder meer
vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelname aan het
maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten,
waartoe met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg bij
verordening regels worden gesteld. De gemeenteraad van Delft heeft de
Verordening vastgesteld die op 1 januari 1999 in werking is getreden.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.4, lid 4, van de Verordening komt -
voor zover hier relevant - een gehandicapte in aanmerking voor een
financiële tegemoetkoming voor de kosten van bovenlokaal vervoer,
indien de gehandicapte in sociaal isolement zou komen te verkeren.
Naar vaste jurisprudentie hoeft een vervoersvoorziening krachtens de Wvg in beginsel niet verder te strekken dan het bieden van een zodanige
tegemoetkoming dat betrokkene binnen het naaste woon- en leefmilieu nog
in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alle dag. Indien
een betrokkene aangeeft dat contacten buiten de regio van belang zijn,
is de tot de regio beperkte vervoersvoorziening eerst dan niet adequaat
als het zou gaan om dusdanig wezenlijke, uitsluitend door persoonlijk
bezoek te handhaven bovenregionale contacten dat betrokkene met het
wegvallen daarvan in een sociaal isolement zou geraken.
De rechtbank ziet in het vorenstaande, mede gezien de in de Verordening
opgenomen hardheidsclausule, geen grond te oordelen dat verweerder
gebruik heeft gemaakt van zijn regelgevende bevoegdheid met betrekking
tot de aard van de vervoersvoorziening, die niet met de Wvg strookt."
De Raad onderschrijft deze overwegingen en maakt ze tot de zijne. De
Raad onderkent dat appellante veel voor haar wezenlijke contacten buiten
de regio heeft. Dit feit kan evenwel volgens vaste jurisprudentie van de
Raad op zichzelf bezien in het kader van de Wvg niet tot een zorgplicht
van het gemeentebestuur leiden. Dit is in beginsel slechts anders indien
het gaat om uitsluitend door persoonlijk bezoek te handhaven
bovenregionale contacten en de betrokkene bij het wegvallen daarvan in
een sociaal isolement geraakt.
De Raad is niet gebleken dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich
in het geval van appellante voordoet. Appellante woont al 40 jaar in
[woonplaats], zij heeft daar vier kinderen grootgebracht, zij is in
[woonplaats] tot ongeveer tien jaar geleden werkzaam geweest als
raadslid en zij heeft, samen met haar toenmalige echtgenoot, de functie
van kosteres van de Waalse Kerk vervuld. Reeds op grond van deze
omstandigheden acht de Raad het onaannemelijk dat zij thans geen enkel
contact in [woonplaats] meer zou hebben. De Raad ziet zich hierin
bevestigd door een uitlating van haar gemachtigde ter zitting van de
rechtbank, waar deze heeft verklaard dat appellante haar contacten
binnen de stad toch wel onderhoudt, welke uitlating door appellante,
daarmee ter zitting van de Raad geconfronteerd, niet is weersproken.
Bovendien wonen twee van haar kinderen in [woonplaats], waarmee
appellante - zij het naar haar zeggen beperkt - contact heeft. Voor de
Raad is voorts onvoldoende aangetoond dat haar twee overige, in Brielle
en Antwerpen wonende kinderen niet in staat zijn appellante in
[woonplaats] te bezoeken.
In het voorgaande ligt besloten dat er voor gedaagde ingevolge de Wvg geen gehoudenheid is om een tegemoetkoming in de kosten van appellantes
bovenregionaal vervoer te verstrekken.
De Raad merkt met betrekking tot de activiteiten van appellante voor het
Rode Kruis en Dolfijn nog op dat het in de eerste plaats op de weg van
die organisaties ligt om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk
te doen, althans om op zijn minst een redelijke bijdrage in de
(reis)kosten te leveren.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24
oktober 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|