|
Uitspraak
99/1834
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op daartoe bij beroepschrift van 7 april 1999 (met bijlagen) aangevoerde
gronden is namens appellante hoger beroep ingesteld tegen een door de
Arrondissementsrechtbank te Breda tussen partijen gewezen uitspraak van 10 maart 1999, waarbij het inleidend beroep van appellante tegen het
besluit van gedaagde van 18 maart 1998 (het bestreden besluit) ongegrond
is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 maart
2000. Namens appellante is haar echtgenoot C.H. Roos verschenen. Voor
gedaagde is ter zitting opgetreden J.P.W. Raymakers, werkzaam bij de
gemeente Breda.
II. MOTIVERING
Gelet op de inhoud van de gedingstukken verwijst de Raad voor wat
betreft de van belang zijnde feiten, rechtsregels en de in eerste aanleg
door partijen ingenomen standpunten naar hetgeen daaromtrent in de
aangevallen uitspraak is vermeld.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde vastgehouden aan de in haar
primair besluit van 8 januari 1998 neergelegde weigering om appellante
in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en artikel 2.8
aanhef en sub a van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de
gemeente Breda (hierna: de verordening) bij wijze van woonvoorziening
een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van verhoging van twee
toiletpotten en het aanbrengen van douchebeugels.
Daartoe is door gedaagde onder meer overwogen dat het recht op een
woonvoorziening ingevolge de zojuist vermelde bepaling van de
verordening en de daarbij behorende toelichting niet geldend kan worden
gemaakt indien zonder toestemming reeds is begonnen met de werkzaamheden
waarop de voorziening betrekking heeft.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante, naar door haar niet wordt
betwist, de werkzaamheden al had laten verrichten voordat zij de
onderhavige aanvraag heeft ingediend. Met inachtneming daarvan heeft de
rechtbank de visie van gedaagde onderschreven en het bestreden besluit
in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellante, evenals zij in bezwaar en in eerste
aanleg heeft gedaan, er op gewezen dat de onderhavige aanpassingen door
haar (echtgenoot) in eigen beheer en op eigen initiatief en kosten zijn
aangebracht. Voorts is namens haar aangevoerd dat zij pas naderhand op
de hoogte raakte van de in de verordening geregelde mogelijkheden en
voorwaarden terzake woonvoorzieningen.
Hetgeen namens appellante - bij wijze van herhaling van het gestelde in
eerste aanleg - naar voren is gebracht geeft de Raad geen aanleiding om
anders te oordelen dan de rechtbank.
Naar de Raad reeds eerder in soortgelijke zaken als zijn oordeel te
kennen heeft gegeven betreft het hier van toepassing zijnde onderdeel
van artikel 2.8 van de verordening een bepaling van dwingend recht. Nu
gesteld noch gebleken is dat die bepaling niet op de rechtens
voorgeschreven wijze bekend is gemaakt brengt de door appellante
benadrukte onbekendheid met dat voorschrift op zich zelf niet mee dat
gedaagde in haar geval gehouden zou zijn aan die bepaling voorbij te
gaan.
Dat in sommige andere gemeenten naast de rechtens voorgeschreven
bekendmaking van verordeningen wellicht ook op een meer gerichte wijze,
onder meer in samenwerking met ziekenhuizen en huisartsen, aan
gehandicapten specifieke voorlichting wordt gegeven over het aanvragen
van een voorziening in het kader van de Wvg, doet aan het
vorenoverwogene niet af. Zulks te minder nu, naar ter zitting namens
gedaagde is bevestigd, in de gemeente Breda ten tijde in geding ten
minste op de gebruikelijke wijzen algemene voorlichting aan de inwoners
werd gegeven over de verstrekking van voorzieningen ingevolge de Wvg
en
de verordening.
Hetgeen namens appellante voorts is aangevoerd gaat voorbij aan
voormelde hier van toepassing zijnde bepaling van artikel 2.8 van de
verordening. De Raad acht voorts, evenals de rechtbank, niet gebleken
van bijzondere omstandigheden die gedaagde er in het onderhavige geval
toe hadden moeten brengen om ten gunste van appellante de
hardheidsclausule toe te passen.
Het ingestelde hoger beroep treft derhalve geen doel.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ingevolge
art 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. D.J. van der Vos en mr.
G. van der Wiel als leden,
in tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|