|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/421 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 februari 1998, voor zover hier van belang, heeft
gedaagde afwijzend beschikt op de aanvraag van appellante, welke er op
was gericht om haar ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)
en de van toepassing zijnde Verordening voorzieningen gehandicapten
(Verordening) in aanmerking te brengen voor vergoeding van kosten van
woningaanpassing.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit bij
besluit van 1 september 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 14
december 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. R.J. Kwakkel. Advocaat te Diemen, van deze
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde
gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 12
december 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. Kwakkel, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.
Helsloot, werkzaam bij de gemeente Diemen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde
feiten en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar rubriek III
van de aangevallen uitspraak.
De in dit geding aan de orde zijnde vraag of gedaagde bij het bestreden
besluit aan appellante op goede gronden een postoel heeft toegekend,
terwijl zij had verzocht om een tweede toilet op de eerste verdieping
van haar woning, is door de rechtbank bevestigend beantwoord. Daartoe is
bij de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, het volgende
overwogen:
"Nadat eiseres beroep tegen het bestreden besluit had ingesteld,
heeft verweerder alsnog om medisch advies van de ZVN verzocht. Uit het
ZVN-rapport van 16 december 1998 blijkt dat, gelet op de aard en de
omvang van de incontinentieproblematiek van eiseres, een tweede
toiletvoorziening geïndiceerd is en dat een postoel daartoe adequaat is,
zowel voor urine als ontlasting. Het gegeven dat de klachten van eiseres
vooralsnog blijvend lijken te zijn heeft niet tot een andere conclusie
geleid. De inhoud van dit laatste advies, opgesteld door een arts die
eiseres heeft bezocht, stemt in grote lijnen overeen met de conclusies
van de eerder geconsulteerde ZVN-arts. Nu van verweerder, gelet op de
strekking van de Wvg, niet kan worden gevergd een duurdere voorziening
te verstrekken wanneer er een goedkopere adequate voorziening voorhanden
is, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan
blijven
Voor zover eiseres zich heeft beroepen op het ontbreken van duidelijke
criteria voor de gevallen waarin welke vorm van een tweede
toiletvoorziening worden toegekend, overweegt de rechtbank dat
verweerder zich in alle redelijkheid kan baseren op de advisering en de
richtlijnen van ZVN."
Van de zijde van appellante is in hoger beroep aangevoerd dat duidelijke
richtlijnen en criteria ontbreken bij de indicatiestelling voor een
tweede toiletvoorziening. Uit een in bezwaar gedane telefonische
mededeling van ZVN-arts H. Engelen jegens gedaagde, inhoudende dat
doorgaans geen tweede toilet is geïndiceerd als er geen lichamelijke
oorzaak is, zoals een verlamming van de sluitspier, en als de ontlasting
niet 's nachts komt, is volgens appellante af te leiden dat een tweede
toilet wel is geïndiceerd indien wel sprake is van nachtelijke
ontlasting. Tevens is namens appellante aangevoerd dat de postoel uit
hygiënisch oogpunt geen adequate voorziening is, omdat het schoonmaken
daarvan, nadat hij in het toilet is geleegd, in de keuken plaatsvindt.
Voorts is aangegeven dat de traplift soms weigert omdat deze niet is
berekend op het gewicht van appellante, met als gevolg dat de po niet
geleegd kan worden.
Gedaagde stelt - zakelijk weergegeven - zich op het standpunt dat een
postoel in het onderhavige geval is aan te merken als de meest goedkope
en adequate voorziening. Voorts meent gedaagde dat er geen aanleiding is
om ten gunste van het individuele belang van appellante af te wijken van
het criterium "goedkoopst adequaat".
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 3 van de Wvg biedt het gemeentebestuur verantwoorde
voorzieningen, waaronder wordt verstaan dat deze doeltreffend, doelmatig
en cliëntgericht dienen te zijn.
In artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat een
voorziening slechts kan worden verstrekt voor zover:
a. deze in overwegende mate op het individu is gericht;
b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van
het wonen of
het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te
verminderen;
c. deze naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate
voorziening kan
worden aangemerkt.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op medische gronden is
aangewezen op een toiletvoorziening op de eerste verdieping van haar
woning.
Evenals de rechtbank en op grotendeels dezelfde gronden is de Raad van
oordeel dat de weigering van gedaagde om appellante in aanmerking te
brengen voor een tweede toilet en dat diens standpunt dat in haar geval
een voorziening bestaande uit het verstrekken van een postoel de
goedkoopste adequate voorziening moet worden gevonden, de rechterlijke
toetsing kan doorstaan.
Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is
aangevoerd en in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank, merkt
de Raad nog op dat ZVN-arts G.G. Weiss blijkens haar rapport van 16
december 1998 bij haar advisering rekening heeft gehouden met de hygiëne
van het gebruik van de postoel in de situatie van appellante. Weiss
heeft daartoe, nadat zij appellante thuis had bezocht, onder meer
overwogen dat het gebruik niet onhygiënisch is wanneer gebruikelijke
hygiënische maatregelen in acht worden genomen. De Raad ziet in hetgeen
van de zijde van appellante is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten
om de juistheid van dit oordeel in twijfel te trekken, mede nu Weiss
bekend was met de situatie ter plekke.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde
terecht het standpunt heeft ingenomen dat een postoel de goedkoopste
adequate voorziening voor appellantes problematiek is.
Dat gedaagde geen algemene richtlijnen en criteria heeft vastgesteld met
betrekking tot de indicatiestelling voor een tweede toiletvoorziening
(bij incontinentie) is naar het oordeel van de Raad niet strijdig te
achten met regels van geschreven en ongeschreven recht.
De Raad wijst er verder op dat uit de telefonische mededelingen van
ZVN-arts Engelen niet kan worden afgeleid dat een postoel in het geval
van appellante geen adequate voorziening is.
Voorts overweegt de Raad dat de gebrekkig functionerende traplift in het
onderhavige geval niet aan het verstrekken van de postoel in de weg kan
staan. De trap vormt immers bij een normaal functionerende traplift geen
belemmering voor een verantwoord gebruik van de postoel en ligt het op
de weg van appellante om ter verbetering van het functioneren van de
traplift de daartoe geëigende middelen aan te wenden.
De Raad merkt in dit verband ten slotte op dat hij onderkent dat een
postoel minder comfortabel is dan een vast toilet en dat dit een in de
huidige tijd minder gangbaar middel is. Dat neemt niet weg dat deze
voorziening - welke in de onderhavige situatie onmiskenbaar aanzienlijk
goedkoper is dan een vast toilet - in ieder geval niet als een inadequaat
middel kan worden beschouwd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor
zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter, in tegenwoordigheid
van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 23 januari 2001.
(get.) R.M. Male.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|