|
Uitspraak
00/865
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1.1. Bij besluit van 3 maart 1997 heeft appellant geweigerd om de door
gedaagde in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)
aangevraagde elektrische buitenrolstoel en tegemoetkoming in de kosten
van enkele woningaanpassingen, bestaande uit aangepaste kranen, een
verlaagd werkblad in de keuken, een lager gemonteerde thermostaat, een
automatisch te openen voordeur en een aangepaste balkondeur, toe te
kennen.
1.2. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij
besluit van 8 december 1997 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3. De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 6 januari 2000
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat
appellant een nieuw besluit op bezwaar zal nemen.
1.4. Namens appellant is drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op
bij het beroepschrift aangevoerde gronden.
1.5. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door haar
gemachtigde drs. Peters, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen
mr. A.J.H. Geense, advocaat te Leeuwarden.
2. MOTIVERING
2.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals
weergegeven in de aangevallen uitspraak, waarbij voor eiseres moet
worden gelezen gedaagde en voor verweerder appellant:
"Eiseres, geboren op 1 oktober 1945, is als gevolg van haar
handicap volledig rolstoelgebonden. Tot 1 oktober 1996 woonde zij
zelfstandig aan de [adres 1] te [woonplaats].
Op of kort na 1 oktober 1996 is eiseres met haar echtgenoot verhuisd
naar een woning aan de [adres 2] te [woonplaats]. Deze woning bevindt
zich in een flatgebouw waarin, naast 54 woningen voor senioren, 20
woningen voor jongeren met een verpleeghuisindicatie zijn gebouwd. De
uitvoering van dit project lag in handen van het Projekt Intensieve
Ouderenzorg Leeuwarden (PIOL). De benodigde zorg wordt verleend door
personeel van verpleeghuis Bornia Herne, dat een onderdeel is van het
Medisch Centrum Leeuwarden (MCL, thans geheten "Zorggroep
Noorderbreedte".)
Om de woning te mogen bewonen is een verpleeghuisindicatie nodig.
Eiseres beschikt over die indicatie. Aan eiseres en haar echtgenoot is
een huurovereenkomst met het MCL voorgelegd. Deze overeenkomst is op 19
augustus 1996 door de echtgenoot van eiseres en door J. Brandsma van het
MCL getekend. De overeenkomst beschrijft de woning in art. 1 als een
"onderdeel van een voorziening voor gezondheidszorg". Voorts
is in de overeenkomst vastgelegd dat de woning niet zelfstandig door een
gezond persoon kan worden bewoond.
Uit een verslag van een op 3 oktober 1996 gehouden overleg tussen de
projectleidster van het PIOL, mw. H. Kool, en de directeur divisie
ouderenzorg van het MCL met vertegenwoordigers van verweerder blijkt dat
de bij dit overleg betrokkenen er op dat moment nog van uitgingen dat
het project zou worden gefinancierd op grond van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Financiering van het project werd tot
dan toe ten laste van het PIOL gebracht. In dat kader heeft verpleeghuis
Bornia Herne 20 verpleeghuisbedden "ingeleverd".
In een door het PIOL ten behoeve van belangstellenden uitgegeven folder
over dit project is evenwel (voorzover hier van belang) aangegeven:
"De kosten. Het project "Verpleegwoningen voor jongeren "
wordt volledig vergoed door de AWBZ. Dus niet alleen de directe zorg,
maar ook de huur van de woning, de servicekosten, de schoonmaak- en de
voedingskosten. In feite dezelfde kosten die ook bij opname in een
verpleeghuis worden vergoed."
Naar aanleiding van een overleg tussen de zorgverzekeraar "De
Friesland" en Verpleeghuis Bornia Herne, op 11 december 1996, is
door genoemde verzekeraar bij brief van 12 december 1996 aan de
directeur van Verpleeghuis Bornia Herne bericht:
"(...) De Zorgverlening aan de twintig bewoners van de
"verpleegwoningen voor jongeren" zullen middels
zorgvernieuwingsmiddelen van verpleeghuis Bornia Herne worden
gefinancierd. De bewoner huurt zelfstandig de betreffende woning van de
woningstichting en tevens komen de kosten van voeding, servicekosten,
persoonlijke uitgaven e.d. voor eigen rekening van de bewoner. Om in
aanmerking te komen voor een woonplaats in "De Holwortel"
dient de bewoner te beschikken over een
AWBZ-verpleeghuisopname-indicatie. Echter de bewoners in de Holwortel
worden niet beschouwd als zijnde opgenomen in een verpleeghuis! (...)
Voor de goede orde delen wij u nogmaals mee dat de financiering van
eventueel noodzakelijke hulpmiddelen ten behoeve van bewoners van de
Holwortel niet ten laste komt van de Algemeen Wet Bijzondere
Ziektekosten. (...)".
Op 23 december 1996 zijn de bewoners, waaronder eiseres en haar
echtgenoot, hierover door het PIOL geïnformeerd. Het PIOL gaf hierin
aan er tot dan toe van uit te zijn gegaan dat de financiering van het
project zou vallen onder de AWBZ (net als de verpleegtehuizen).
Aangegeven werd voorts dat door het aanbrengen van een scheiding tussen
wonen (dus huren bij een woningbouwvereniging in plaats van het MCL)
enerzijds en zorg anderzijds (te betrekken van het MCL via het PIOL) een
beroep op de Wvg mogelijk zou zijn voor woningaanpassingen en
rolstoelen. In de plaats van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ,
diende een eigen bijdrage op grond van de eigen bijdrage regeling
Thuiszorg betaald te worden; "De Friesland" Zorgverzekeraar
verzorgt de uitvoering daarvan, aldus het schrijven van het PIOL.
Eiseres heeft per 1 februari 1997 een huurovereenkomst voor meergenoemde
woning gesloten met de Stichting Beter Wonen Leeuwarden (BWL).
Op 15 januari 1997 heeft eiseres verweerder verzocht haar in aanmerking
te brengen voor de navolgende voorzieningen op grond van de Wvg: a. als
woningaanpassing (…) en voorts: b. een elektrische buitenrolstoel
"Booster Eagle".
Bij besluit van 6 maart 1997 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend
beslist.
Namens eiseres is daarop een bezwaarschrift ingediend en tevens een
verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de president van de rechtbank
ingediend. Dit verzoek is ingetrokken, nadat verweerder had toegezegd
de gevraagde voorzieningen bij wijze van voorfinanciering te willen
verstrekken, waarbij verweerder het voorbehoud heeft gemaakt dat door
hem darmee niet een verplichting tot toekenning wordt erkend en dat de
uitspraak van de rechter in de bodemprocedure zal worden afgewacht.
Verweerder heeft aldus bij besluit van 24 september 1997 aan eiseres een
woningaanpassing toegekend tot een bedrag f 6.136,-- en voorts bij een
tweetal beschikkingen van 25 september 1997 een duwrolstoel ter waarde
van f 2.492,06 en een elektrische (buiten)rolstoel ter waarde van f
30.392,45 verstrekt."
2.2. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het
bestreden besluit in rechte stand kan houden.
2.3. Voor de beoordeling is de volgende regelgeving van belang.
2.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg
draagt de gemeente
zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en
rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer
van in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ter invulling van deze
zorgplicht is in de gemeente Leeuwarden de Verordening Voorzieningen
Gehandicapten (de Verordening) van april 1996 vastgesteld.
2.3.2. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg
is het eerste lid
niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling
die ingevolge artikel 8 van de AWBZ is toegelaten.
2.3.3. In het derde lid van artikel 2 van de Wvg
is de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overleg met de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de bevoegdheid gegeven om van het
tweede lid afwijkende regels te stellen.
2.3.4. Artikel 1.2, derde lid, sub b van de Verordening sluit toekenning
van een voorziening uit, indien op grond van enige andere wettelijke
regeling aanspraak op voorziening bestaat.
2.4. Vaststaat dat geen afwijkende regels als bedoeld in overweging
2.3.3. zijn gesteld ten aanzien van de tot het Holwortel-complex
behorende woningen of ten aanzien van verpleeghuis Bornia Herne.
2.5. Tussen partijen staat verder buiten discussie dat gedaagde een
medische indicatie heeft voor de gevraagde voorzieningen en tevens dat
deze voorzieningen op zich voorzieningen zijn waarvoor de Wvg
een
regeling beoogt te bieden.
2.6. Het tussen partijen bestaande geschil spitst zich toe op de vraag
of appellant ten aanzien van gedaagde een zorgplicht heeft in het kader
van de Wvg, en meer in het bijzonder, nu appellant zorgplicht erkent
vanaf het moment dat ten aanzien van de woningen van het
Holwortel-complex de financiering van wonen en zorg gescheiden zijn, of
deze zorgplicht bestond in de periode van 1 oktober 1996 tot dit moment
van splitsing, 1 februari 1997.
2.7. Appellant stelt zich op het standpunt dat het "Holwortel-project"
tot het moment van de splitsing betaald is uit gelden die beschikbaar
waren gekomen omdat er in het kader van het "Holwortel-project"
20 bedden door verpleeghuis Bornia Herne waren ingeleverd. De bewoners,
waaronder gedaagde, hebben daarom volgens appellant, volledig
gefinancierd in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ), in een voorziening gewoond die als dependance van Bornia Herne,
een ingevolge artikel 8 AWBZ toegelaten instelling, moet worden
beschouwd. Artikel 2, tweede lid, van de Wvg
staat in dat geval aan het
aannemen van zorgplicht in de weg.
2.8. Gedaagde betwist dit. Gedaagde woont ten tijde in geding
zelfstandig in een woning in het Holwortel-complex, dat eigendom is van
de Stichting Beter Wonen Leeuwarden. Zij dient in beginsel zelf huur,
gas en elektra, onroerende zaakbelasting, alsmede de kosten van haar
levensonderhoud te bekostigen. Het Holwortel-complex is geen AWBZ-instelling en was dat ook niet ten tijde in geding.
2.9. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of ten aanzien
van de periode 1 oktober 1996 tot 1 februari 1997 feiten en
omstandigheden zijn gebleken, die tot de conclusie leiden dat gedaagde
in die periode heeft verbleven in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ
toegelaten instelling. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, en
heeft daartoe het volgende overwogen.
2.10. Tussen partijen is niet in geschil dat het verpleeghuis Bornia
Herne een ingevolge artikel 8 van de AWBZ toegelaten instelling is. Het
is echter op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting geenszins aannemelijk geworden dat het Holwortelcomplex,
geheel of ten dele, moet worden beschouwd als een dependance van dit
verpleegtehuis. Weliswaar heeft het verpleeghuis een aantal
"bedden" prijsgegeven, waardoor financiële middelen
beschikbaar zijn gekomen voor het Holwortel-project, maar dat betekent
niet dat het Holwortel-complex moet worden beschouwd als een dependance
van Hornia Berne, reeds niet omdat daarvoor in dat complex geen AWBZ-"bedden"
in de plaats waren gekomen; van een toelatingsbesluit als bedoeld in
artikel 8 van de AWBZ is niet gebleken. Van de bewoners van het
Holwortel-complex is in de periode in geding ook niet een AWBZ-bijdrage
geheven. De Raad wijst er verder op dat de eigendom van het
Holwortel-complex bij de Stichting Beter Wonen Leeuwarden berust,
derhalve een (ook wat doelstelling betreft) andere rechtspersoon dan de
eigenaar van het verpleeghuis Bornia Herne.
Weliswaar heeft bij de initiatiefnemers van het project destijds de
bedoeling voorgezeten om een toegelaten AWBZ-instelling te realiseren,
maar dit oogmerk is nimmer gerealiseerd. Dat bij betrokkenen
onduidelijkheid heeft bestaan met betrekking tot de te creëren
juridische status van het complex kan er onder de gegeven omstandigheden
evenmin toe leiden dat gedaagde ten tijde hier in geding geacht moet
worden te hebben "verbleven in een AWBZ-instelling", in de zin
van artikel 2, tweede lid, van de Wvg.
2.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep geen
doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
2.12. De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,--
voor verleende rechtsbijstand.
2.13. Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22,
derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van
appellant een recht van f 675,-- dient te worden geheven.
3. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
3.1. Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat
appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het in
deze uitspraak overwogene;
3.2. Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,--, te betalen door de
gemeente Leeuwarden;
3.3. Verstaat dat van de gemeente Leeuwarden een griffierecht van f
675,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|