|
Uitspraak
00/4381
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Vanwege appellant is op de daartoe bij beroepschrift van 3 oktober 2000
aangevoerde en nadien bij brieven van 23 november 2000, 17 april 2001 en
19 oktober 2001 (met bijlagen) nader toegelichte gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Breda tussen
partijen gewezen uitspraak van 26 juni 2000. Bij die uitspraak is het
beroep van appellant tegen gedaagdes besluit van 31 augustus 1999 (het
bestreden besluit) verworpen.
Het bestreden besluit bevat de handhaving van de eerdere afwijzing van
appellants verzoek tot woningaanpassing bestaande uit vergoeding
terzake van het aanbrengen van een traplift in de door hem sinds 20
oktober 1997 bewoonde [adres 2]. Die afwijzing berust op artikel 2.6
van de in de gemeente Loon op Zand krachtens de Wet voorzieningen
gehandicapten vastgestelde verordening (hierna: de Verordening). Daartoe
is onder meer overwogen dat de verhuizing in 1997 naar de [adres 2]
plaatsvond binnen zeven jaar na een eerdere aanpassing van appellants
vorige - gelijkvloerse - woning aan de Molenakker, dat die vorige woning in 1995
reeds aan appellants handicap aangepast en daardoor voor hem adequaat
was, alsmede dat het thans gedane verzoek om aanpassing een gevolg is
van de verhuizing naar de [adres 2] waar op grond van appellants
ergonomische beperkingen geen aanleiding toe bestond.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) en onder meer een
aanvullend verweerschrift (met daarbij gevoegd een rapport van 13 maart
2001 van de aan Argonaut BV verbonden arts C.M. van Mierlo) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 november 2001.
Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde mr. P.J. van 't Hoff, verbonden aan de Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, terwijl voor gedaagde is opgetreden A.I.J.
van Buel, werkzaam bij de gemeente Loon op Zand.
II. MOTIVERING
Met betrekking tot de voor dit geding van belang zijnde feiten en de
door partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten verwijst de Raad,
gelet op de inhoud van de gedingstukken, naar rubriek 2 van de
aangevallen uitspraak.
De rechtbank heeft het hiervoor onder rubriek I vermeld standpunt van
gedaagde onderschreven en het bestreden besluit in stand gelaten.
Daartoe is bij de aangevallen uitspraak met name overwogen dat de
noodzaak voor de gevraagde voorziening aan de [adres 2] niet een gevolg
was van een verhuizing waar wegens ergonomische beperkingen aanleiding
toe bestond, alsmede dat de verhuizing naar de [adres 2] plaats vond
binnen de in artikel 2.6 van de Verordening genoemde termijn van zeven
jaar.
Ingevolge het ingestelde hoger beroep ligt de vraag voor of de rechtbank
al dan niet terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De
Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 2.6 van de Verordening bepaalt dat gedaagde een financiële
tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening als bedoeld in
artikel 2.1 onder b en c maximaal eenmaal in de 7 jaar verleent indien
de noodzaak van het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van
een verhuizing waar op grond van ergonomische beperkingen geen
aanleiding toe bestond.
De onderhavige bepaling begrenst de zorgplicht terzake woonvoorzieningen
in het daar bedoelde geval van een verhuizing die niet wegens
ergonomische beperkingen van de gehandicapte is geďndiceerd. In die
situatie is er geen ruimte voor verlening van een woonvoorziening in de
zin van een woningaanpassing of een voorziening van niet bouwkundige of
woontechnische aard, indien betrokkene in de periode van de laatste
zeven jaar reeds een zodanige voorziening is toegekend. Naar ook uit de
toelichting op artikel 2.6 van de Verordening valt af te leiden beoogt
deze bepaling kennelijk te voorkomen dat bij verhuizing binnen zeven
jaar van een reeds eerder in het kader van de Wvg aan de ergonomische
beperkingen aangepaste, en in dat verband adequate, woning naar een
andere, in dat opzicht niet adequate, woning, een woonvoorziening wordt
getroffen die niet spoort met het ingevolge de Wvg vereiste verband met
de ergonomische beperkingen van de betrokken gehandicapte.
Gelet op de beklemtoning in voormeld artikel van de afwezigheid van
zorgplicht terzake de daar bedoelde, niet direct met ergonomische
beperkingen samenhangende, aanvragen is er onvoldoende grond om de in
die bepaling ongeclausuleerd geformuleerde term
"woonvoorziening" zo beperkt op te vatten als appellant wenst.
De in dit verband bepleite restrictieve uitleg, inhoudend dat het bij de
in de nieuwe woning gevraagde, respectievelijk de eerder in een vorige
woning toegekende, woonvoorziening steeds moet gaan om specifiek
dezelfde voorziening, strookt met de tekst noch met de strekking van
deze bepaling.
Voor de toepassing van die bepaling is wat dit aspect betreft slechts
vereist dat de voor de nieuwe woning gevraagde voorzienig noodzakelijk
is wegens bij de gehandicapte bestaande ergonomische belemmeringen die
de laatste zeven jaar al eerder aanleiding hebben gevormd om een woning
voor hem adequaat te maken middels een (zelfde dan wel andere)
woonvoorziening in de zin van artikel 2.6 van de Verordening. Uiteraard
gaat het daarbij om ergonomische belemmeringen van de gehandicapte zelf.
Door gedaagde zijn bij het onder I vermelde aanvullend verweerschrift
nadere medische en ergonomische gegevens overgelegd terzake andere,
onder meer in genoemde periode van zeven jaar, aan appellant wegens zijn
handicap toegekende (woon)voorzieningen. Daaronder bevindt zich het
eveneens onder I vermeld - gedocumenteerd - rapport van de arts C.M. van
Mierlo.
De hiervoor vermelde onderzoeksgegevens met betrekking tot de ten tijde
hier van belang bij appellant bestaande ergonomische beperkingen zijn
van de zijde van appellant niet middels daar op toegespitste medische
verklaringen bestreden.
Het vorengaande mede in aanmerking genomen stelt de Raad vast dat de
door appellant in 1997 betrokken woning aan de [adres 2] voor hem als
niet adequaat moet worden beschouwd, gelet op de ten tijde van de aan
hem in 1995 toegekende woonvoorziening reeds bestaande ergonomische
belemmeringen in het normale gebruik van de woning wat betreft onder
meer het traplopen.
Indien de verhuizing in 1997 (mede) zou zijn ingegeven doordat de
echtgenote van appellant niet kon wennen in de oude woning en
terugverlangde naar (de omgeving van) de [adres 2], kan dat in de
gegeven situatie niet worden aangemerkt als een ergonomische belemmering
van de betrokken gehandicapte in de zin van artikel 2.6 van de
Verordening. Reeds daarom staat die omstandigheid niet in de weg aan
toepassing van die bepaling.
Het vorengaande in aanmerking genomen onderschrijft de Raad de slotsom
van de rechtbank alsmede de strekking van het in hoger beroep ingediende
(aanvullend) verweerschrift.
Hetgeen vanwege appellant overigens is aangevoerd bevat goeddeels een
herhaling van het gestelde in eerste aanleg en vormt voor de Raad geen
aanleiding om anders te oordelen. Het ingestelde hoger beroep kan
derhalve niet slagen.
Mede gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad geen termen aanwezig
voor een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Algemene
bestuurswet [lees: Algemene wet bestuursrecht, red.].
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|