|
Uitspraak
01/4823
WVG en 02/4814 WVG
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:88 van de Algemene wet bestuursrecht:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft bij schrijven van 15 augustus 2001 op de daarin
aangevoerde gronden, nader aangevuld bij brief van 14 november 2001, met
bijlage, en bij brief van 4 februari 2002, om herziening verzocht van de
door de Raad op 30 december 1998 onder nr. 97/10551 WVG gegeven uitspraak (verder: uitspraak 1) en, naar
kennelijk is bedoeld, van de naar aanleiding van het verzoek om
herziening van die uitspraak gegeven uitspraak van de Raad van 3 juli
2001 onder nr. 99/5017 WVG (verder: uitspraak 2).
Gedaagde heeft hierop bij brief van 24 januari 2002 gereageerd.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege
gebleven.
II. MOTIVERING
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of van de zijde van
verzoeker gronden zijn aangevoerd die tot herziening van de in rubriek I
vermelde uitspraken van de Raad kunnen leiden.
Verzoeker heeft zijn verzoek om herziening gebaseerd op de stelling dat
hem niet is gebleken op grond van welke gegevens de Raad tot de
conclusie is gekomen dat hij niet is beperkt in zijn mobiliteit, dat hij
voor zijn verplaatsingen niet op de deeltaxi is aangewezen en dat hij
kan lopen of eventueel met de (snor)fiets huiswaarts kan keren. Tevens
heeft hij aangegeven dat gedaagde er in de procedure onder nummer
99/5017 WVG bij verweerschrift van 10 december 1999 mee heeft volstaan
aan te geven dat de grieven aangaande de herziening voor een belangrijk
deel zijn toe te schrijven aan de uitspraak van 30 december 1998.
Voorts benadrukt verzoeker dat de Raad bij de uitspraak van 30 december
1998 niet de goede stukken voorhanden heeft gehad. Indien de juiste
gegevens destijds bekend waren geweest zou dat volgens verzoeker tot een
andere uitspraak hebben geleid.
Daarbij meent verzoeker dat het advies van 20 september 1994 van G.
Bernink-Bos, hetwelk is aangehaald in de uitspraak van 30 december 1998,
geen erkend stuk is en geheel van tafel is gehaald, omdat volgens deze
arts afwijzend beschikt diende te worden op de aanvraag voor de
vervoersvoorziening. Verzoeker heeft toegelicht dat zijns inziens uit
hetgeen G. Bernink-Bos ter zitting van de rechtbank Groningen van 22
november 1996 heeft verklaard, blijkt dat de medische onderbouwing van
haar advies onvoldoende is. Verzoeker stelt dat dit advies is
ingetrokken blijkens het rapport van 31 juli 1995 van M.
Drength-Versteeg, nu daarin is aangegeven dat verzoeker zo angstig is in
het openbaar vervoer dat hij daarvan geen gebruik kan maken, terwijl hij
dat destijds wel geprobeerd heeft. In dat verband verwijst verzoeker nog
naar het rapport van C.J.F. Kemperman van 31 januari 1997.
Voorts stelt verzoeker dat er geen sprake is geweest van hoor en
wederhoor nu het schrijven van 27 augustus 1997 van medisch adviseur
D.J.Schakel ter zitting van 9 september 1997 van de rechtbank Groningen niet als gedingstuk is
toegelaten.
De Raad beantwoordt voormelde, dit geding beheersende vraag in
ontkennende zin en overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet en artikel 8:88 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden
uitspraak van de Raad alleen, op verzoek van een partij, worden herzien
op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vσσr de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vσσr de uitspraak niet
bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak
zouden hebben kunnen leiden.
Ten aanzien van het verzoek om herziening van uitspraak 2 stelt de Raad
vast dat dit verzoek betrekking heeft op een uitspraak van de Raad
betreffende een verzoek om herziening van uitspraak 1, welke uitspraak
onherroepelijk is geworden.
De Raad is van oordeel dat een verzoek om herziening van een uitspraak
van de Raad uitsluitend betrekking kan hebben op feiten en
omstandigheden als bedoeld in artikel 21 van de Beroepswet juncto
artikel 8:88 van de Awb. Daarmee is gegeven dat het moet gaan om feiten
en omstandigheden die betrekking hebben op de (oorspronkelijke)
uitspraak van de Raad en dat de mogelijkheid van een verzoek om
herziening van een uitspraak gegeven naar aanleiding van een eerder
verzoek om herziening als niet passend binnen het wettelijk systeem van
de hand moet worden gewezen. Hieruit vloeit voort dat het verzoek om
herziening van uitspraak 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Voorts kan de Raad niet inzien dat uit hetgeen door verzoeker overigens
is gesteld enig feit of enige omstandigheid af te leiden valt als in
artikel 8:88 van de Awb bedoeld.
Evenals in 's Raads uitspraak van 3 juli 2001, voornoemd, wijst de Raad
verzoeker erop dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet
gegeven is om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren
en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Gelet op het vorenstaande wijst de Raad het verzoek om herziening van
uitspraak 1 af.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzoek om herziening van uitspraak 2 niet-ontvankelijk;
Wijst het verzoek om herziening van uitspraak 1 af.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter, en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. H.G. Rottier als leden in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op
25 september 2002.
(get.) R.M. van Male.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|