|
Uitspraak
01/2871
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgermeesters en wethouders van de gemeente Tilburg,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 7 maart 2000 heeft appellant afwijzend beslist op een
aanvraag van gedaagde om voor een vervoersvoorziening in de vorm van een
financiële tegemoetkoming in aanmerking te komen op grond van de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg). Appellant heeft het bezwaar van
gedaagde tegen dit besluit bij bestreden besluit van 22 juni 2000,
ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 11 april 2001, het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard.
Appellant heeft bij beroepschrift van 17 mei 2001 hoger beroep ingesteld
tegen deze uitspraak.
Gedaagde heeft bij schrijven van 6 augustus 2001 van verweer gediend.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op het
bovengenoemde verweer.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 september
2002, waar noch appellant, met kennisgeving, noch gedaagde zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de
Raad naar rubriek 2 van de aangevallen aanspraak.
Bij het bestreden besluit van 22 juni 2000 heeft appellant de aanvraag
van gedaagde voor een financiële vergoeding ten behoeve van het gebruik
van een auto afgewezen omdat zij gebruik kan maken van een deeltaxi.
Gedaagde is van mening dat zij geen gebruik kan maken van de deeltaxi.
De rechtbank deelt de mening van gedaagde en heeft het beroep tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de arts
van het Regionaal Indicatieorgaan (RIO) weliswaar gerapporteerd dat het
reizen met de deeltaxi mogelijk is voor gedaagde maar heeft deze arts
tevens aangegeven dat dit gezien de sociale omstandigheden van gedaagde
niet haalbaar is.
De rechtbank ziet niet in hoe gedaagde, die door haar handicap moeizaam
loopt, naast de spullen die toch al moeten worden meegenomen voor het
samen op stap gaan met haar kind, ook nog eens bij het deelnemen aan het
leven van alle dag - boodschappen doen, doktersbezoek, sociale contacten
onderhouden - een autostoeltje kan meenemen. Gedaagde zal daardoor naar
het oordeel van de rechtbank te zeer beperkt zijn in haar deelname aan
het maatschappelijke verkeer. In zoverre is de geboden voorziening, te
weten het toegekende individuele gebruik van de deeltaxi naar het
oordeel van de rechtbank, niet doeltreffend en cliëntgericht en
mitsdien in de individuele omstandigheden van gedaagde niet verantwoord
te achten.
In hoger beroep is door appellant aangegeven dat rekening is gehouden
met de handicap van gedaagde en met de verzorging van haar tweejarig
zoontje door haar het individuele gebruik van een deeltaxi toe te
kennen. Het enkele feit dat een autostoeltje moet worden meegenomen acht
appellant niet doorslaggevend. Appellant stelt enkel een zorgplicht te
hebben voor het vervoer van de gehandicapte zelf; slechts in de gevallen
dat het zoontje met gedaagde meereist kan sprake zijn van het moeten
meenemen van het autostoeltje. Bovendien stelt appellant dat het
deeltaxivervoer vervoer is van deur tot deur. Bij vervoer naar familie,
kennissen en vrienden, maar ook naar andere sociale contacten is
appellant van oordeel dat het meenemen van het autostoeltje geen bezwaar
oplevert. Weliswaar kan bij het doen van boodschappen het meenemen van
een autostoeltje als extra bagage bezwarend zijn, maar appellant acht
dit zeker niet onoverkomelijk. Volgens appellant zijn er autostoeltjes
verkrijgbaar die bij het verlaten van de auto gemonteerd als wandelwagen
gebruikt kunnen worden. Dergelijke voorzieningen zijn volgens appellant
algemeen gebruikelijk.
Appellant is verder van mening dat in incidentele gevallen de eigen auto
gebruikt kan worden naast de deeltaxi individueel. Gezien het geheel van
mogelijkheden kan niet gesproken worden van een dreigend sociaal
isolement.
In het verweerschrift in hoger beroep wordt door gedaagde onder meer
aangevoerd dat zij altijd samen met haar zoontje reist, omdat zij hem
niet alleen thuis kan laten en geen geld heeft voor een oppas. Daarnaast
heeft zij aangevoerd dat autostoeltjes die bij het verlaten van de auto
als wandelwagen gebruikt kunnen worden heel duur zijn en alleen geschikt
zijn voor de eerste maanden.
De rechtsvraag welke de Raad dient te beantwoorden is of de geboden
vervoersvoorziening bestaande uit individueel gebruik van de deeltaxi
voor gedaagde ten tijde in geding een verantwoorde voorziening is in de
zin van artikel 3 van de Wvg.
De Raad overweegt als volgt.
Wat betreft vervoersvoorzieningen vloeit uit artikel 3 van de Wvg
volgens vaste jurisprudentie van de Raad voort dat zodanige
voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende
gehandicapten tenminste in staat worden gesteld om in hun directe woon-
en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en
deel te nemen aan het leven van alledag. Voor de vraag welke
voorzieningen in dat kader moeten worden geboden, zijn de omstandigheden
van het geval mede van belang.
Hiervan uitgaande acht de Raad, overeenkomstig de rechtbank, in het
onderhavige geval gezien de gedingstukken niet aannemelijk geworden dat
gedaagde, die ten tijde in geding een alleenstaande moeder van een kind
onder de leerplichtige leeftijd was en een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ontving, in staat was
om met de haar toegekende vervoersvoorziening in aanvaardbare mate
sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van
alledag.
De Raad heeft daarbij laten wegen dat gedaagde, gezien de leeftijd van
haar kind en het ontbreken van oppasmogelijkheden bij het merendeel van
haar bezoeken genoodzaakt is haar kind mee te nemen en dat appellant er
niet in geslaagd is aan te tonen dat gedaagde ten tijde in geding,
gezien haar handicap, onder de gegeven omstandigheden in staat was om
een adequaat autostoeltje voor haar kind met zich mee te dragen na het
verlaten van de taxi. In zoverre is in het onderhavige geval de geboden
voorziening dan ook niet doeltreffend en cliëntgericht en mitsdien in
de individuele omstandigheid van gedaagde niet verantwoord te achten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen
zodat moet worden beslist zoals hierna is weergegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A. de
Gooijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 september
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. de Gooijer.
|
|