|
Uitspraak
01/3138
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
De erven van [naam overledene], gewoond hebbende te [woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 30 oktober 1998 is namens het College van burgemeester en
wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) aan [naam
overledene] (hierna te noemen betrokkene), die [in] 2002 is overleden,
mededeling gedaan van het besluit tot toekenning van deelname aan het
zogeheten Vervoer op Maat van kamer tot kamer, hetgeen tevens impliceert
afwijzing van de aanvraag om betrokkene ingevolge de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) en de op die wet gebaseerde Verordening
Voorzieningen Gehandicapten Rotterdam 1994 (nader te noemen de
Verordening) in aanmerking te brengen voor vergoeding van kosten van het
aanbrengen van een aangepaste stoel in de eigen auto.
Het College heeft de bezwaren van betrokkene tegen dat besluit bij het
bestreden besluit van 29 juli 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 9 mei 2001 (de
aangevallen uitspraak) het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is de echtgenoot van betrokkene, J. Caesar, namens
haar op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de Raad op 25 juli 2002 meegedeeld zich niet ter
zitting te laten vertegenwoordigen en tevens stukken ingestuurd
betreffende een nieuwe aanvraag om een autoaanpassing, die heeft
geresulteerd in het besluit van 17 december 2001 tot toekenning van een
tegemoetkoming van f 6000,-- aan betrokkene.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 juli
2002. Alleen J. Caesar, voornoemd, is daar verschenen, waarbij hij te
kennen heeft gegeven dat de erven van betrokkene de procedure wensen
voort te zetten.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit, waarbij de toekenning aan betrokkene van deelname
aan het systeem van Vervoer op Maat van kamer tot kamer alsmede de
afwijzing van een tegemoetkoming in de aanpassing van de eigen auto is
gehandhaafd, berust op de overweging dat betrokkene blijkens de
rapportage van de Afdeling Voorzieningen Gehandicapten in staat was om
te reizen met genoemde vorm van collectief vervoer.
Zij is derhalve niet in aanmerking gebracht voor een voorziening in de
vorm van aanpassing van de eigen auto, nu ingevolge de Verordening
andere vervoersvoorzieningen pas worden verstrekt als de gehandicapte
wegens aantoonbare beperkingen die het gevolg zijn van ziekte of gebrek,
geen gebruik kan maken van Vervoer op Maat.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij
de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe
met name overwogen dat, waar het gemeentebestuur ervoor gekozen heeft op
het gebied van vervoersvoorzieningen het primaat bij het collectief
vervoerssysteem te leggen en niet is gebleken dat betrokkene daarvan
geen gebruik zou kunnen maken, het College terecht de aanvraag om
vergoeding van de kosten van aanpassing van de eigen auto heeft
afgewezen. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat het namens
betrokkene aangevoerde begeleidingsprobleem als gevolg van de
werksituatie van haar echtgenoot, niet tot een ander oordeel leidt, nu
het in eerste instantie gaat om de gezondheidstoestand van betrokkene
zelf en niet om de maatschappelijke omstandigheden van haar echtgenoot
en nu voorts op het College niet de verplichting rust om alle keuzen van
een gehandicapte ten aanzien van de wijze van vervoer buitenshuis te
honoreren.
In hoger beroep is van de kant van (de erven van) betrokkene benadrukt
dat zij voor vervoer buitenshuis volledig afhankelijk was van de
begeleiding van haar echtgenoot, onder meer omdat zij ook voor haar
verzorging op de plaats van bestemming geheel op hem was aangewezen. Nu
de echtgenoot ten tijde voor dit geding van belang volledig werkzaam was
en ook overigens de verzorging van betrokkene zeer tijdrovend was, acht
deze zich door het extra tijdsbeslag van het Vervoer op Maat in
vergelijking met vervoer per eigen auto onevenredig belast.
De Raad oordeelt als volgt.
Zoals de Raad al vele malen heeft overwogen komt het gemeentebestuur de
ruimte toe om naar eigen inzicht invulling te geven aan de hem ingevolge
de artikelen 2 en 3 van de WVG opgedragen taak om te zorgen voor
verantwoorde (vervoers)voorzieningen voor ter plaatse wonende
gehandicapten. Ook heeft de Raad meermalen aangegeven dat met het in
voormelde bepalingen aangegeven globale kader niet in strijd is dat,
gelijk het gemeentebestuur van Rotterdam in hoofdstuk 3 van de
Verordening heeft gedaan, prioriteit wordt gegeven aan deelname aan een
systeem van collectief vervoer, in die zin dat andere vormen van
vervoersvoorzieningen slechts worden toegekend als het gebruik van het
collectief vervoer voor een gehandicapte als gevolg van ziekte of gebrek
onmogelijk is. In zoverre verenigt de Raad zich dan ook met de
overwegingen van de rechtbank.
Van de kant van betrokkene is niet gesteld dat zij niet in staat was om
deel te nemen aan het Vervoer op Maat, maar wel dat zij daarbij geheel
was aangewezen op de begeleiding door haar echtgenoot. Zulks is zowel
door het College als de rechtbank niet opgevat als een noodzakelijke
voorwaarde om zich buitenshuis te verplaatsen doch als een voorkeur van
betrokkene, die niet per se gehonoreerd behoeft te worden. Daarmee wordt
aansluiting gezocht bij bestendige jurisprudentie van de Raad erop
neerkomend dat het vereiste dat verantwoorde vervoersvoorzieningen
worden verstrekt niet met zich meebrengt dat met alle voorkeuren van een
gehandicapte rekening moet worden gehouden.
Gelet op hetgeen in hoger beroep, waarvan in het bijzonder ter zitting
van de Raad naar voren is gekomen, betwijfelt de Raad evenwel of de
feitelijke grondslag van voormelde visie op de begeleiding van
betrokkene in het onderhavige geval in overeenstemming is met de
realiteit. Weliswaar kan ervan uitgaan worden dat een vervoerssysteem
als door het College toegekend erin voorziet dat de gehandicapte door
het dienstdoende personeel van kamer tot kamer kan worden begeleid, maar
dat neemt niet weg dat er een probleem wat betreft begeleiding op de
plaats van bestemming, zowel bij het onderhouden van sociale contacten
als bij het bezoeken van instanties, kan bestaan, bijvoorbeeld als het
gaat om toiletbezoek. De Raad acht het op basis van de voorhanden
gegevens niet uitgesloten dat betrokkene in dit opzicht voor iedere
verplaatsing buitenshuis van haar echtgenoot afhankelijk was, en, als
dat zo was, is het ook niet onmogelijk dat het gebruikmaken van het
collectief vervoer in dit specifieke geval op zodanig gespannen voet
stond met de werksituatie van de echtgenoot en de mate waarin deze voor
het overige met de verzorging van betrokkene was belast, dat begeleiding
bij het deelnemen aan het Vervoer op Maat van hem niet, althans niet in
volle omvang, in redelijkheid was te vergen.
Nu het College bij de voorbereiding van het bestreden besluit aan de
zojuist besproken begeleidingsaspecten geheel voorbijgegaan is, is de
Raad van oordeel dat de besluitvorming van het College in zoverre niet
voldoet aan zijn uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
voortvloeiende onderzoeksplicht. Zowel de aangevallen uitspraak als het
bestreden besluit komen dan ook om die reden voor vernietiging in
aanmerking.
Met het oog op het door het College te nemen nieuwe besluit op bezwaar
wijst de Raad partijen erop dat dat besluit in ieder geval niet kan
inhouden dat alsnog de gevraagde voorziening van aanpassing van de auto
wordt verstrekt, nu het College naar aanleiding van een latere aanvraag
al een tegemoetkoming in de daarvoor gemaakte kosten heeft toegekend.
Wel zal het College zich er over moeten beraden of het instellen van
onderzoek naar voormelde begeleidingsaspecten nog mogelijk en zinvol is,
nu betrokkene is overleden. De Raad kan zich voorstellen dat aan de
erven van betrokkene op dit punt het voordeel van de twijfel wordt
gegeven, hetgeen bijvoorbeeld zou kunnen resulteren in het alsnog
toekennen van een tegemoetkoming in de kosten van de door de echtgenoot
van betrokkene als begeleider bij haar vervoer buitenshuis gemaakte
kosten.
De Raad acht, mede gelet op hetgeen tijdens de zitting door de echtenoot
van betrokkene naar voren is gebracht, termen aanwezig om met toepassing
van artikel 8:75 van de Awb het College te veroordelen in de
proceskosten van (de erven van) betrokkene in hoger beroep, bestaande
uit de reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Raad.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad ten slotte vast dat
het door betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte
griffierecht van totaal € 104,37 (voorheen f 60,-- en f 170,--, totaal
f 230,--) door de gemeente Rotterdam aan de erven van betrokkene dient
te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene en haar erven
in hoger beroep, welke worden begroot op € 15,68 te betalen aan de
erven van betrokkene door de gemeente Rotterdam;
Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan de erven van betrokkene het
betaalde griffierecht van totaal € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 september
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|