|
Uitspraak
01/799
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft bij aanvraag van 7 mei 1998 verzocht haar op grond van
het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)
een woonvoorziening te verstrekken in de vorm van een traplift.
Bij primair besluit van 12 november 1998 heeft gedaagde het verzoek
afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 18 april 2000 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante tegen het besluit van 12 november 1998 gegrond verklaard,
doch de weigering een traplift te verstrekken gehandhaafd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 4 januari 2001 het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is D. Truijens, voorzitter van de Stichting
Slachtoffers WVG te Leiden, op daartoe aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 juli 2001.
Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Visser,
advocaat te 's-Hertogenbosch.
Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door G. de Boer, C.M.
Rutgers en Y. Smeehuijzen, allen werkzaam bij de gemeente Spijkenisse.
Ter zitting is de behandeling geschorst.
Desverzocht hebben partijen nadere informatie aan de Raad doen toekomen.
De behandeling van het geding ter zitting is voortgezet ter zitting van
de Raad van 21 november 2001. Appellante is daar in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. R. Visser, voornoemd. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door C.M. Rutgers en G. de Boer, voornoemd.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Vervolgens heeft de Raad W.C.G. Blanken, revalidatiearts te Driebergen,
benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Deze
deskundige heeft bij brief 18 juli 2002 het rapport van zijn onderzoek
ingezonden, waarbij tevens een kostenonderzoek woningaanpassing van 21
mei 2002 van J.C. Admiraal van Calcu Bouw Management B.V. te Limmen en
een ergotherapeutisch rapport van 7 maart 2002 van T.J.A. de Craene,
werkzaam bij Ergo Track te Goes zijn gevoegd.
Beide partijen hebben een reactie op het deskundigenrapport ingezonden.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege
gebleven.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag
of gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de naar
objectieve medische maatstaf noodzakelijke kosten van woningaanpassing
hoger zijn dan f 13.000,-- (€ 5.899,14) bij welk bedrag ingevolge
artikel 2.4 van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de
gemeente Spijkenisse (hierna: Verordening) door gedaagde een zogeheten
verhuisprimaat wordt toegepast.
De rechtbank heeft hierover in de aangevallen uitspraak overwogen dat
het door gedaagde gevoerde beleid inzake de toepassing van het
verhuisprimaat niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist is te
achten en dat van bijzondere omstandigheden die zodanig klemmend zijn
dat gedaagde gehouden zou zijn van dit beleid af te wijken niet is
gebleken. De rechtbank ziet op basis van de overgelegde offertes geen
aanleiding te twijfelen aan de stelling van gedaagde dat de kosten van
de gevraagde woningaanpassing een bedrag van f 13.000,-- te boven zouden
gaan. De door appellante genoemde gelijke gevallen zijn onvoldoende
gebleken, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is
geworden dat sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel.
Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk dat de Algemene bezwaar en
beroepscommissie niet over de juiste gegevens zou hebben beschikt. Tot
slot heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is van een
mondelinge toezegging van een consulent van gedaagde op grond waarvan
gedaagde gebonden zou zijn om een traplift te vergoeden.
Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. In
hoger beroep is namens appellante - kort gezegd - aangevoerd dat gedaagde
onvoldoende heeft onderzocht of verhuizing wel de goedkoopst adequate
voorziening is, omdat niet is onderzocht of er wel een passende
woonruimte beschikbaar is en welke woonlasten die nieuwe woning met zich
meebrengt. Daarbij bedraagt het verschil tussen de traplift en
woningaanpassingen (f 15.500,--) en de bovengrens voor woningaanpassing
(f 13.000,--) slechts f 2.500,--.Verder zijn volgens appellante de
sociale contacten die ze in de directe omgeving heeft onvoldoende
meegewogen. Naar aanleiding van het door W.C.G. Blanken, voornoemd,
uitgebrachte deskundigenrapport is namens appellante onder meer
opgemerkt dat de beperkingen bij het koken in november 2002 zullen zijn
opgelost omdat zij dan een elektrische rolstoel met hoog-laagverstelmogelijkheid ter beschikking krijgt.
Vanwege gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat de kosten van de
traplift en benodigde woningaanpassingen boven de grens voor
woningaanpassingen uitstijgen. Naar aanleiding van het
deskundigenrapport is van de zijde van gedaagde opgemerkt dat de
voorzieningen die appellante niet wenselijk acht, doch die wel
noodzakelijk zijn, moeten worden meeberekend in de totaalkosten.
Gedaagde is het niet eens met de conclusie van de deskundige dat geen
elektrische deuropener met video-installatie nodig is en twijfelt aan de
adequaatheid van de traplift gezien de beperkte transferruimte onder aan
de trap. Bovendien heeft gedaagde aangegeven dat, voor zover appellante
volgens de deskundige voor verplaatsingen binnen en buiten de woning is
aangewezen op een elektrische rolstoel, de huidige woning daarvoor niet
geschikt is.
De Raad acht zich op grond van de thans voorhanden gegevens, daaronder
begrepen de onderzoeksbevindingen van de in rubriek I genoemde
deskundige Blanken, voor de beantwoording van de dit geding beheersende
vraag voldoende voorgelicht.
Deskundige Blanken heeft, na raadpleging van een ergotherapeut en een
bouwkundige, in zijn rapportage overwogen dat appellante niet
zelfstandig de eerste verdieping kan bereiken waar de natte cel zich
bevindt, dat er voor koken uitgebreide beperkingen bestaan en dat zij
ten aanzien van het verplaatsen in en om de woning de beschikking moet
hebben over een geschikte elektrische rolstoel. De kosten van de
noodzakelijke woningaanpassing, uitgaande van de vorengenoemde
beperkingen, bedragen € 8.183,-- (f 18.033,--), in welk bedrag zijn
begrepen de kosten van het verwijderen van de dorpel van de douchecel,
het vervangen van vloertegels door antisliptegels c.q. antislipcoating, het verplaatsen van de douchemengkraan en het aanbrengen van
een douchekop op glijstang, het plaatsen van beugels ter plaatse van de
trap, het plaatsen van een traplift Mst 2002-C en de kosten van de reeds
uitgevoerde aanpassingen aan de begane grond. In dit bedrag zijn niet de
kosten opgenomen van de door appellante niet wenselijk geachte, doch
door Blanken wel als noodzakelijk aangegeven ophoging van het terras,
verwijdering van de buitendorpels en het aanpassen van
deuren/waterinslag, een losse douchestoel, een onderrijdbare wastafel en
een elektrische deuropener voordeur.
De in geding zijnde vraag of het bestreden besluit in rechte stand houdt
moet gelet op de thans beschikbare gegevens bevestigend worden
beantwoord. De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2.1 aanhef en onder a van de Verordening kan gedaagde
een woonvoorziening treffen bestaande uit een financiële tegemoetkoming
in de kosten van verhuizing en herinrichting. Ingevolge onderdeel b van
dit artikel kan gedaagde ook een andere woonvoorziening verstrekken
bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing.
Gedaagde hanteert bij de keuze tussen deze voorzieningen het zogeheten
primaat van de verhuizing, hetgeen er op neerkomt dat gedaagde een
tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten verstrekt als de
totale kosten van integrale aanpassing van de woning meer dan f
13.000,-- bedragen.
De Raad heeft al eerder als zijn zienswijze kenbaar gemaakt (vide USZ
99/283 en JSV 00/33) dat het primaat van de verhuizing in beginsel niet
in strijd is met de in de Wvg neergelegde bepalingen. Daarbij heeft de
Raad evenwel opgemerkt dat uit die bepalingen tevens voortvloeit dat het
gemeentebestuur niet voorbij mag gaan aan omstandigheden die in een
concreet geval aan de toepassing van het primaat in de weg (zouden
kunnen) staan.
Met name op grond van de bevindingen van de in hoger beroep
geraadpleegde onafhankelijke deskundige Blanken, welke de Raad
beslissend acht voor de beoordeling van de grondslag van het bestreden
besluit en waaraan een ergonomische en een bouwkundige expertise ten
grondslag liggen, komt de Raad tot de conclusie dat appellante in
objectief medische zin (ten minste) is aangewezen op woningaanpassingen
die in totaal ruimschoots uitstijgen boven de grens van f 13.000,--
waarboven het verhuisprimaat geldt. Bovendien acht de Raad - evenals
gedaagde - reëel dat, gelet op het rapport van Blanken, te verwachten
is dat appellante voor verplaatsingen binnen- en buitenshuis grotendeels
zal zijn aangewezen op een elektrische rolstoel en dat de huidige woning
daarvoor niet geschikt is.
Hetgeen overigens in hoger beroep vanwege appellante - met name ter
terechtzitting van 18 juli 2001 - is aangevoerd, heeft de Raad, gelet op
hetgeen daar tijdens die zitting vanwege gedaagde tegenover is gesteld,
niet kunnen overtuigen. De Raad heeft daarbij laten wegen dat appellante
(aan gedaagde) van meet af aan te kennen heeft gegeven pertinent niet
mee te willen werken aan het zoeken c.q. verhuizen naar een gezien haar
handicap wel adequaat te achten woning.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het ingestelde hoger beroep faalt.
De aangevallen uitspraak moet derhalve worden bevestigd. De Raad ziet -
tenslotte - geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7
januari 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|