|
Uitspraak
01/3295
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Borculo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, werkzaam bij de Stichting De
Ombudsman te Hilversum, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 28 mei 2001
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij brief van 15 augustus 2001 een verweerschrift
ingezonden en de gemachtigde van appellant heeft bij brief van 14
oktober 2002 de gronden van het hoger beroep toegelicht en gemotiveerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 oktober 2002, waar
appellant, zoals tevoren aangekondigd, niet is verschenen en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters,
werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
II. MOTIVERING
Bij primair besluit van 10 april 2000 heeft gedaagde geweigerd
appellant, die visueel gehandicapt is, in aanmerking te brengen voor een
racetandem.
Bij het bestreden besluit van 15 september 2000 zijn de bezwaren van
appellant voor zover gericht tegen de Verordening voorzieningen
gehandicapten gemeente Borculo 1998 (hierna: Verordening)
niet-ontvankelijk verklaard, en voor het overige ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten, van oordeel
zijnde dat gedaagde de gevraagde voorziening terecht heeft geweigerd.
Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
"Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Wvg draagt het
gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan
het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige
gehandicapten. Verweerders gemeente heeft in haar voornoemde verordening
uitvoering gegeven aan de in deze bepaling vastgelegde verplichting
hieromtrent regels vast te stellen.
Er is geen grond voor het oordeel dat met de in die verordening
vastgestelde regels onvoldoende invulling is gegeven aan de op de
gemeente rustende zorgplicht of dat anderszins sprake is van strijd met
het in de Wvg bepaalde.
Partijen zijn het er (terecht) over eens dat de gevraagde racetandem
niet kan worden aangemerkt als een vervoersvoorziening in de zin van de Wvg, die in beginsel bedoeld is voor het leven van alledag en voor
verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.
Met partijen moet voorts worden vastgesteld dat de verordening,
uitgezonderd de in artikel 4.2. opgenomen mogelijkheid van verstrekking
van een sportrolstoel indien een gehandicapte zonder die voorziening
niet in staat is tot sportbeoefening, niet voorziet in de mogelijkheid
van sportvoorzieningen.
De conclusie is daarom dat er geen basis is voor verstrekking van de
gevraagde voorziening.
Anders dan eiser ziet de rechtbank die basis evenmin in het vermeend
discriminatoir karakter van artikel 4.2 van de verordening. Dat in de
verordening -in verband met de parlementaire behandeling bij de
invoering van de Wvg- de mogelijkheid van verstrekking van een
sportrolstoel is neergelegd kan naar het oordeel van de rechtbank niet
leiden tot de verplichting andere, buiten het kader van de Wvg
vallende
sportvoorzieningen te verstrekken. De rechtbank acht hierbij niet zonder
belang dat, in tegenstelling tot sportvoorzieningen als een racetandem,
de sportrolstoel een specifieke voorziening ten behoeve van
gehandicapten is en als zodanig een variant van de uitdrukkelijk als Wvg-voorziening aangemerkte gewone rolstoel."
Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer dat appellant van
mening is dat hij voor het beoefenen van zijn sport (wielrennen) op een
racetandem is aangewezen, dat in het systeem van de wet de sportrolstoel
als een buitenwettelijke voorziening moet worden gezien en dat de
Verordening in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat hierbij
slechts aan beoefenaars van de rolstoelsport de mogelijkheid wordt
geboden in aanmerking te komen voor een sportvoorziening (de
sportrolstoel).
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 2, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)
bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van -
onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het
maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten.
Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen doeltreffend,
doelmatig en cliλntgericht te zijn. In artikel 2, eerste lid, van de
Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van
hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald bij Verordening daartoe
regels dient vast te stellen. De Raad stelt vast dat de raad van de
gemeente Borculo, daaraan uitvoering gevende, de Verordening heeft
vastgesteld.
Naar de Raad reeds vele malen heeft overwogen heeft de wetgever met
bovenstaand samenstel van bepalingen aan de gemeentebesturen bewust
ruimte gelaten om naar eigen (beleids)inzicht aan hun zorgplicht
gestalte te geven. De rechter dient deze ruimte, gezien zijn
staatsrechtelijke positie, in beginsel te respecteren, onverminderd de
gehoudenheid van de gemeentebesturen om zowel bij de vaststelling als
bij de toepassing van hun Verordeningen de in voormelde bepalingen van
de Wvg globaal aangegeven ondergrens in acht te nemen.
Dit laatste brengt mee dat aan de ter plaatse wonende gehandicapten die
daarop aangewezen zijn, een zodanige vervoersvoorziening dient te worden
aangeboden dat zij in hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare
mate in staat worden gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel
te nemen aan het leven van alledag.
Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat gedaagde appellant op grond van
het bepaalde bij en krachtens de Wvg in aanmerking heeft gebracht voor
deelname aan het collectief vervoer en dat hij hem op grond daarvan
tevens een gewone tandem heeft verstrekt. De Raad stelt tevens vast dat
tussen partijen niet in geschil is dat deze vervoersvoorzieningen voor
appellant adequaat zijn en dat hij daarmee in aanvaardbare mate sociale
contacten kan onderhouden en deelnemen aan het leven van alledag.
In geschil is wel of gedaagde appellant in het kader van de uitvoering
van de Wvg op grond van zijn daartoe strekkende aanvraag, naast de hem
toegekende vervoersvoorzieningen, een racetandem had moeten verstrekken.
De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank en onder overneming
van de gronden die haar tot dat oordeel hebben geleid, ontkennend. Het
volgende wordt daaraan nog toegevoegd.
De Raad is van oordeel dat noch de Wvg noch de Verordening ruimte biedt
om de aanvraag van appellant te honoreren. Toekenning van een tandem die
uitsluitend bestemd is voor sportbeoefening valt naar 's Raads oordeel
buiten de grondslag en reikwijdte van de Wvg. Hieruit vloeit voort dat
de aanvraag terecht is afgewezen.
Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het feit dat
de raad van de gemeente Borculo, in aanmerking genomen de geschiedenis
van totstandkoming van de Wvg en de in dat verband nadrukkelijk tot
uitdrukking gebrachte desbetreffende wens, aanleiding heeft gevonden om
in de Verordening te regelen dat aan de in de gemeente woonachtige
gehandicapten een sportrolstoel kan worden verstrekt, betekent niet dat
de raad van deze gemeente tevens gehouden zou zijn andere
sportvoorzieningen, waarvoor in de wetsgeschiedenis geen steun valt te
vinden, in de Verordening te regelen.
Met betrekking tot het bestreden besluit op bezwaar overweegt de Raad
ambtshalve nog het volgende.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellant voor een deel niet-ontvankelijk
verklaard, namelijk in zoverre dit zou zijn gericht tegen de
Verordening, zijnde een algemeen verbindend voorschrift waartegen
ingevolge artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen
beroep en derhalve ook geen bezwaar mogelijk is.
De rechtbank heeft dat standpunt onderschreven. Aldus wordt echter
miskend dat het bezwaar van appellant zich niet richtte tegen de
(vaststelling van de) Verordening als zodanig, maar tegen de toetsing
van zijn aanvraag aan de Verordening en dat in dat verband de
verbindendheid van die Verordening aan de orde is gesteld, waarbij
gewezen is op gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals dat is
neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Anders dan gedaagde
en de rechtbank hebben aangenomen staat artikel 8:2 van de Awb er
evenwel niet aan in de weg dat de afwijzing van de aanvraag op een
dergelijke wijze in de heroverweging op het bezwaar wordt getoetst.
Derhalve is het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit in dat
opzicht ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
In zoverre komen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dan
ook voor vernietiging in aanmerking.
De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen, gelet op het hiervoor
overwogene, dat het inleidend bezwaar in zijn geheel ongegrond wordt
verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 966,- voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar
niet-ontvankelijk is verklaard;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen
het bestreden besluit in zoverre ongegrond is verklaard;
Verklaart het bezwaar in zoverre alsnog ongegrond;
Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
gedeelte van het bestreden besluit;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
966,-- te betalen door de gemeente Borculo;
Bepaalt dat de gemeente Borculo aan appellant het in eerste aanleg en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. Ch. de Vrey
en Mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2002.
(get.) R.M. van Male.
(get.) A. van Netten.
|
|