|
Uitspraak
01/4620
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Hardinxveld-Giessendam, appellant,
de ouders van [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit op bezwaar van 10 augustus 2000 heeft appellant vastgehouden
aan zijn eerdere afwijzing van de ten behoeve van gedaagde gedane
aanvraag om een vervoersvoorziening ingevolge de Wet voorzieningen
gehandicapten (hierna: Wvg) en de van toepassing zijnde Verordening
voorzieningen gehandicapten (hierna: Verordening). Daartoe heeft
appellant het navolgende standpunt ingenomen:
"Bezwaarden zijn ervan uitgegaan dat het te toetsen inkomen netto
besteedbaar moet zijn. De verordening kent de term netto-inkomen niet,
maar definieert het te toetsen inkomen in artikel 1.1, sub b als
bruto-inkomen, waarop enkele met name genoemde posten in mindering
moeten worden gebracht, te weten: "de over het bruto-inkomen
verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies en pensioenpremies,
met uitzondering van de procentuele premie voor de verplichte
ziekenfondsverzekering". Op basis van deze voorschriften luidt de
berekening van het inkomen van bezwaarden over 1998, gebaseerd op de
cijfermatige gegevens die door hun gemachtigde op 27 december 1999 zijn
toegezonden, als volgt: (...) Inkomen ex artikel 1.1, sub b van de
verordening: 55.667,00.
In de van de zijde van bezwaarden overgelegde berekening d.d. 27
december 1999 zijn van de 'fiscale winst uit onderneming' enkele extra
posten afgetrokken, en een scholingsaftrek bijgeteld, waardoor deze op
een bruto-inkomen van 64.102,00 komt. Dit is echter niet in
overeenstemming met hetgeen in het kader van de verordening onder
inkomen moet worden begrepen. Daarnaast is in de berekening die namens
bezwaarden is ingediend bij de aftrekposten ook de ziektekostenpremie ad
6.535,00 opgevoerd, waardoor het totaal aan aftrekposten op
23.210,00 komt. Deze aftrek is echter in strijd met hetgeen in artikel
1.1, sub b van de verordening is bepaald. Vervolgens trekken bezwaarden
van het aldus verkregen bedrag nog de reiskosten t.b.v. het gehandicapte
kind af, waardoor de netto-inkomsten op 28.412,00 worden berekend.
Voor deze aftrek biedt de verordening geen enkele grond. De commissie
acht de berekening die namens bezwaarden is ingediend, gelet op hetgeen
hiervoor is opgemerkt, in het kader van de aan de orde zijnde
inkomenstoets niet correct. Uitgegaan dient te worden van het hiervoor
berekende inkomen van 55.667,00 . Dit bedrag dient te worden getoetst
aan het in de verordening bedoelde norminkomen. Dit bedroeg voor een
echtpaar (per 1 juli 1999 op jaarbasis) 39.040,94. Geconcludeerd kan
worden dat het inkomen hoger is dan dit norminkomen. Betrokkenen komen
derhalve niet voor een vervoersvoorziening ingevolge de Wvg in
aanmerking."
De rechtbank Dordrecht heeft het beroep tegen voormeld besluit bij
uitspraak van 3 augustus 2001 gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd.
Op daartoe bij beroepschrift aangegeven en bij repliek van 26 november
2002 nader toegelichte gronden heeft appellant tegen die uitspraak hoger
beroep ingesteld. Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 december 2002, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. B.R. van Leeuwen, werkzaam
bij voormelde gemeente, en waar voor gedaagde is verschenen J.A.
Sluimer, accountant.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Wvg draagt het gemeentebestuur
zorg voor de verlening van onder meer vervoersvoorzieningen ten behoeve
van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming
van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij
verordening. De gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam heeft op grond
van artikel 2, eerste lid, van de Wvg de Verordening Voorzieningen
Gehandicapten 1997 vastgesteld. Ingevolge artikel 1.1, onderdeel b, van
de Verordening wordt, voor zover hier van belang, onder inkomen verstaan
het gezamenlijk bruto-inkomen van de ouders, verminderd met de over het
bruto-inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies en
pensioenpremies, met uitzondering van de procentuele premie voor de
verplichte ziekenfondsverzekering. Onderdeel c van die bepaling
definieert norminkomen als de bijstandsnorm bedoeld in artikel 29,
artikel 30, onderdelen a. en b. na verhoging met het bedrag genoemd in
artikel 33, tweede lid, artikel 30, onderdeel c, en 31, eerste en tweede
lid, van de Algemene bijstandswet, omgerekend tot een bedrag per
kalenderjaar en verhoogd met de in een kalenderjaar verschuldigde premie
van een met de verplichte ziekenfondsverzekering overeenkomende
ziektekostenverzekering, nadat deze premie is verminderd met een bedrag
gelijk aan de nominale premie die in een kalenderjaar verschuldigd zou
zijn bij verplichte ziekenfondsverzekering. In artikel 3.1, aanhef,
onder c, sub 3, van de Verordening is bepaald dat de door burgemeester
en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een
tegemoetkoming of vergoeding in de kosten van gebruik van een taxi of
een eigen auto. Ingevolge artikel 3.2, vijfde lid, van de Verordening
wordt indien het inkomen, als bedoeld in artikel 1.1, onder b. hoger is
dan anderhalf maal het norminkomen, geen financiλle tegemoetkoming in
de kosten van vervoersvoorzieningen, als bedoeld in artikel 3.1, onder b.,
sub 1. en onder c., sub 2. tot en met 4. verstrekt. Op grond van artikel
7.1, eerste lid, van de Verordening kan appellant in de daar bedoelde
bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte afwijken van de
bepalingen van de Verordening.
Appellant keert zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover het
betreft het dictum en het oordeel met betrekking tot de (uitkomst van
de) in artikel 3.2, vijfde lid voorgeschreven vermenigvuldiging van het
norminkomen in de zin van onderdeel c van artikel 1.1 van de
Verordening. Daarbij is onder meer aangevoerd:
"In deze uitspraak is vastgesteld dat de rechtbank niet is gebleken
dat het in deze vastgestelde inkomen ad 55.667,-- onjuist zou zijn
berekend. Het door ons met in achtneming van het bepaalde in artikel 1.1
van de Verordening vastgesteld inkomen stond derhalve voor de rechtbank
vast. Uit artikel 3.2 van de Verordening volgt dat verstrekking van een
vervoersvoorziening als hier aan de orde, achterwege blijft, indien het
inkomen van aanvragers hoger is dan anderhalf maal het norminkomen. Dit
norminkomen is gerelateerd aan de normbedragen ingevolge de Algemene
bijstandswet (zie de verordening). Het norminkomen voor een echtpaar
bedroeg per 1 juli 1999 26.027,29 (zie de tabel van Bijlage III
"Relevante norminkomens en inkomensgrenzen voor de Wvg per 1 juli
1999 op jaarbasis"). De inkomensgrens voor een Wvg-vervoersvoorziening bedroeg derhalve 1,5 x 26.027,29 =
39.040,94. Deze bedragen zijn weergegeven in de reeds genoemde Bijlage
III, behorend bij de Modelverordening Voorzieningen Gehandicapten van de
VNG, augustus 1999. Het norminkomen bedroeg in casu aldus 26.027,29
en de inkomensgrens 39.040,94. Er kan niet anders dan worden
geconcludeerd dat de rechtbank van het verkeerde bedrag als zijnde het
norminkomen is uitgegaan. Het bedrag van 26.027,29 is het
toepasselijke norminkomen. Het bedrag van 39.040,94 is anderhalf maal
het norminkomen. De rechtbank is uitgegaan van het bedrag 39.040,94.
Indien dat bedrag met anderhalf wordt vermenigvuldigd, is het inkomen
inderdaad lager. Echter indien het juiste bedrag van 26.027,29 met
anderhalf wordt vermenigvuldigd wordt het bedrag van 39.040,94
verkregen en dan is het inkomen aanzienlijk hoger dan het
norminkomen."
In aanmerking genomen de duidelijke tekst van de van toepassing zijnde
onderdelen van de artikelen 1.1 sub c en 3.2 van de Verordening en gelet
op de aanwezige inkomensgegevens, onderschrijft de Raad dit betoog.
Aangezien de grief van appellant doel treft houdt het oordeel van de
rechtbank in zoverre geen stand.
Voor het overige kan de Raad zich vinden in het oordeel van de
rechtbank, inhoudend dat appellant in de gegeven situatie op grond van
de geldende regels van de Wvg en de Verordening terecht aan gedaagde de
inkomensgrens heeft tegengeworpen.
Hetgeen namens gedaagde, bij wijze van herhaling van het gestelde in
eerste aanleg -en goeddeels met voorbijgaan aan het specifieke
inkomensbegrip in artikel 1.1 onder b, van de Verordening - is bepleit,
komt neer op het hanteren van een met het in die bepaling voorgeschreven
(bruto) karakter strijdig uitgangspunt, te weten een "netto
besteedbaar inkomen". De Raad onderschrijft ook overigens de
strekking van hetgeen door appellant op dit punt naar voren is gebracht.
Daarbij wordt aangetekend dat, ook al zou worden uitgegaan van het
vanwege gedaagde (met aftrek van fiscale bijtellingen) opgevoerde lagere
"bruto" inkomen van f 64.024,-, onverkort blijft gelden dat
ingevolge de Verordening op dat bedrag enkel de beperkte - door appellant
correct toegepaste - vermindering als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel
b.
is toegestaan. Ook dan wordt de inkomensgrens ruimschoots overschreden.
Hetgeen (overigens) vanwege gedaagde is gesteld heeft de Raad, het
voorgaande mede in aanmerking genomen, niet tot een ander oordeel
gebracht. De Raad ziet - ten slotte - geen termen voor een
proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid
van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken op 21
januari 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|