|
Uitspraak
01/4695
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij het bestreden besluit van 22 december 2000 heeft gedaagde zijn bij
besluit van 13 september 2000 aan appellante bekend gemaakte weigering
om haar op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) een woonvoorziening te verstrekken in de vorm van
een elektrische garagedeuropener, gehandhaafd.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 12 juli 2001 het beroep
tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, alsmede nadere stukken, ingezonden.
Tevens zijn bij brief van 22 november 2002 inlichtingen verstrekt.
Appellante heeft bij brief van 2 december 2002 een reactie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 februari 2003.
Appellante is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. E.H.M.G. Duysters, werkzaam in dienst van de
gemeente Roermond.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
Appellante, geboren op 24 februari 1937, ondervindt ten gevolge van een
aandoening van de wervelkolom, locomotore beperkingen. In 1991 heeft
gedaagde haar op grond van de Regeling geldelijke steun huisvesting
gehandicapten (RGSHG) een financiλle tegemoetkoming toegekend voor de
aanschaf van een elektrische garagedeuropener. Omdat deze ernstige
gebreken was gaan vertonen heeft appellante op 30 maart 2002 verzocht om
vervanging van deze voorziening op grond van het bepaalde bij en
krachtens de Wvg.
Gedaagde heeft haar die voorziening geweigerd. Hij stelt zich blijkens
het bestreden besluit - kort gezegd - op het standpunt dat haar aanvraag
niet kan worden ingewilligd omdat het door gedaagde vastgestelde beleid
daarvoor geen ruimte biedt. Dit beleid komt er op neer dat een
elektrische garagedeuropener alleen wordt verstrekt wanneer aan de
betrokken belanghebbende een elektrisch verplaatsingsmiddel (scootmobiel)
is verstrekt, deze in de garage moet worden gestald en de elektrische
garagedeuropener op medisch/ergonomische gronden noodzakelijk is om de
garagedeur te kunnen openen. Appellante voldoet daaraan niet omdat aan
haar geen elektrisch verplaatsingsmiddel is verstrekt. Voorts is
aangegeven dat de garage gebruikt wordt om de auto te stallen. Te dien
aanzien is opgemerkt dat uit het advies van ZVN Advies n.v. (ZVN) blijkt
dat appellante op medische gronden niet is aangewezen op individueel
vervoer per (eigen) auto, maar dat zij in staat geacht wordt gebruik te
maken van het systeem van collectief vervoer (regionet), waarbij deze
vorm van vervoer de goedkoopste adequate voorziening wordt gevonden.
Aangezien er geen medische noodzaak bestaat voor vervoer per (eigen)
auto, bestaat er volgens gedaagde ook geen noodzaak voor een voorziening
die daarmee verband houdt.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Zij heeft daartoe, voor zover in hoger beroep nog van belang,
overwogen dat het ter zake van het verstrekken van elektrische
garagedeuropeners door gedaagde gevoerde beleid niet onaanvaardbaar
wordt geacht en dat het bestreden besluit daarmee overeenstemt. Voorts
heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat uit het bepaalde bij en
krachtens de Wvg niet volgt dat gedaagde gehouden is om het onder de
RGSHG gevoerde beleid onder de Wvg te continueren. Tenslotte heeft zij
in haar overwegingen betrokken dat de medische beperkingen van
appellante door gedaagde genoegzaam zijn onderkend, maar dat deze niet
van dien aard zijn dat zij geen gebruik zou kunnen maken van het systeem
van collectief vervoer.
Appellante heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar standpunt, erop
neerkomende dat de in 1991 verstrekte deuropener toen noodzakelijk was
en dat daarin nadien geen verandering is gekomen;
- zij nog altijd sociaal en cultureel zeer actief is en daarom
aangewezen is op vervoer per auto;
- vervoer per regionet onnodig belasten en kostenverhogend is;
-ZVN geadviseerd heeft dat vervanging van de elektrische deuropener de
goedkoopste adequate voorziening is;
- ten gevolge van een wijziging van de gemeentelijke Verordening
voorzieningen gehandicapten gemeente Roermond 1999 (de Verordening) per
1 januari 2001 een vergoeding mogelijk is van 50% van de kosten van
onderhoud en reparatie van onder vigeur van de RGSHG verstrekte
voorzieningen. Aangezien niet de gehele installatie vervangen moet
worden, maar slechts de elektrische motor, is appellante van mening dat
zij aan de gewijzigde Verordening rechten kan ontlenen.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden
besluit neergelegde standpunt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat aan de
gewijzigde Verordening geen aanspraak kan worden ontleend aangezien uit
de beoordeling door ZVN volgt dat het in casu niet gaat om reparatie of
onderhoud van een onder de RGSHG verstrekte voorziening, maar om
vervanging.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of terecht
geweigerd is de aan appellante onder vigeur van de RGSHG verstrekte
elektrische garagedeuropener op grond van het bepaalde bij en krachtens
de Wvg te vervangen.
Hij beantwoordt deze vraag als volgt.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c ten eerste, van de Wvg, voor
zover hier van belang, definieert woonvoorziening als elke voorziening
die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of
verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik
van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van
bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan
een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de
voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische
beperkingen.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wvg definieert
vervoersvoorziening als een voorziening die gericht is op het opheffen
of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer
buitenshuis ondervindt.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang,
dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woon- en
vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en
dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg
daartoe bij verordening regels vaststelt. De raad van de gemeente
Roermond heeft hieraan gevolg gegeven door vaststelling van de
Verordening.
Artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt:
"Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover (...) deze
langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het
wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te
verminderen".
Daarvan uitgaande is de Raad op grond van de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting tot de conclusie gekomen dat, daargelaten de
vraag of de aangevraagde elektrische garagedeuropener een
woonvoorziening of (het sequeel van) een vervoersvoorziening moet worden
gevonden, niet is komen vast te staan dat appellante daarop ten tijde in
geding op medische gronden langdurig was aangewezen. Hij heeft daarbij
in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat het
gebruik van het collectief vervoer medisch gezien mogelijk was en dat er
voor appellante geen medische noodzaak was om zich te vervoeren per
individuele personenauto. Voorts heeft de Raad laten wegen dat geenszins
is gebleken dat de auto niet gestald kon worden op de oprit bij de
woning, dan wel op straat voor de woning.
Met betrekking tot het beroep op de gewijzigde Verordening acht de Raad
zich voldoende voorgelicht door de aanvraag van appellante, ertoe
strekkende dat de in 1991 aangebrachte deuropener zou worden vervangen
in plaats van gerepareerd, en de advisering door ZVN waaruit blijkt dat
de motor van de elektrische garagedeuropener defect is. De Raad is van
oordeel dat de motor van een elektrische garagedeuropener een zodanig
essentieel onderdeel is, dat indien deze moet worden vervangen gezegd
moet worden dat geen sprake meer is van onderhoud of reparatie in de zin
van de gewijzigde Verordening.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevraagde voorziening terecht is
geweigerd, dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen
uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.M.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 april
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.M. Menkveld-Botenga.
|
|