|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/5495
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de
Maas, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij aanvraag van 14 april 2000 aan gedaagde verzocht om
hem op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de op die
wet gebaseerde Verordening voorzieningen gehandicapten (Verordening) een
voorziening te verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming
voor het gebruik van de eigen auto of een taxi.
Bij primair besluit van 12 september 2000 heeft gedaagde aan appellant
met ingang van 1 april 2000 een tegemoetkoming toegekend voor het
gebruik van de eigen auto of een taxi van f 927,-- op jaarbasis, zijnde
50% van het maximum bedrag. Tevens is bij dat besluit aan appellant de
gelegenheid geboden om een abonnement aan te vragen voor de Streektaxi.
Bij het bestreden besluit van 8 januari 2001 is het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 12 september 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 12 oktober 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 februari 2003.
Appellant is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. A.W.A. Wekx-Coenders, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of bij het bestreden
besluit van 8 januari 2001 onder de gegeven omstandigheden terecht en op
goede gronden met ingang van 1 april 2000 een tegemoetkoming in de
vervoerskosten van f 927,-- op jaarbasis, zijnde 50% van het maximum
bedrag, en de mogelijkheid van gebruikmaking van het Streekvervoer, aan
appellant zijn toegekend.
De rechtbank heeft hierover overwogen dat de toegekende
vervoersvergoeding van f 927,-- op jaarbasis en de mogelijkheid om
gebruik te maken van de Streektaxi, gelet op de individuele
vervoersbehoefte van appellant, toereikend moeten worden geacht voor
zijn plaatselijke en regionale vervoersbehoefte. Onder verwijzing naar
de jurisprudentie van deze Raad is daartoe in de aangevallen uitspraak
overwogen dat het kunnen onderhouden van bovenregionale sociale
contacten onder de gemeentelijke zorgplicht valt wanneer die contacten
van essentieel belang zijn voor het voorkomen van vereenzaming, waarvan
sprake is indien de betrokkene bij het wegvallen van die contacten in
een sociaal isolement geraakt. Van een dergelijk sociaal isolement is de
rechtbank niet gebleken.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij een grote
vervoersbehoefte heeft, omdat hij een deel van de voedingsmiddelen voor
zijn gezin bij winkels in Venray en Blerick wenst te kopen, hij na drie
jaar ziekte weer in contact wil komen met de buitenwereld zoals familie
en vrienden, hij twee maal per week taalcursus Nederlands volgt en hij
op advies van zijn therapeut een hobbygroep in Venray bezoekt. Van de
toegekende tegemoetkoming kan hij niet rondkomen. Daarbij heeft
appellant gesteld dat niet naar zijn huidige gezondheidstoestand is
gekeken, doch naar zijn vroegere, slechtere, situatie.
Vanwege gedaagde is bij verweerschrift aangevoerd en ter zitting
toegelicht dat, gelet de ten tijde in geding aanwezige relatief geringe
vervoersbehoefte van appellant, overeenkomstig het gevoerde beleid in
het kader van de gemeentelijke zorgplicht voor vervoersvoorzieningen een
vergoeding is toegekend die, uitgaande van een kilometerprijs van €
0,26 zoals door het Nibud in augustus 2001 berekend voor een auto uit de
compacte klasse, appellant in staat stelt ruim 1600 km per jaar reizen.
Voorts heeft gedaagde gesteld dat appellant bovendien gebruik kan maken
van de Streektaxi, waarmee tegen een tarief dat destijds iets hoger lag
dan het tarief van het openbaar vervoer, in de regio gereisd kan worden
naar onder meer Venray en Blerick.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde in geding in
aanmerking kwam voor een vervoersvoorziening in de vorm van een
tegemoetkoming in het vervoer met de eigen auto of (deel) taxi.
Vooropgesteld moet worden dat een gemeentebestuur als gedaagde blijkens
artikel 3 van de Wvg in ieder geval gehouden is om verantwoorde
voorzieningen aan te bieden, waaruit volgens vaste jurisprudentie van de
Raad (onder meer: CRvB 12 maart 2002, reg.nr. 00/3220 WVG, gepubliceerd
in USZ 02/119) voortvloeit dat - voor zover het om vervoer gaat - zodanige
voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende
gehandicapten tenminste in staat worden gesteld om in hun directe woon-
en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en
deel te nemen aan het leven van alledag. Voor de vraag welke
voorzieningen in dat kader moeten worden geboden, zijn de omstandigheden
van het geval mede van belang.
Onder voornoemde zorgplicht valt in beginsel niet het kunnen onderhouden
van ver verwijderde sociale contacten. Dat is slechts dan anders indien
aangetoond dan wel anderszins duidelijk is dat er dusdanige essentiële,
slechts door persoonlijk bezoek in stand te houden, bovenregionale
contacten zijn, dat beknotting daarvan gelet op de bestaande
(mogelijkheden tot) sociale contacten en activiteiten in de directe
omgeving, zal leiden tot sociaal isolement.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, uitgaande van de
ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit bij appellant
bestaande - onder meer gezien de door hem vermelde destijds aanwezige
frequente bedlegerigheid betrekkelijk geringe - vervoersbehoefte, in
staat moest worden geacht om met de aan hem toegekende financiële
tegemoetkoming voor het vervoer in de directe omgeving, in aanvaardbare
mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van
alledag.
De Raad heeft daarbij laten wegen dat appellant met de aan hem
toegekende tegemoetkoming ruim 1500 km op jaarbasis in de directe
omgeving kan reizen en daarbij desgewenst ook buiten [woonplaats]
gelegen winkels kan bereiken. De door appellant opgeworpen grieven
leiden de Raad niet tot de conclusie dat de aan appellant toegekende
vervoersvoorziening onder de gegeven omstandigheden ten tijde in geding
geen verantwoorde tegemoetkoming in de vervoerskosten zou zijn. Daar
komt nog bij dat appellant, naar uit de gedingstukken valt af te leiden,
in staat moet worden geacht in voorkomend geval desgewenst tevens
gebruik te maken van de Streektaxi.
Tenslotte is de Raad op grond van de in dit geding ter beschikking
staande gegevens met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is
gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden
aangenomen dat appellant in een sociaal isolement als bedoeld in
evenbedoelde jurisprudentie zal geraken indien hij niet meer in dezelfde
omvang als voorheen in staat zal zijn de gestelde contacten, die hij
buiten de regio heeft, te bezoeken.
Uit het voorafgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19
maart 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|