|
Uitspraak
01/4804
WVG en 03/339 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 17 juli 2001 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, een
verweerschrift ingediend, met als bijlage een brief van gedaagde van 10
oktober 2001.
Desgevraagd heeft appellant bij brief van 11 december 2002 nog een
aantal stukken ingezonden. Voorts heeft appellant de Raad nog een
tweetal faxberichten toegestuurd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 januari 2003,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door A.G.F. Bouwmans,
werkzaam bij de gemeente Tilburg. Gedaagde is daar in persoon is
verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. J.L. van Os, voornoemd.
II. MOTIVERING
Bij primair besluit van 2 maart 2000 heeft appellant (onder meer)
geweigerd gedaagde in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg) een tegemoetkoming te verstrekken in de aanpassingskosten van een
eigen auto. Bij besluit van gelijke datum heeft appellant de eerder aan
gedaagde toegekende vervoersvoorziening in de vorm van een
tegemoetkoming in de gebruikskosten van de eigen aangepaste auto met
ingang van 1 april 2000 beëindigd. Het tegen die besluiten ingediende
bezwaar is door appellant bij het bestreden besluit van 17 augustus 2000
ongegrond verklaard. Aan dat bestreden besluit ligt het standpunt ten
grondslag dat gedaagde gebruik kan maken van het systeem van collectief
aanvullend vervoer, in casu in de vorm van een rolstoeldeeltaxi (met als
voorwaarde dat zij met gestrekte benen vervoerd kan worden) en dat in de
op de Wvg gebaseerde Verordeningen voorzieningen gehandicapten Tilburg
het primaat is gelegd bij het systeem van collectief vervoer.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit is
genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende
overwogen:
"Niet in geschil is dat eiseres in een (rolstoel)deeltaxi met
gestrekte benen kan worden vervoerd. Eiseres heeft in bezwaar en in
beroep aangevoerd dat de deeltaxi desalniettemin niet geschikt is nu zij
gebruik moet maken van een damesurinaal en lijdt aan
warmte-intolerantie, zodat getint glas en (rol)gordijnen belangrijk
zijn. Naar aanleiding van hetgeen aldus namens eiseres naar voren is
gebracht, heeft verweerder een aanvullend advies gevraagd aan ZVN. De
ZVN-arts heeft na telefonisch contact met eiseres en het inwinnen van
schriftelijke inlichtingen bij de behandelend reumatoloog gesteld dat de
warmte-intolerantie geen belemmering is om gebruik te maken van de
deeltaxi. Het gebruik van een damesurinaal is dat evenmin. Eiseres moet
in staat zijn binnen de regio de sociale contacten te kunnen onderhouden
zonder onderweg te moeten stoppen voor toiletgebruik. De ZVN-arts stelt
dat hij niet kan beoordelen of op de plaats van bestemming een ruimte
ontbreekt om in afzondering gebruik te kunnen maken van een
damesurinaal. Met familie en kennissen kunnen hierover in principe
afspraken worden gemaakt en in openbare gebouwen waar een
invalidentoilet beschikbaar is, is dit evenmin een probleem. Tijdens het
winkelen in een winkelcentrum waar geen aangepast toilet voorhanden is,
kan zich echter een probleem voordoen.
De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit, dat op dit
advies van ZVN is gebaseerd, een ontoereikend onderzoek en tevens een
ontoereikende motivering ten grondslag ligt.
Vast staat dat het aanvullend ZVN-advies van 16 juli 2000 tot stand is
gekomen zonder dat de adviserend arts eiseres heeft gezien of
onderzocht. Dit klemt te meer nu uit het advies niet blijkt dat de
adviserend arts zich er rekenschap van heeft gegeven dat eiseres is
aangewezen op een elektrische rolstoel, waarin zij met gestrekte benen
dient te zitten. Een en ander betekent dat deze rolstoel aanzienlijk
meer plaats inneemt dan een gemiddelde rolstoel. Uit dit advies blijkt
niet dat de adviserend arts dit heeft onderkend waar hij adviseert dat
met familie en kennissen afspraken gemaakt kunnen worden over het
gebruik van een damesurinaal en in openbare gebouwen in het algemeen
invalidentoiletten beschikbaar zijn. Uit het advies van 28 februari 2000
blijkt evenmin dat aandacht aan dit probleem is besteed.
Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder dan ook niet zonder
nader onderzoek kunnen uitgaan van de juistheid van hetgeen in het
advies van 16 juli 2000 is opgemerkt omtrent de mogelijkheden om van een
damesurinaal gebruik te maken. Ter zitting heeft eiseres - onweersproken
- aangevoerd dat een invalidentoilet te klein is en zij in de woning van
familie of vrienden in geen geval gebruik kan maken van een toilet. Zij
gebruikt de auto bij het afleggen van bezoeken dan ook tevens als
toilet.
Het bestreden besluit is derhalve gebaseerd op een advies waaruit
onvoldoende blijkt dat de specifieke omstandigheden van eiseres zijn
onderzocht. In het bestreden besluit is evenmin anderszins aangegeven op
welke grond verweerder meent dat bij gebruik van de deeltaxi - die
eiseres niet tevens als toiletruimte zal kunnen gebruiken - niet voor een
sociaal isolement behoeft te worden gevreesd. Verweerder heeft niet
gemotiveerd op welke grond hij van mening is dat praktische problemen
bij het gebruik van een damesurinaal niet in de weg staan aan het
onderhouden van sociale contacten binnen het naaste woon - en leefmilieu
indien daarvoor gebruik moet worden gemaakt van de deeltaxi."
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank.
Blijkens het aanvullend beroepschrift respectievelijk de ter zitting van
de Raad overgelegde pleitnota is daartoe onder meer het volgende
aangevoerd:
"Volgens vaste jurisprudentie moet de gemeente zodanige
vervoersvoorzieningen aanbieden dat de gehandicapte - van wie in
redelijkheid kan worden gevergd dat hij keuzes maakt - daardoor
tenminste in staat gesteld wordt om in zijn directe woonomgeving in
aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden, en deel te nemen aan
het leven van alledag."
"De rechtbank te Breda vindt dat de ZVN-arts bij de totstandkoming
van het aanvullend advies van 16 juli 2000 in het kader van de
bezwaarschriftenprocedure ten onrechte appellante (lees: gedaagde) niet
heeft gezien of onderzocht. De rechtbank gaat er evenwel aan voorbij dat
appellante (lees: gedaagde) een half jaar eerder, op 26 januari 2000 op
het spreekuur is geweest bij dezelfde ZVN-arts, zie blz 4 onder
"probleemanalyse" van het advies. De rechtbank haalt de
praktische problemen aan die de deeltaxi met zich zouden brengen. Naar
onze mening zijn die problemen er niet. De openbare invalidentoiletten
zijn qua afmetingen voldoende ruim om hiervan gebruik te maken. Uit
eigen waarneming is gebleken dat b.v. de invaliden-toiletten in de
Stadskantoren 1, 2 en 3 en van de Openbare Bibliotheek in Tilburg
voldoende ruimte bieden.
De VNG bevestigt dat appellante (lees: gedaagde) gebruik kan maken van
de openbare toiletten, die moeten volgens het Bouwbesluit aan bepaalde
afmetingen voldoen.
Er mag toch in alle redelijkheid van kennissen en familie van appellante
(lees: gedaagde) worden verwacht dat wanneer appellante (lees: gedaagde)
hier een bezoek brengt, zij zonodig een oplossing hebben voor naar het
toilet gaan.
Het kan toch niet zo zijn dat de gemeente hiernaar een onderzoek moet
instellen, zoals de rechtbank overweegt. Overigens is appellante (lees:
gedaagde) niet incontinent.
Ook is de medisch adviseur voldoende ingegaan op de (pijn)klachten van
appellante (lees: gedaagde) ten gevolge van van temperatuurwisseling.
Wanneer hierom wordt gevraagd kan Personenvervoer Z-Nederland zorgen
voor een taxi met airco zodat tijdens het vervoer altijd sprake is van
een egale temperatuur.
Geen punt van discussie is dat medisch gezien het verantwoord is om
gebruik te maken van de deeltaxi. Een vrij ter beschikking staande auto
heeft natuurlijk zijn voordelen boven de deeltaxi maar nu appellante
(lees: gedaagde) een beroep doet op de Wvg heeft de gemeente aan haar
zorgplicht voldaan door haar de rolstoeldeeltaxi aan te bieden. Deze
voorziening is adequaat te achten en goedkoper dan de door appellante
(lees: gedaagde) gevraagde aanpassingen van de auto."
Van de zijde van gedaagde is in hoger beroep eveneens een pleitnota
overgelegd. De inhoud daarvan luidt als volgt:
"In het hoger beroepschrift wordt gesteld dat de ZVN-arts bekend
was met het feit dat verweerster is aangewezen op een rolstoel waarin ze
met gestrekte benen vervoerd moet worden. Ten onrechte is echter buiten
beschouwing gebleven dat hier sprake is van een elektrische rolstoel die
veel meer ruimte in beslag neemt dan een gemiddelde rolstoel. De
rechtbank konkludeert dan ook terecht dat in de ZVN-adviezen onvoldoende
met deze specifieke omstandigheid rekening is gehouden.
Ook in de nadere bescheiden die ik ontving bij de brief van uw Raad van
9 januari 2003 wordt als uitgangspunt genomen een rolstoel, zonder dat
daarbij is aangegeven dat het gaat om een elektrische rolstoel. De
mededeling van de VNG dat verweerster gebruik kan maken van openbare
toiletten voldoet derhalve evenmin aan de eis van een zorgvuldig advies.
Bovendien merk ik op dat verweerster in praktijk heeft gemerkt dat zij
met haar elektrische rolstoel geen gebruik kan maken van openbare
invalidentoiletten daar zij hier met haar rolstoel niet in kan.
Gebruik maken van het toilet in de woning van vrienden en familie is om
praktische redenen evenmin mogelijk. Het toilet is te klein. Bovendien
is het in afzondering gebruiken van een damesurinaal in een woning
evenmin mogelijk. In de meeste woningen kan verweerster amper binnen met
haar rolstoel, laat staan dat zij, op een discrete wijze, het urinaal
zou kunnen gebruiken.
De voorstelling die appellante zich hierbij maakt is niet begrijpelijk.
Ten onrechte stelt appellante in het hoger beroepschrift dat er geen
verschil van mening bestaat over het feit dat verweerster in staat is om
van een rolstoeldeeltaxi gebruik te maken, ondanks dat haar benen
gestrekt zijn.
Gebruik van de deeltaxi is immers mede onmogelijk omdat er bij
verweerster sprake is van een dusdanige warmte-intolerantie dat getint
glas en rolgordijnen in de auto noodzakelijk zijn. Deze voorzieningen
ontbreken in een taxi.
Ik verwijs dienaangaande kortheidshalve naar de brieven van reumatoloog
Van 't Pad Bosch. In de brief van 9 januari 2003 geeft appellante aan
dat het in beginsel mogelijk is gebruik te maken van een taxi met airco.
De informatie die ik daaromtrent heb ontvangen spreekt dat tegen. Een
airco-installatie bevindt zich alleen in gewone taxi's, niet in
rolstoeltaxi's. Bovendien is het zeer de vraag of een airco voldoende
soelaas biedt. Reumatoloog Van 't Pad Bosch geeft daarover in zijn brief
van 5 juli 2000 geen zekerheid; hij heeft daarmee geen ervaring. Niet
begrijpelijk is het standpunt van appellante dat het noodzakelijk
gebruik van een damesurinaal geen vervoersprobleem in de zin van de Wvg
met zich kan brengen. In de Wvg en de Verordening gaat het immers om de
vraag of betrokkene dusdanige beperkingen heeft als gevolg van ziekte of
gebrek dat het niet mogelijk is van het openbaar vervoer, resp. de
deeltaxi, gebruik te maken. Deze beperking is hier aan de orde, zodat we
wel degelijk met een "Wvg-probleem" te maken hebben."
Gelet op de stellingen van partijen spitst het geschil zich in hoger
beroep toe op de vraag of het gebruik van de rolstoeldeeltaxi voor
gedaagde een adequate vervoersvoorziening is.
De Raad kan zich, alles in aanmerking genomen, verenigen met de
strekking van hetgeen namens appellant daarover in hoger beroep is
aangevoerd. Hij heeft naar aanleiding van hetgeen namens gedaagde bij
verweer in hoger beroep naar voren is gebracht nog het volgende
overwogen.
De Raad is van oordeel dat gelet op de beschikbare medische gegevens
genoegzaam aannemelijk is geworden dat gedaagde met gestrekte benen in
een rolstoeldeeltaxi vervoerd kan worden. Weliswaar is de neuroloog Van
't Pad Bosch van mening dat een aangepaste auto absoluut belangrijk is
en dat getint glas en rolgordijnen eveneens belangrijk zijn, doch de
Raad kent, althans wat die aspecten betreft, aan de bevindingen van de
ZVN-artsen, zoals neergelegd in de ZVN-rapporten van 28 februari 2000 en
16 juli 2000, meer gewicht toe dan aan de mening van de behandelend
reumatoloog.
Aan de grief van gedaagde dat in de ZVN-rapporten niet valt te lezen dat
zij zich in een elektrische rolstoel verplaatst, kan de Raad niet de
door gedaagde gewenste betekenis toekennen. De Raad is van oordeel dat
uit de gedingstukken, met name de rapportage selectie auto-aanpassing
van B. Brummelman, adviseur voorzieningen, voldoende duidelijk is
geworden dat de betreffende ZVN-artsen bekend waren met het feit dat
gedaagde gebruik maakt van een elektrische rolstoel. Bovendien is niet
betwist dat gedaagde op het spreekuur van de de ZVN-arts J. de Bekker op
26 januari 2000 in haar elektrische rolstoel is verschenen.
Dat gedaagde gebruik maakt van een damesurinaal acht de Raad geen
doorslaggevend argument om niet van de rolstoeltaxi gebruik te maken. De
Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het in het kader van de Wvg
bij (rolstoel)deeltaxivervoer veelal om relatief korte ritten gaat en
dat gedaagde niet incontinent is. Dat appellant ook een onderzoek moet
doen naar, dan wel een oplossing moet vinden voor de toegankelijkheid
van het toilet bij een bezoek aan familie of kennissen, kan de Raad in
het kader van de op grond van de Wvg op appellant rustende zorgplicht
ten aanzien van het bieden van adequate vervoersvoorziening(en) niet
onderschrijven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep doel treft, zodat
moet worden beslist als in rubriek III weergegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4
maart 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|