|
Uitspraak
02/371
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 april 2001 heeft appellant het verzoek van gedaagde
tot toekenning van een vervoersvoorziening bij en krachtens de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) in de vorm van een scootmobiel,
afgewezen.
Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 14 augustus 2001 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 december 2001 het
beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Appellant heeft bij schrijven van 8 januari 2002, verzonden 10 januari
2002, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 4
maart 2002 heeft appellant de gronden van het beroep ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 14 maart 2002 laten weten geen verder
verweer te willen voeren.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 maart
2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door W.
Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen. Gedaagde is niet
verschenen.
II. MOTIVERING
In dit geding is aan de orde of het bestreden besluit, waarbij appellant
gedaagdes aanvraag in het kader van de Wvg inzake de verstrekking van
een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel heeft afgewezen,
in rechte stand kan houden. Bij de beoordeling hiervan, gaat de Raad uit
van de feiten en omstandigheden, zoals deze zijn gebleken uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
De Raad overweegt het volgende.
Uit de stukken blijkt dat aan gedaagde, geboren in 1914, vanaf medio
1994 een vervoersvoorziening op grond van de Wvg is toegekend, en wel in
de vorm van deelname aan het collectief vervoersysteem "Reisnet
Parkstad Limburg".
Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde buitenshuis minder dan
100 meter kan lopen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad bestaat in een zodanig geval,
waarin sprake is van een uiterst beperkte mobiliteit, voor de betrokken
gehandicapte in beginsel aanspraak op een vervoersvoorziening, specifiek
bestemd voor verplaatsingen over enkele honderden meters. Indien, zoals
in het onderhavige geval, het gemeentebestuur het primaat heeft gelegd
bij een vervoersvoorziening in de vorm van (een financiële
tegemoetkoming voor) deelname aan het collectief vervoer, betekent dit
dat de gehandicapte gezien zijn uiterst beperkte mobiliteit daarnaast in
beginsel aanspraak heeft op een aanvullende vervoersvoorziening voor
verplaatsingen over enkele honderden meters.
Namens appellant is aangevoerd dat in het onderhavige geval op dit
uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt, omdat gedaagde in een
verzorgingstehuis verblijft. Als gevolg hiervan, zo stelt appellant, is
voor gedaagde in mindere mate sprake van vervoersbehoefte. Zo is het
bezoeken van winkels voor het voorzien in de dagelijkse levensbehoeften,
niet aan de orde, omdat deze vanuit het verzorgingstehuis worden
verstrekt. Bovendien is in het tehuis zelf een winkel aanwezig. Ook voor
bezoek aan kerk en kapper geldt dat gedaagde gebruik kan maken van de
faciliteiten die het tehuis biedt. Voorts zal zich voor personen in een
verzorgingstehuis nauwelijks de situatie voordoen waarin kan worden
gesproken van sociaal isolement, aldus appellante.
Appellant heeft ter zitting nog verwezen naar het door hem op dit punt
gevoerde beleid, zoals neergelegd in de concept-nota
"Verstrekkingenbeleid scootmobiel" d.d. 14 februari 1997,
opgesteld door de Werkgroep verstrekkingenbeleid Wvg Oostelijk
Zuid-Limburg. In deze nota is neergelegd dat voor toewijzing van een
scootmobiel, sprake dient te zijn van "een substantiële
vervoersbehoefte in de directe woonomgeving: uitgangspunt is het
dagelijks of bijna dagelijks gebruik van het middel". Verder is in
de nota het volgende te lezen: "In situaties waarin slechts sprake
is van incidenteel gebruik (bijvoorbeeld gemiddeld één of tweemaal per
week een ommetje in het park) dient naar andere, meer passende
voorzieningen gekeken te worden."
Namens appellant is hierbij ten slotte nog gewezen op het feit dat
indien gedaagde aanspraak zou hebben op toekenning van een scootmobiel,
dit voor bijna alle bewoners van een verzorgingstehuis zou gelden. Dit
zou voor appellant een zeer kostbare zaak worden.
De Raad overweegt hierover het volgende.
Naar het oordeel van de Raad kan in zijn algemeenheid niet staande
worden gehouden dat wanneer een gehandicapte met een uiterst beperkte
mobiliteit in een verzorgingstehuis verblijft, er geen aanleiding kan
zijn voor een gemeentebestuur om een voorziening te verstrekken voor het
vervoer over de korte afstand (100 tot 500 meter). Ook voor bewoners van
verzorgingstehuizen geldt immers dat zij op aanvaardbare wijze deel
moeten kunnen nemen aan het leven van alledag, waaronder begrepen dient
te worden het zich in het nabije woon- en leefmilieu kunnen begeven.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat een gedraging, waarbij de
directe woon- en leefomgeving van de bewoner van een verzorgingstehuis
categorisch beperkt wordt tot dit verzorgingstehuis zelf, zich niet
verdraagt met evengenoemd uitgangspunt. Weliswaar zal het verblijf in
een verzorgingstehuis de vervoersbehoefte kunnen doen afnemen, onder
meer omdat het verzorgingstehuis zelf over verschillende faciliteiten
beschikt, echter, niet kan worden aangenomen dat er een verplichting is
voor een bewoner om steeds gebruik te maken van die faciliteiten. Indien
een betrokken bewoner (tevens) elders wenst deel te nemen aan het leven
van alledag in het nabije woon- en leefmilieu en hij of zij daartoe
medisch in staat is, zal het gemeentebestuur hiermee in het licht van
artikel 3 van de Wvg rekening dienen te houden.
De Raad merkt hierbij op dat het in het bestreden besluit neergelegde
standpunt van appellant voorts niet strookt met het in de eerder
genoemde beleidsnota neergelegde uitgangspunt, dat in situaties waarin
sprake is van incidenteel gebruik van de scootmobiel, naar andere, meer
passende voorzieningen dient te worden omgekeken.
Niet gebleken is immers dat appellant heeft omgekeken naar andere, meer
passende voorzieningen voor het vervoer over de korte afstand voor
gedaagde.
Voor zover aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd dat
gedaagde niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening voor de
korte afstand, vanwege het enkele feit dat zij in een verzorgingstehuis
verblijft alwaar zij gebruik kan maken van de daar aanwezige
faciliteiten, berust dit besluit gezien het vorenstaande niet op een
deugdelijke motivering.
De Raad voegt hieraan, in dit geding ten overvloede, toe dat een
passende aanvullende voorziening voor de korte afstand voor gedaagde
niet noodzakelijk neerkomt op de verstrekking van een eigen scootmobiel.
Denkbaar is wellicht ook dat gedaagde, gelet op de omstandigheid dat zij
in een verzorgingstehuis verblijft waar wellicht meerdere personen in
voorkomend geval aanspraak kunnen maken op (het gebruik van) een
scootmobiel, met anderen een scootmobiel deelt. Het ligt op de weg van
appellant om hier desgeraden nader onderzoek naar te doen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Appellant zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op
het bezwaarschrift van gedaagde moeten nemen. Gelet op de persoonlijke
omstandigheden van gedaagde, acht de Raad het aangewezen dat dit besluit
binnen twee maanden na de onderhavige uitspraak wordt genomen.
De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van art. 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht een kostenveroordeling ten gunste van
gedaagde uit te spreken, nu de Raad niet is gebleken dat zij terzake
kosten heeft gemaakt.
Beslist wordt als hierna in rubriek III is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant binnen twee maanden na dagtekening van deze
uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt;
Verstaat dat van de gemeente Heerlen een griffierecht ten bedrage van
€ 348,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. R. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. de Gooijer.
|
|